Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:1562

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
10-03-2017
Datum publicatie
23-03-2017
Zaaknummer
13/684586-16 en 13/684454-15 (tul)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt veroordeeld tot vier weken gevangenisstraf waarvan twee voorwaardelijk voor diefstal van een jas. Vordering benadeelde partij deels toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummers: 13/684586-16 en 13/684454-15 (tul) (Promis)

Datum uitspraak: 10 maart 2017

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] , [plaats] .

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 24 februari 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. S.M. van der Veen, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. L.R. Rommy, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 12 november 2016 te Amsterdam, althans in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een jas (merk Woolrich), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.

4.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit.

4.3.

Oordeel van de rechtbank

4.3.1.

Bewijsmiddelen

1 De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 24 februari 2017.

Deze verklaring houdt onder meer in, zakelijk weergegeven:

Ik ben op het feestje van aangever [aangever] geweest, na een paar uurtjes ben ik weggegaan. De jas die ik draag op het filmpje had ik van [persoon 1] geleend. Ik heb inderdaad op Centraal Station de vader van aangever gezien. Ik weet dat ik op dat moment de jas van [persoon 1] aan had.

2. Een proces-verbaal van aangifte met nummer PL1300-2016248219-1 van 14 november 2016, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [persoon 1] (dossierpagina’s 5 en 6).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde verbalisant, zakelijk weergegeven:

Op 14 november 2016 verscheen voor mij [persoon 2] , adres: [adres aangever] te [plaats aangever] . Zij deed aangifte namens [aangever] en verklaarde het volgende.

‘Afgelopen zaterdag 12 november 2016, tussen 18.00 uur en 24.00 uur was er een feestje bij mij thuis. Op 13 november 2016 ontdekte [aangever] dat zijn jas niet meer aanwezig was. Het betreft een Woolrich-jas, kleur zwart. De jas is voorzien van een bontkraag. Iemand moet de jas hebben weggenomen. (…) Tevens zat er in de jas een bankpas van de ING.’

3. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2016248219-3 van 23 november 2016, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 3] (dossierpagina’s 10 en 11).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde verbalisanten, zakelijk weergegeven:

Op 21 november 2016 nam ik contact op met aangeefster [persoon 2] en hoorde dat zij mij telefonisch verklaarde: ‘Ik kan u vertellen dat het een zwarte Woolrich-jas is, waarvan de onderste knoop los is geweest. Ik heb die er zelf op genaaid. Dit moet te zien zijn. (…) Ook was de bontkraag scheef op de capuchon gezet. Verder kan ik u vertellen dat ik gisteren via via een filmpje kreeg doorgestuurd waarop die jongen te zien is in een zwarte Woolrich-jas. Dit filmpje kwam via Snapchat en kan ik naar u doorsturen. Verder kan ik u vertellen dat die jongen nog een keer gezien is in een zwarte Woolrich-jas op het Centraal Station, namelijk afgelopen vrijdag door mijn ex-man.’

Op 21 november 2016 kreeg ik, De Gast, van de aangeefster twee filmpjes doorgestuurd. Wij zien op beide filmpjes één persoon van dichtbij in beeld. Wij herkennen hem als zijnde verdachte [verdachte] . Wij zien dat [verdachte] op het filmpje een zwarte jas draagt, van het merk Woolrich. Tevens zien wij dat er een bontkraag zit op de capuchon van de jas. (…) Wij hoorden dat de moeder van [verdachte] ons ongevraagd verklaarde: ‘De moeder van die jongen wiens jas gestolen is heeft mij een aantal filmpjes doorgestuurd waarop ik [verdachte] zie in een zwarte jas, die ik niet herken als één van zijn jassen.’

4. Een proces-verbaal van verhoor getuige met nummer PL1300-2016248219-4 van 24 november 2016, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 4] (dossierpagina’s 14 - 17).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van getuige [persoon 3] , zakelijk weergegeven:

Op 12 november was ik op een feest van mijn zoon [aangever] . Mijn zoon [aangever] draagt een jas van het merk Woolrich, zwart van kleur, voorzien van bruine bontkraag. De jas hing aan de kapstok, de kapstok staat beneden bij de voordeur. Op de eerste etage bevond zich het feest. Het is een maisonnette woning, de woonkamer is op de eerste etage, waar alle mensen waren om zijn verjaardag te vieren. De volgende dag bleek de jas van mijn zoon, [aangever] , niet meer op de kapstok te hangen. Een vriend bleek later te appen, hij appte het volgende: ‘Ik zie hier op het Centraal Station die jongen lopen, die gister aanwezig was op het feestje van je, hij heet [verdachte] , hij heeft jouw Woolrich-jas.’ Die vriend wist deze jas te herkennen aan de bruine bontkraag, mijn ex-vrouw heeft deze bontkraag namelijk verkeerd op de jas geknoopt, waardoor deze kraag een beetje schuin staat.

(…)

Morgen een week geleden heb ik [verdachte] gezien bij het metrostation op Amsterdam Centraal Station, dit was op een vrijdag omstreeks 17:00 uur, 17:15 uur. Vrijdag 18 november 2016. Ik herkende [verdachte] aan zijn haar en de jas van mijn zoon met het opvallende kenmerk de bontkraag die schuin op de jas zit.

5. Een proces-verbaal van verhoor getuige met nummer PL1300-2016248219-13 van 2 december 2016, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 5] (ongenummerde pagina’s).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van getuige [persoon 4] , zakelijk weergegeven:

Ik ken [verdachte] . Ik heb een Woolrich-jas. Het is een bruine Woolrich. U laat mij een filmpje zien. Ik herken de jongen op het filmpje als [verdachte] . De jas die hij draagt is niet mijn jas. Ik heb wel mijn jas op dinsdag 22 november 2016 uitgeleend aan [verdachte] . Dit was in de avond en het regende en [verdachte] had alleen een bodywarmer aan. Op woensdag 23 november rond 16.00 uur heb ik de jas teruggekregen van [verdachte] . Ik heb verder mijn jas nooit uitgeleend.

4.3.2. Bewijsoverweging

Verdachte is met een Woolrich-jas gezien op een filmpje en door de vader van aangever, [persoon 3] , op straat bij het Centraal Station. [persoon 3] verklaart dat dat op 18 november 2016 was. De moeder van aangever zegt het filmpje op 20 november 2016 te hebben ontvangen. Verbalisanten ontvangen het filmpje van haar op 21 november 2016. De jas van aangever is op 12 november 2016 weggenomen. Uit het voorgaande volgt dat er ten minste twee momenten zijn in de periode na de datum van de diefstal, waarop verdachte een Woolrich-jas draagt. De rechtbank ziet zich allereerst gesteld voor de vraag of de jas die verdachte draagt de weggenomen jas van aangever is.

Verdachte heeft verklaard dat hij, zowel op het moment dat hij de vader van aangever ziet, als het moment waarop het filmpje wordt opgenomen, de Woolrich-jas van zijn vriend [persoon 1] draagt. [persoon 1] zelf verklaart hierover dat hij één keer zijn jas aan verdachte heeft uitgeleend, te weten op 22 november 2016. Op 23 november 2016 rond 16.00 uur heeft hij de jas terug gekregen van verdachte. Daar komt bij dat [persoon 4] , wanneer hij het betreffende filmpje ziet, verklaart dat verdachte op dat moment niet zijn jas draagt. Mede gelet op de details die [persoon 4] ten aanzien van de tijdstippen van het uitlenen van zijn jas noemt en de afwezigheid van enige reden om zijn verklaring in twijfel te trekken, gaat de rechtbank uit van de betrouwbaarheid van zijn verklaring en is de rechtbank, anders dan de raadsman suggereert, van oordeel dat hij zich niet vergist in de datum of ten aanzien van hoe vaak hij zijn jas uitleende. Dat wordt ook bevestigd door de verklaring van de vader van aangever, dat hij de jas die verdachte op 18 november 2016 draagt, aan een opvallend en (ook ten aanzien van andere jassen van hetzelfde merk) onderscheidend kenmerk herkent als de jas van zijn zoon. De rechtbank stelt daarmee vast dat verdachte op beide momenten niet de jas van [persoon 4] , maar de jas van aangever draagt.

De tweede vraag die moet worden beantwoord is of is bewezen dat verdachte de jas van aangever heeft weggenomen op 12 november 2016 en dat hij deze niet op andere wijze in bezit kan hebben gekregen. De rechtbank stelt voorop dat uit de enkele omstandigheid dat verdachte op 18 november 2016, te weten zes dagen na de diefstal, de weggenomen jas draagt, nog niet zonder meer volgt dat hij deze ook heeft gestolen.

In dit geval is het echter ook zo dat verdachte op de avond van de diefstal bij aangever in huis is geweest, op een feestje waar zo’n 25 personen aanwezig waren. In de woning van aangever zijn de kapstok en voordeur een verdieping lager gelegen dan de woonkamer, waar het feestje gehouden werd. Uit het voorgaande volgt dat verdachte in de gelegenheid is geweest om de jas weg te nemen. Bovendien dringt het scenario dat verdachte, die aanwezig was in het huis rond het moment dat de jas werd gestolen en de jas enkele dagen later aanhad, de jas zelf heeft gestolen, zich op als verreweg het meest voor de hand liggend.

Voor de rechtbank weegt echter het zwaarst dat verdachte een aantoonbaar onjuiste verklaring heeft afgelegd over de jas die hij droeg op de twee hiervoor genoemde momenten. De rechtbank merkt deze verklaring aan als een kennelijk leugenachtige verklaring, die de verdachte opzettelijk heeft afgelegd om de waarheid te bemantelen. Verdachte is uitgebreid over de jas bevraagd en herhaaldelijk geconfronteerd met de hiervoor genoemde verklaringen en bevindingen. Het belang van de vraag welke jas hij op welk moment droeg, kan hem onmogelijk zijn ontgaan. Een vergissing aan de zijde van verdachte acht de rechtbank dan ook uitgesloten. Blijkbaar heeft hij door te liegen willen verhullen dat hij op onrechtmatige wijze in bezit van de jas van aangever is gekomen. Nu uit het dossier bovendien niets blijkt van een alternatieve wijze waarop verdachte de jas van aangever in bezit heeft gekregen, anders dan het verreweg het meest voor de hand liggende scenario dat hij deze zelf heeft weggenomen, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat het verdachte is geweest die de jas van aangever heeft gestolen.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4.3.1. vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

op 12 november 2016 te Amsterdam, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een jas (merk Woolrich), toebehorende aan [aangever] .

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 Strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf

8.1.

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van één maand, met aftrek van voorarrest, waarvan twee weken voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Daarbij dienen als bijzondere voorwaarden te worden opgelegd een meldplicht, behandelverplichting en het realiseren van dagbesteding.

8.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat in het geval van een veroordeling aan verdachte een straf dient te worden opgelegd waarbij hij niet opnieuw gedetineerd raakt.

8.3.

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het stelen van een jas uit een huis. Wat voor slachtoffer en zijn familie een gezellig feestje was, kreeg een vervelend vervolg toen de volgende dag bleek dat zijn jas was gestolen. Verdachte, die een aantal uur op het feestje verbleef, heeft ernstig misbruik gemaakt van de gastvrijheid van de familie van het slachtoffer door een jas te stelen van de kapstok. Daar komt bij dat verdachte, wanneer hij met de jas van aangever wordt gezien, niet zijn verantwoordelijkheid neemt maar juist liegt over de herkomst van de jas. De rechtbank neemt dit verdachte kwalijk.

Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank, naast het voorgaande, rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Hoewel verdachte nog jong is, heeft hij inmiddels een omvangrijk strafblad en is hij meermalen veroordeeld voor vermogensdelicten. De rechtbank acht een gevangenisstraf dan ook passend. In de persoonlijke omstandigheden van verdachte en met name in zijn jonge leeftijd, ziet de rechtbank aanleiding om een deel van de straf voorwaardelijk op te leggen. Uit een e-mail d.d. 24 februari 2017 van [naam medewerker instelling] , reclasseringsmedewerker, blijkt dat verdachte zich moeilijk laat begeleiden. Verdachte is weggestuurd van school omdat hij verzuimde. [naam medewerker instelling] geeft ook aan dat de reclassering verdachte de komende tijd zal helpen met de keuzes die hij maakt, zodat hij meer zelfinzicht zal krijgen. In dat verband is het van belang om de meldplicht, behandelverplichting en het realiseren van dagbesteding als bijzondere voorwaarden op te leggen.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat de straf die de officier van justitie heeft geëist passend is. De rechtbank zal aan verdachte dan ook een gevangenisstraf van vier weken opleggen, waarvan twee weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

9 Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij, [aangever] , vordert € 976,40 aan materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente en daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Het gevorderde bedrag bestaat uit € 700,00 (weggenomen Woolrich-jas), € 7,00 (weggenomen bankpas) en € 269,40 (vervangende jas).

9.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot een bedrag van € 707,00 dient te worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente. Daarnaast heeft de officier van justitie verzocht om de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. De benadeelde partij dient voor het overige niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn vordering, aldus de officier van justitie.

9.2.

Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft primair bepleit dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn vordering, gelet op het verzoek om vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de vordering ten aanzien van de Woolrich-jas en bankpas kan worden toegewezen, maar dat er bij het bepalen van de hoogte van het bedrag rekening moet worden gehouden met het feit dat de Woolrich-jas niet nieuw was en dat er het een en ander aan mankeerde. De vordering dient ten aanzien van de vervangende jas te worden afgewezen, aldus de raadsman.

9.3.

Oordeel van de rechtbank

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De rechtbank zal de vordering ten aanzien van de vervangende jas afwijzen, nu de benadeelde partij deze jas in zijn bezit heeft en er daarmee dus geen schade is ontstaan. Ten aanzien van de Woolrich-jas en de bankpas is de rechtbank van oordeel dat deze posten dienen te worden toegewezen, nu verdachte deze goederen van de benadeelde partij heeft gestolen. De rechtbank is met de raadsman van oordeel dat niet het gevorderde bedrag van € 700,00 dient te worden toegewezen, aangezien de jas bijna twee jaar oud was op het moment dat deze werd weggenomen. De rechtbank zal een afschrijvingspercentage van 30% hanteren. Uit het voorgaande volgt dat de vordering tot materiële schadevergoeding tot een bedrag van in totaal € 497,00 zal worden toegewezen, bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 12 november 2016, tot aan de dag van de algehele voldoening.

De vordering zal voor overige worden afgewezen.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer, [aangever] , naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen geachte feit is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 497,00, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 12 november 2016, tot aan de dag van de algehele voldoening.

10 Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich de vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam, in de zaak met parketnummer 13/684454-15, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 6 juni 2016 van de kinderrechter te Amsterdam, waarbij verdachte is veroordeeld tot twee weken jeugddetentie, met bevel dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op twee jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Tevens bevindt zich bij de stukken een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte per post is toegezonden.

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet hierin aanleiding de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke straf te gelasten.

11 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

12 Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5. is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

diefstal.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van VIER (4) WEKEN.

Beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot twee (2) weken, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van twee (2) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet aan de volgende algemene voorwaarden houdt.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

1. zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; en

3. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

1. zich meldt bij het Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering op het adres [adres instelling] te Amsterdam en zich blijft melden zo frequent en zolang de reclassering dit nodig acht. Daarbij dient veroordeelde zich te houden aan de aanwijzingen die de reclassering hem in het kader van de meldplicht geeft;

2. zich laat behandelen door TOP-zorg van De Waag en zich houdt aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de behandelaar worden gegeven, zulks zolang de reclassering dit nodig acht;

3. zijn medewerking verleent aan het realiseren van dagbesteding, bijvoorbeeld in de vorm van scholing. Veroordeelde dient de aanwijzingen die de reclassering hem in het kader van deze voorwaarde geeft op te volgen.

Geeft aan Reclassering Nederland opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Wijst de vordering van [aangever] , wonende te Amsterdam, toe tot € 497,00 (zegge: vierhonderdzevenennegentig euro), bestaande uit materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 12 november 2016 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [aangever] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Wijst de vordering voor het overige af.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [aangever] , aan de Staat te betalen € 497,00 (zegge: vierhonderdzevenennegentig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 12 november 2016 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting vervangen door hechtenis van negen (9) dagen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Gelast de tenuitvoerlegging van de bij genoemd vonnis van 6 juni 2016 opgelegde voorwaardelijke straf, namelijk twee (2) weken jeugddetentie.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.F. Ferdinandusse, voorzitter,

mrs. F.W. Pieters en J.M. Hoogveld, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D.C. Wagter, griffier

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 10 maart 2017.

mr. J.M. Hoogveld is buiten staat

dit vonnis mede te ondertekenen.