Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:1557

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
13-03-2017
Datum publicatie
04-05-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 471
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep van werkgever tegen vaststelling arbeidsongeschiktheidspercentage in klasse 55-65 na verzoek om herbeoordeling van werkgever.

Werkgever was het niet eens met de urenbeperking van 20 uur. De verzekeringsarts bezwaar & beroep heeft voldoende uitgelegd waarom de urenbeperking is gegeven, namelijk uit preventief oogpunt. De klachten van de werknemer (bipolaire stoornis met kwetsbaar evenwicht) zijn van dien aard dat hij gemakkelijk over zijn eigen grenzen heen gaat. Ook overige aangenomen beperkingen zijn goed gemotiveerd.

UWV heeft zorgvuldig gehandeld, in overeenstemming met de standaard “duurbelasting in arbeid”.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 16/471

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 maart 2017 in de zaak tussen

[bedrijf] ., te Beverwijk, eiseres

(gemachtigde: mr. J.P.M. van Zijl),

en

De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: [de persoon 1] ).

Procesverloop

Bij besluit van 3 maart 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder de mate van arbeidsongeschiktheid van [de man] (werknemer van eiseres; hierna: [de man] ) met ingang van 1 februari 2015 vastgesteld op 100% en vanaf 4 maart 2015 op 52,78%.

Bij besluit van 10 december 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres gegrond verklaard en [de man] per 5 november 2014 100% arbeidsongeschikt beschouwd. Per 4 maart 2015 is [de man] 40,41% arbeidsongeschikt.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juni 2016.

Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en [naam arts 1] , verzekeringsarts/RGA bij [bedrijf 3] .

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en aan verweerder nadere vragen voorgelegd. Eiseres heeft hierop gereageerd, waarna verweerder een laatste reactie heeft gegeven.

Partijen hebben de rechtbank toestemming gegeven om zonder zitting uitspraak te doen.

Overwegingen

1.1.

[de man] was in dienst van eiseres als [beroep] voor 40 uur per week. Op 5 juli 2010 is hij uitgevallen vanwege psychische klachten. Met ingang van 3 mei 2012 is hem een loongerelateerde uitkering op grond van de Wet Gedeeltelijke Arbeidshervatting (WGA) toegekend. Deze WGA-uitkering liep af op 2 oktober 2013, waarna [de man] een loonaanvullingsuitkering is toegekend. Vanaf oktober 2013 is [de man] op oproepbasis gaan werken als [beroep 1] bij [bedrijf 2] . Op 5 november 2014 heeft [de man] zich wederom ziek gemeld en is hem een uitkering op grond van de Ziektewet toegekend.

1.2.

Eiseres heeft het UWV op 10 oktober 2014 verzocht om de mate van arbeidsongeschiktheid van [de man] opnieuw te beoordelen. [de man] is op 18 februari 2015 onderzocht door verzekeringsarts [naam arts 2] . Hij was van mening dat [de man] geen benutbare mogelijkheden had op 5 november 2014. [de man] heeft een ernstige psychische stoornis waardoor er op dat moment een onvermogen in het persoonlijk en sociaal functioneren bestond. Op het moment van het onderzoek (18 februari -2015) was er sprake van verminderde benutbare mogelijkheden; een nieuwe FML is opgesteld. Daarin is een urenbeperking van 20 uur opgenomen. De arbeidsdeskundige A.J. Vervoort heeft passende functies gevonden. Het arbeidsongeschiktheidspercentage van [de man] komt daarmee uit op 52,78% per datum herbeoordeling.

Verweerder heeft naar aanleiding van dit onderzoek het primaire besluit genomen, waarbij eiser met ingang van 1 februari 2015 voor 100% arbeidsongeschikt wordt geacht en met ingang van 4 maart 2015 voor 52,78%.

1.3.

Eiseres heeft bezwaar tegen dit besluit gemaakt, waarbij zij als voornaamste gronden naar voren heeft gebracht dat er geen informatie van de behandelend sector is gevraagd, weinig medische informatie voorhanden is, de klachten en het dagverhaal onvoldoende zijn beschreven en de urenbeperking onvoldoende is gemotiveerd.

Eiseres heeft in bezwaar een rapport overgelegd van [naam arts 1] , medisch adviseur bij [bedrijf 3] , gedateerd 21 augustus 2015. Hij is het met de verzekeringsarts [naam arts 2] eens dat [de man] lijdt aan een schizo-affectieve stoornis, een stoornis met de kenmerken van schizofrenie, een beeld met langdurig aanwezige wanen of hallucinaties, in combinatie met stemmingsstoornissen. [naam arts 1] is het ook eens met [naam arts 2] dat dit ziektebeeld beperkingen oplevert voor het persoonlijk en sociaal functioneren. Dat [de man] op 5 november 2014 echter geen benutbare mogelijkheden had betwist hij. [de man] was op die datum niet opgenomen in een ziekenhuis of bedlegerig. Evenmin blijkt uit de medische rapportage dat hij voor de algemene dagelijkse levensverrichtingen van een ander afhankelijk was dan wel psychisch niet zelfredzaam. Aangezien [de man] op 26 januari 2015 weer is gaan werken, had hij in elk geval vanaf die datum weer benutbare mogelijkheden. De beperkingen die de verzekeringsarts per 18 februari 2015 heeft aangenomen zijn dezelfde als per einde wachttijd (2 juli 2012). Ook ten aanzien van deze datum is [naam arts 1] het met de verzekeringsarts [naam arts 2] eens dat [de man] beperkingen in het persoonlijk en sociaal functioneren had, maar voor de aangenomen urenbeperking van 20 uur ziet hij geen aanleiding, in de eerste plaats al omdat [de man] hele dagen werkt in bovendien hectische en wisselende diensten. Als er voldoende rekening wordt gehouden met de overige beperkingen, is er geen aanleiding een urenbeperking aan te nemen.

Eiseres heeft tevens een rapport van F. Hoebink , register arbeidsdeskundige bij BSH arbeidskundig advies , overgelegd, gedateerd 11 september 2015. Hij is het eens met de arbeidsdeskundige van het UWV dat [de man] geschikt is voor de functie van [beroep 1] die hij inmiddels voor 20 uur per week uitoefent. Bij het zoeken naar passende functies heeft de arbeidsdeskundige Vervoort de opleidingsrichting commercieel en administratief uitgesloten. Daarvoor bestaat in het geval van [de man] geen aanleiding. Een onderbouwing hiervoor is niet gegeven. Zolang de urenbeperking gehandhaafd blijft, komt [de man] boven de 35% uit.

1.4.

De verzekeringsarts bezwaar & beroep [naam arts 3] heeft in zijn rapport van 21 oktober 2015 verklaard dat [de man] op 5 november 2014 inderdaad niet voldeed aan de uitzonderingscriteria van artikel 2, vijfde lid, van het Schattingsbesluit. Wel had hij op die datum een toegenomen beperking in het sociaal functioneren. Per 26 januari 2015 (datum hervatting werk) waren er benutbare mogelijkheden, maar voor slechts een zeer beperkt aantal uren. [de man] heeft aangegeven dat hij drie dagen per week fulltime wil werken, afgewisseld met een vrije dag. [naam arts 3] vindt dit overtuigend overkomen. Er is nog geen eindtoestand bereikt, dus een definitief oordeel geeft [naam arts 3] niet. Hij wil eerst bezien hoe [de man] zich kan handhaven in een dienstverband van 3x 8 uur per dag.

De arbeidsdeskundige in Bezwaar & Beroep J.A.N. de Lange heeft bij deze beperkingen passende functies gevonden. [de man] wordt per 5 november 2014 100% arbeidsongeschikt beschouwd en per 18 februari 2015 40,41%.

Hierna heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

Beroepsgronden

2.1.

Eiseres heeft – kort samengevat – aangevoerd dat het onderzoek door de artsen van het UWV onzorgvuldig is geweest. De urenbeperking is niet gemotiveerd. Voor het aannemen van duurzame arbeidsongeschiktheid dienen de stappen van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) gevolgd te worden. De gronden van het bezwaar zijn herhaald.

Schorsing

2.2.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting van 9 juni 2016 geschorst in verband met de volgende nog te beantwoorden vragen.

a. In de zaak zijn twee verschillende FML’s opgemaakt, op 5 november 2014 en op 18 februari 2015. In de laatste FML is een beperking ten aanzien van contact met klanten toegevoegd, terwijl de beperking ten aanzien van direct contact met collega’s is verwijderd. De rechtbank heeft verweerder om een nadere toelichting gevraagd.

b. De urenbeperking is aangenomen om preventieve redenen. Volgens medisch adviseur [naam arts 1] is het UWV daarbij uitgegaan van de aangepaste werkzaamheden die [de man] in het kader van zijn re-integratie verricht en niet van de passende functies in het kader van de WIA. Daarnaast is de urenbeperking gekoppeld aan de wens van [de man] om tussendoor te kunnen recupereren. De vraag is gerezen in hoeverre een hersteldag nodig is als [de man] echt passend werk verricht. Daarnaast is het de vraag in hoeverre een urenbeperking nodig is als er al beperkingen op persoonlijk en sociaal functioneren zijn aangenomen. De rechtbank heeft hier aan verweerder een nadere toelichting op gevraagd.

c. De rechtbank heeft ten slotte verweerder verzocht om contact op te nemen met de behandelend psychiater van [de man] : M. van de Ven van GGZ Dijk en Duin om informatie in te winnen over de medische gesteldheid van [de man] rond de datum in geding.

2.3.

De verzekeringsarts bezwaar & beroep [naam arts 3] heeft bij psychiater B. Sentveld van Dijk & Duin informatie over [de man] opgevraagd. In de brief van 8 augustus 2016 verklaart Sentveld dat [de man] lijdt aan een bipolaire 1 stoornis; laatste episode depressief. Rond januari/februari 2015 was er een gedeeltelijk herstel dankzij medicatie. Het was echter wel een kwetsbaar evenwicht. [de man] had nog last van verhoogde spanningsgevoeligheid en lichamelijke klachten ten gevolge van de medicatie; ook was hij nog achterdochtig. Het herstel van [de man] verloopt wisselend, volgens Sentveld.

Volgens [naam arts 3] was de diagnose bipolaire stoornis ten tijde van de beoordeling in 2015 nog niet bekend, maar waren er zodanig veel aanknopingspunten voor een psychotisch beeld met kwetsbaar evenwicht dat de urenbeperking terecht is aangenomen. Met de kennis van nu kan de urenbeperking goed worden verdedigd. Volgens de standaard wordt duurbelasting alleen op preventieve gronden bij aandoeningen die gepaard gaan met overschrijding van de eigen grenzen, zoals bij psychose en bipolaire stoornis. De omschreven achterdocht was de aanleiding voor een beperking van klantcontact. Die achterdocht speelde niet ten aanzien van collega’s.

2.4.

Namens eiser heeft medische adviseur [naam arts 1] hierop als volgt gereageerd. Allereerst heeft hij gevraagd om de vraagstelling van [naam arts 3] aan Sentveld over te leggen. Die luidde als volgt:

- wat waren uw bevindingen in jan/feb 2015;

- welke diagnose heeft u gesteld;

- welke behandeling heeft u ingesteld.

Volgens [naam arts 1] is de standaard “duurbelasting in arbeid” pas vanaf 8 juli 2015 van toepassing, dus na de datum in geding. De standaard “verminderde arbeidsduur” die daarvoor gold kende geen verwijzing naar de ziekte die de bezwaarverzekeringsarts noemt. De kwetsbaarheid van [de man] komt al voldoende tot uitdrukking in de overige beperkingen. Niet gebleken is dat [de man] rond 4 maart 2015 een beperkt ziektebesef had, hetgeen het criterium voor een preventieve urenbeperking is. Van zelfoverschatting was evenmin sprake. Wel was er sprake van overschrijding van de eigen grenzen, maar dat was het gevolg van onregelmatige en langdurige werktijden. Niet gebleken is dat [de man] bij regelmatig 5 x 8 uur werken ook zijn belastbaarheid zou overschrijden. Indien er al een urenbeperking moet komen, is onvoldoende gemotiveerd waarom deze 20 uur en niet 30 uur moet bedragen.

2.5.

De verzekeringsarts bezwaar & beroep [naam arts 3] heeft hier in zijn rapport van 11 januari 2017 een laatste reactie op gegeven: tijdens een hypomane episode onderkent [de man] onvoldoende waar de grens van inspanning voor hem ligt; hij dreigt door te draven. Zelfs nachtrust gaat verloren. Dit kan leiden tot een ernstige depressie. Daarom is de urenbeperking aangewezen.

Oordeel van de rechtbank

3.1.

De rechtbank is van oordeel dat [naam arts 3] de door de rechtbank gestelde vragen, genoemd in 2.2, voldoende heeft beantwoord. De urenbeperking is gegeven uit preventief oogpunt, hetgeen de rechtbank zorgvuldig acht. Daarbij heeft [naam arts 3] duidelijk aangegeven dat er bij [de man] een risico bestaat op overbelasting, die voortkomt uit zijn bipolaire stoornis. Dat dat risico niet zou bestaan, als [de man] niet werkt in een aangepaste functie in het kader van zijn re-integratie, is volgens de rechtbank niet aannemelijk gemaakt door eiseres. Zoals [naam arts 3] in zijn laatste rapport heeft verklaard, heeft [de man] moeite om zijn eigen grenzen te bewaken tijdens een hypomane episode. Ongeacht welke functie hij uitvoert, bestaat dit risico. De rechtbank acht dit een zeer valide reden voor het aannemen van een urenbeperking uit preventief oogpunt. Zowel de standaard “duurbelasting in arbeid” als de oude standaard “verminderde arbeidsduur” kent de mogelijkheid tot het toekennen van een urenbeperking om preventieve redenen. [de man] komt daarom op grond van beide standaarden hiervoor in aanmerking. De hierop gerichte beroepsgrond van eiseres slaagt niet.

3.2.

De grond van eiseres dat niet duidelijk is waarom dan geen urenbeperking voor 30 uur is gegeven slaagt niet. De rechtbank overweegt allereerst dat deze stelling haaks staat op het eerder door eiseres ingenomen standpunt. Daar komt nog bij dat [naam arts 3] goed heeft gemotiveerd hoe de beperking van 20 uur tot stand is gekomen. Daarbij is betrokken wat [de man] daarover zelf heeft aangegeven: een volledige dag van 8 uur werken, afgewisseld met een rustdag. Daarnaast heeft [naam arts 3] in zijn reactie van 11 januari 2017 nog gemotiveerd dat bij het bepalen van de urenbeperking ook rekening is gehouden met de situatie dat [de man] als gevolg van zijn stoornis zijn grenzen niet goed kan bewaken. Daarbij is tevens van belang dat er nog geen eindsituatie was op de datum in geding.

3.3.

Het voorgaande betekent dat het medische gedeelte van de schatting zorgvuldig tot stand is gekomen. Eiseres heeft geen arbeidskundige gronden aangevoerd, zodat dit gedeelte ook in stand blijft.

4. Het beroep van eiseres is ongegrond. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding. Evenmin is er aanleiding om verweerder op te dragen het griffierecht aan eiseres te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.J. Koene, rechter, in aanwezigheid van M. van Velzen, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.