Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:15

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
05-01-2017
Datum publicatie
09-02-2017
Zaaknummer
AMS 16/5538
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wajong per 1 januari 2015. In geschil is of ontbreken van mogelijkheden tot arbeidsparticipatie duurzaam is. In art. 1a:1 lid 1 worden 4 situaties genoemd waarop dit kan worden aangenomen. Voor sub a en b is een (deels) arbeidskundige beoordeling nodig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 16/5538 T

tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 januari 2017 in de zaak tussen

[de vrouw] , te Amsterdam, eiseres

(gemachtigde: mr. J.L. Wittensleger),

en

de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: F. Kniesmeijer).

Procesverloop

Bij besluit van 27 januari 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) afgewezen.

Bij besluit van 19 juli 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 december 2016.

Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Tevens is [betrokkene] van eiseres verschenen. Verweerder is, met bericht vooraf, niet verschenen.

Overwegingen

1. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1997. Vanaf haar dertiende levensjaar is zij bekend met angstklachten, later zijn hier depressieve klachten bijgekomen. In 2011 is eiseres begeleid door Allekleur. In 2012 en 2013 heeft zij een dagbehandeling gevolgd bij het academisch centrum voor kinder- en jeugdpsychiatrie De Bascule. Eiseres heeft een MBO-1 opleiding afgerond en in de periode van 2012 tot 2014 kortdurend gewerkt bij verschillende werkgevers als vakkenvuller en broodverkoopster. Van juni 2015 tot juni 2016 is eiseres in behandeling geweest bij Zorgbedrijf I-Psy. Op 9 november 2015 heeft zij een Wajong-uitkering aangevraagd.

2. De verzekeringsarts heeft onderzoek verricht. De onderzoeksbevindingen van de verzekeringsarts zijn neergelegd in het rapport van 27 januari 2016. Overwogen is dat sprake is van meerdere psychische aandoeningen (depressieve episode, postttraumatische stressstoornis, sociale fobie en een persoonlijkheidsstoornis). Eiseres neemt nog maar beperkt initiatief, ervaart veel problemen op sociaal vlak en leeft vanwege klachten met name in de nacht. Ook thuis functioneert eiseres beperkt aangezien zij onder andere geen initiatief neemt en vermijdend gedrag vertoont waardoor zij zich volledig terugtrekt op haar kamer. Hierdoor neemt zij niet deel aan het huishouden en heeft zij ook beperkingen op het gebied van persoonlijke verzorging. De verzekeringsarts is tot de conclusie gekomen dat bij eiseres sprake is van een situatie van ‘geen benutbare mogelijkheden’ vanwege een ernstige psychiatrische stoornis. Het ontbreken van arbeidsvermogen is volgens de verzekeringsarts echter niet duurzaam te achten, omdat eiseres zich nog ontwikkelt en nog met een behandeling wordt gestart, waardoor haar medische situatie en functionele mogelijkheden kunnen verbeteren. Zij heeft bovendien twee jaar geleden laten zien dat zij met minder klachten en goede begeleiding een MBO-opleiding kan afronden.

3. Bij het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag van eiseres afgewezen, omdat zij weliswaar nu geen arbeidsvermogen heeft, maar de verwachting bestaat dat zij dit binnen een jaar wel heeft. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

4. Tijdens de bezwaarprocedure heeft de primaire verzekeringsarts op 13 april 2016 een schriftelijke aanvulling gegeven over de weging van de duurzaamheid. Er is geen sprake van een progressief ziektebeeld. De medische situatie is stabiel. Er zijn echter nog wel behandelmogelijkheden door middel van medicatie en therapieën. Ook heeft eiseres gezien haar leeftijd mogelijkheden zich verder te ontwikkelen met behulp van onder andere systeeminterventies die nu door de behandelaar worden ingezet. Aangezien eiseres vlak voor verergering van de klachten nog een MBO-1 opleiding heeft kunnen afronden en in principe dus een goed vermogen heeft om te leren en te begrijpen, zijn er mogelijkheden tot toename van bekwaamheden. Gelet op het voorgaande is het ontbreken van arbeidsvermogen niet duurzaam. De verzekeringsarts heeft vervolgens overwogen dat formeel nog moet worden beoordeeld of het arbeidsvermogen ontbreekt op grond van de criteria van een taak in een arbeidsorganisatie of de basale werknemersvaardigheden en of dan wel duurzaamheid zou kunnen worden aangenomen. De verzekeringsarts kan echter overzien dat dit, gezien de medische feiten, niet het geval zal zijn en dat een aanvullend arbeidskundig onderzoek dan ook niet zinvol is.

5. Vervolgens heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep onderzoek verricht. De bevindingen van de verzekeringsarts bezwaar en beroep zijn neergelegd in het rapport van 15 juli 2016. De verzekeringsarts bezwaar en beroep is hierin tot de conclusie gekomen dat de aandoeningen van eiseres (sociale fobie, depressie en posttraumatische stressstoornis) behandelbaar zijn en kunnen verbeteren. Dat is als volgt toegelicht. Uit de medische gegevens is niet gebleken dat eiseres voor de langdurig bestaande sociale fobie optimale therapie heeft gehad. Bij behandeling van angst- en paniekstoornissen is een cognitieve gedragstherapie de eerste keus. Deze heeft weliswaar plaatsgevonden maar de behandeling is niet goed van de grond gekomen omdat eiseres afspraken niet nakwam. Wat betreft een depressie is niet gebleken dat er een volledige behandeling volgens het behandelprotocol, behorend bij een depressieve stoornis, toegepast werd. Uit de verkregen informatie van de behandelaars komt niet naar voren dat er tot op heden een traumabehandeling en systeeminterventies ingezet werden. Farmacotherapie is evenmin volledig toegepast omdat eiseres niet therapietrouw bleek te zijn.

Tot op heden is derhalve sprake van onvolledige behandeling terwijl er behandelmogelijkheden zijn. Er is ook toevoeging van ondersteunende interventies mogelijk, evenals verwijzing naar een specialistische instelling. Tevens kunnen andere behandelmogelijkheden worden overwogen, zoals (kortdurende) (dag)klinische psychotherapie of sociaalpsychiatrische begeleiding. Van deze therapieën is tot op heden geen gebruik gemaakt. Er zijn zodoende meerdere behandelopties die nog niet benut zijn en gericht kunnen zijn op verbetering van functionele mogelijkheden en belastbaarheid. De aandoeningen zijn niet zodanig ernstig dat enige toename van bekwaamheden is uitgesloten.

6. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

7. In beroep heeft eiseres aangevoerd dat aan haar een Wajong-uitkering had moeten worden toegekend. Zij is volledig en duurzaam arbeidsongeschikt. Haar dagelijks leven wordt voortdurend beïnvloed door de beperkingen en klachten. Dat de klachten en beperkingen duurzaam zijn, blijkt uit het gegeven dat eiseres al vanaf haar dertiende levensjaar bekend is met de klachten en deze onveranderd aanwezig zijn, ondanks behandeling. Er is sprake van mijdingsdrang en vermijdingsgedrag, voortkomend uit haar ziekte, die ertoe leidt dat geen verbetering via behandeling is te verwachten. Daarnaast heeft eiseres aangevoerd dat zij niet beschikt over basale werknemersvaardigheden en geen taak in een arbeidsorganisatie kan verrichten. Dit is door verweerder onvoldoende onderzocht, omdat een arbeidskundige rapportage ontbreekt.

8. Verweerder heeft in beroep een aanvullend rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 1 december 2016 overgelegd.

Juridisch kader

9.1.

Van toepassing is de Wajong zoals deze geldt per 1 januari 2015.

9.2.

Op grond van artikel 1a:1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wajong is

jonggehandicapte de ingezetene die op de dag waarop hij achttien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft.

Op grond van het vierde lid wordt onder duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben de situatie verstaan waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet kunnen ontwikkelen.

In het zesde lid is bepaald dat de beoordeling van de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie wordt gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en voor zover nodig een arbeidskundig onderzoek.

Op grond van het achtste lid kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur met betrekking tot het eerste, vierde en zesde lid nadere regels worden gesteld.

9.3.

Nadere regels zijn neergelegd in het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (het Schattingsbesluit).

Op grond van artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit heeft betrokkene geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie als bedoeld in artikel 1a:1, eerste lid, van de Wajong, indien hij:

a. geen taak kan uitvoeren in een arbeidsorganisatie;

b. niet over basale werknemersvaardigheden beschikt;

c. niet aaneengesloten kan werken gedurende ten minste een periode van een uur; of

d. niet ten minste vier uur per dag belastbaar is, tenzij hij ten minste twee uur per dag belastbaar is en in staat is per uur ten minste een bedrag te verdienen dat gelijk is aan het minimumloon per uur.

Op grond van artikel 2, eerste lid, van het Schattingsbesluit wordt de beoordeling van duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben als bedoeld in hoofdstuk 1a van de Wajong gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.Op grond van artikel 3, vierde lid, van het Schattingsbesluit stelt de verzekeringsarts bij een beoordeling van het duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben als bedoeld in hoofdstuk 1a van de Wajong, vast of de gevolgen van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling waardoor de betrokkene ongeschikt is tot werken duurzaam zijn.

Op grond van artikel 5, eerste lid, aanhef en onder c, van het Schattingsbesluit strekt het arbeidsdeskundig onderzoek tot vaststelling van duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben als bedoeld in artikel 1a:1 van de Wajong.

9.4.

Bij de beoordeling van mogelijkheden tot arbeidsparticipatie van een betrokkene maakt verweerder gebruik van de Sociaal Medische Beoordeling Arbeidsvermogen (SBMA-systematiek). Bij deze beoordeling staat de ‘International Classification of Functioning, Disability and Health’ centraal. Voor het toepassen van de SBMA-systematiek heeft verweerder het ‘Compendium Participatiewet’ (het Compendium) vastgesteld. Blijkens de toelichting betreft dit Compendium deels een werkinstructie/ naslagwerk en deels een beschrijving van verweerders beleid.

Overwegingen van de rechtbank

10. Niet in geschil is dat eiseres op de datum in geding (de achttiende verjaardag van eiseres) geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie had. In geschil is of het ontbreken van de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie duurzaam van aard is.

11. Verweerder heeft niet expliciet aangegeven welke van de vier situaties als omschreven in artikel 1a, eerste lid, aanhef en onder a tot en met d, van het Schattingsbesluit zich in dit geval voordoet. Uit de rapportages van de verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep – waarin staat dat sprake is van het ontbreken van benutbare mogelijkheden op uitsluitend medische gronden – begrijpt de rechtbank dat verweerder van mening is dat in dit geval de situaties als bedoeld in artikel 1a, eerste lid, onder c (niet aaneengesloten kunnen werken gedurende ten minste een uur) en d (niet ten minste vier uur per dag belastbaar zijn), van het Schattingsbesluit van toepassing zijn en dat er daarom geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zijn. De vraag of zich ook de situaties als bedoeld in artikel 1a, eerste lid, onder a (geen taak kunnen uitvoeren in een arbeidsorganisatie) en b (niet over basale werknemersvaardigheden beschikken) voordoen, is door verweerder in het midden gelaten.

12. Naar het oordeel van de rechtbank moet de vraag of het ontbreken van mogelijkheden tot arbeidsparticipatie duurzaam van aard is mede worden bezien in het licht van de situatie op grond waarvan is aangenomen dat er geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zijn. In het geval van eiseres zijn dit dus de situaties als bedoeld in artikel 1a, eerste lid, onder c en d, van het Schattingsbesluit.

13. De rechtbank is van oordeel dat de verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende en inzichtelijk hebben gemotiveerd dat het op grond van voornoemde twee situaties ontbreken van mogelijkheden tot arbeidsparticipatie niet duurzaam is. De verzekeringsartsen hebben afdoende toegelicht dat er meerdere behandelopties zijn die nog niet zijn benut en die tot verbetering van de functionele mogelijkheden en belastbaarheid kunnen leiden. In hetgeen eiseres heeft aangevoerd, ziet de rechtbank onvoldoende reden om te twijfelen aan de medische beoordeling door de verzekeringsartsen. De verklaring van de behandelaars bij I-Psy van 2 juni 2016, waarnaar eiseres heeft verwezen, bevat onvoldoende onderbouwing voor de stelling van eiseres dat geen verbetering is te verwachten. Weliswaar heeft I-Psy de behandeling afgesloten omdat deze door onvoldoende medewerking van eiseres niet van de grond is gekomen, maar de behandelaars adviseren wel nadere behandeling door middel van outreachende hulp en verwijzing naar het factteam jeugd van Arkin. Ook hieruit volgt dus dat er nog behandelmogelijkheden zijn en waren. De hiertegen gerichte beroepsgrond slaagt dus niet.

14. Dat het ontbreken van mogelijkheden tot arbeidsparticipatie op grond van de situaties van artikel 1a, eerste lid, onder c en d, van het Schattingsbesluit niet duurzaam is, neemt niet weg dat zich daarnaast ook de situatie van artikel 1a, eerste lid, onder a en/of b, van het Schattingsbesluit kan voordoen en dat op die grond zou kunnen worden aangenomen dat mogelijkheden tot arbeidsparticipatie (duurzaam) ontbreken. Er hoeft immers maar aan één van de vier criteria uit artikel 1a:1, eerste lid, van het Schattingsbesluit te worden voldaan voor de afwezigheid van mogelijkheden tot arbeidsparticipatie.

15. Verweerder heeft in dit geval in het midden gelaten of eiseres een taak in een arbeidsorganisatie kan uitvoeren en of zij over basale werknemersvaardigheden beschikt. In het aanvullende rapport van de verzekeringsarts van 13 april 2016 is in dit verband overwogen dat een aanvullend arbeidskundig onderzoek niet zinvol is, omdat de inschatting van de verzekeringsarts is dat, gezien de medische feiten, niet tot duurzaamheid zal worden geconcludeerd.

16. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder ten aanzien van de situaties in artikel 1a, eerste lid, onder a en b, van het Schattingsbesluit niet zonder arbeidskundig onderzoek kunnen concluderen dat geen sprake zal zijn van duurzaamheid. De criteria van het niet kunnen uitvoeren van een taak in een arbeidsorganisatie en het niet over basale werknemersvaardigheden beschikken, hebben een deels arbeidskundig karakter. Datzelfde geldt voor de duurzaamheid van het ontbreken van mogelijkheden tot arbeidsparticipatie op voornoemde gronden. Het is daarom mede aan de arbeidsdeskundige (in samenspraak met de verzekeringsarts) om hiernaar onderzoek te doen. Verweerder heeft dergelijk onderzoek ten onrechte achterwege gelaten.

Dat bij de beoordeling van de duurzaamheid van de afwezigheid van mogelijkheden tot arbeidsparticipatie sprake is van verwevenheid tussen de medische en arbeidskundige beoordeling blijkt overigens ook uit de door verweerder zelf gehanteerde gedragslijn, zoals neergelegd in het Compendium. Zo is in de toelichting op pagina 69 van het Compendium is opgenomen: ‘Een uitspraak over de (on)mogelijkheid in de toekomst arbeidsvermogen te ontwikkelen is in beginsel een zaak voor verzekeringsarts en arbeidsdeskundige samen. Of er sprake is van arbeidsvermogen wordt immers niet uitsluitend door belastbaarheidsaspecten bepaald.’

Bij de toelichting op het stappenplan om te beoordelen of het ontbreken van arbeidsvermogen duurzaam is, is op pagina 72 daarnaast opgenomen: ‘Als sprake is van een situatie van geen benutbare mogelijkheden is het in eerste instantie aan de verzekeringsarts om aan te geven of cliënt op enig moment wel over benutbare mogelijkheden zal kunnen beschikken. Is dat het geval, dan beoordelen verzekeringsarts en arbeidsdeskundige samen of het al dan niet uitgesloten is dat cliënt aan elk van de vier criteria zal kunnen voldoen om van arbeidsvermogen te kunnen spreken. Verzekeringsarts en arbeidsdeskundige betrekken bij die beoordeling per criterium de relevante beoordelingspunten.’

17. Nu aan het bestreden besluit niet ook arbeidskundig onderzoek ten grondslag ligt, is het bestreden besluit onzorgvuldig voorbereid en in strijd met de geldende schattingssystematiek. De hiertegen gerichte beroepsgrond slaagt.

18. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit. Om het gebrek te herstellen moet verweerder door een verzekeringsarts (bezwaar en beroep) en een arbeidsdeskundige (bezwaar en beroep) tezamen laten onderzoeken of eiseres, indien zij op enig moment over benutbare mogelijkheden zal kunnen beschikken, een taak in een arbeidsorganisatie kan uitvoeren en over basale werknemersvaardigheden beschikt. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen verweerder het gebrek kan herstellen op zes weken na verzending van deze tussenuitspraak.

19. Verweerder moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of zij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als verweerder gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiseres in de gelegenheid stellen binnen zes weken te reageren op de herstelpoging van verweerder. In beginsel, ook in de situatie dat verweerder de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.

20. Het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft in beginsel beperkt tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in deze tussenuitspraak, omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 juni 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:CA2877).

21. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:

- draagt verweerder op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;

- stelt verweerder in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.T. Kruis, rechter, in aanwezigheid van mr. S. van den Broek, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 januari 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.