Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:1496

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
09-03-2017
Datum publicatie
09-03-2017
Zaaknummer
13/728084-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vijf mannen tussen 27 en 66 jaar zijn door de rechtbank veroordeeld voor deelname aan een criminele organisatie en wapenhandel. De mannen kregen gevangenisstraffen opgelegd tot 5 jaar en 7 maanden. Extraterritoriale werking Wet Wapens en munitie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/728084-15 (13KIPSATE; Promis)

Datum uitspraak: 9 maart 2017

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres [adres 1] , [plaats 1] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 16, 19 en 23 januari en 23 februari 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M. van Kampen en van wat verdachte en zijn raadslieden mr. J-H.L.C.M. Kuijpers en mr. T. van Assendelft de Coningh naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging ter terechtzitting op 16 januari 2017, ten laste gelegd dat

1.

hij in of omstreeks de periode van 19 januari 2015 tot en met 24 augustus 2015 te Amsterdam en/of te Den Hout en/of te [plaats 3] en/of te Kudelstaart en/of te Turnhout en/of te Baarle Hertog, althans (elders) in Nederland en/of in België, heeft deelgenomen aan een organisatie, zijnde een samenwerkingsverband bestaande uit verdachte en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of een of meer anderen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van (een) misdrijf/misdrijven, namelijk het (telkens) plegen van (onder meer)

  • -

    wapenhandel, als bedoeld in de artikelen 9 en/of 31, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, waarbij de wapenhandel onder andere bestond uit het overdragen en/of zonder erkenning verhandelen en/of voorhanden hebben van diverse wapens en munitie van categorie II en/of categorie III en/of bestond uit het in strijd met de wet vervaardigen, transformeren, uitwisselen, verhuren of anderszins ter beschikking stellen, herstellen, beproeven en verhandelen van wapens en of munitie van categorie II en/of categorie III en/of

  • -

    wapenbezit, als bedoeld in (de) artikel(en) 13, eerste lid en/of artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, namelijk het voorhanden hebben van (een) wapen(s) en munitie van categorie II en/of categorie III;

2.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 19 januari 2015 tot en met 24 augustus 2015 te Amsterdam en/of te Den Hout en/of te [plaats 3] en/of te Kudelstaart en/of te Turnhout en/of te Baarle Hertog, in elk geval (telkens) op een of meer plaats(en) in Nederland en/of in België, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, heeft gehandeld in strijd met (de) artikel(en) 9 en/of 31, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, immers heeft/hebben verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s) (telkens) één of meer wapen(s) en/of munitie van categorie II en/of categorie III, overgedragen en/of zonder erkenning verhandeld en/of voorhanden gehad

en/of

van het in strijd met de wet vervaardigen, transformeren, uitwisselen, verhuren of anderszins ter beschikking stellen, herstellen, beproeven of verhandelen van wapens en/of munitie van categorie II en/of categorie III, een beroep of een gewoonte gemaakt.

3 Voorvragen

3.1

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

Nu het bezit van de in België gevonden wapens ook strafbaar is naar Belgisch recht is de Nederlandse strafwet van toepassing op verdachte. Om die reden leidt de omstandigheid dat deze wapens zich op Belgisch grondgebied bevonden niet tot de conclusie dat de officier van justitie niet-ontvankelijkheid is voor zover het die wapens betreft.

3.2.

Overige voorvragen

De dagvaarding is geldig. Deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van beide ten laste gelegde feiten.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit, nu verdachte pas na de aanhouding van medeverdachte [medeverdachte 4] ervan op de hoogte raakte dat medeverdachten zich met wapens bezighielden en geen wetenschap had van, laat staan een bijdrage heeft geleverd aan de hem verweten feiten. Hij heeft hooguit onbewust een zeer ondergeschikte rol gespeeld, maar dat is onvoldoende voor medeplegen van wapenhandel of deelneming aan een criminele organisatie.

Voor zover de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, heeft de raadsman bepleit dat die slechts de periode tot de aanhouding van medeverdachte [medeverdachte 4] op 16 maart 2015 kan beslaan, nu het dossier geen aanwijzingen bevat dat na die aanhouding enige ten laste gelegde gedragingen zijn begaan.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1.

Feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzittingen uit van de volgende feiten en omstandigheden.

- Start van het onderzoek

Op 29 december 2012 werden in de Staatsliedenbuurt in Amsterdam twee personen geliquideerd. In het onderzoek dat daarop volgde, genaamd 13EBETSU, werd bij een doorzoeking van de woning van één van de verdachten een koffer aangetroffen, met daarin aanvalswapens en patroonhouders. Op die goederen werd een DNA spoor aangetroffen dat matcht met een spoor dat was aangetroffen in een ontmantelde hennepkwekerij. In die hennepkwekerij is ook het DNA van medeverdachte [medeverdachte 2] (hierna: ‘ [medeverdachte 2] ’) aangetroffen. Bij later onderzoek bleek dat het DNA van medeverdachte [medeverdachte 4] (hierna: ‘ [medeverdachte 4] ’) in de hennepkwekerij en in de zaak 13EBETSU is aangetroffen. Naar [medeverdachte 4] werd een onderzoek gestart, onder de naam 13EBETSU-II.

Uit dit onderzoek is gebleken dat [medeverdachte 4] veelvuldig contact onderhield met onder meer [medeverdachte 2] en dat zij regelmatig ontmoetingen hadden in café [naam café 1] aan de [straat] te Amsterdam. [medeverdachte 2] is reeds eerder in verband gebracht met wapeninvoer en wapenhandel; zo werd in TCI informatie over [medeverdachte 2] gemeld dat hij recent een partij van 500 vuurwapens had verkocht. Op grond hiervan is het vermoeden gerezen dat onder meer [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] zich schuldig maakten aan overtreding van de Wet wapens en munitie en is op 19 januari 2015 een onderzoek gestart met de naam 13KIPSATE. In dit onderzoek zijn vele opsporingsbevoegdheden ingezet en zijn onder meer de volgende bevindingen gedaan.

- Onderzoeksbevindingen inzake 13KIPSATE

Op 26 januari 2015 is er telefonisch contact tussen [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] , waarin wordt besproken dat zij elkaar zullen ontmoeten. Daarna belt [medeverdachte 4] met verdachte (hierna: ‘ [medeverdachte 3] ’) om een afspraak te maken voor een ontmoeting en vraagt hij later, in een ander gesprek, of de spullen al klaar liggen, omdat die andere een week weg is en hij er alleen voor staat. Uit tapgesprekken blijkt dat [medeverdachte 2] op vakantie zou gaan. Op 27 januari 2015 wordt een ontmoeting geobserveerd tussen [medeverdachte 4] , medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna: ‘ [medeverdachte 1] ’) en [medeverdachte 3] in het Brabantse Rijen. Op de terugweg naar Amsterdam stoppen [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] gestopt langs de rijksweg A27 om een vuilniszak weg te gooien. Deze vuilniszak wordt door het observatieteam in beslag genomen en onderzocht. Op de vuilniszak blijken DNA van [medeverdachte 3] en schotresten te zitten.

Op 3 februari 2015 wordt een ontmoeting gezien in Baarle-Nassau tussen [medeverdachte 4] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] . De peillocaties van de telefoons van [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] geven op dat moment ook die omgeving aan. Later belt [medeverdachte 4] naar [medeverdachte 1] met de vraag of hij de volgende dag om 12.00 uur opgehaald kan worden, maar [medeverdachte 1] kan niet. De volgende dag, op 4 februari 2015, belt [medeverdachte 4] opnieuw naar [medeverdachte 1] om vervoer te regelen. [verdachte] biedt [medeverdachte 4] telefonisch aan hem te rijden in de auto van [medeverdachte 1] , maar dat aanbod wordt door [medeverdachte 4] afgeslagen. Daarop belt [medeverdachte 4] naar [medeverdachte 2] , die vervolgens naar de woning van [medeverdachte 4] gaat. [medeverdachte 4] belt [medeverdachte 3] in een poging een andere afspraak te maken, maar dat lukt [medeverdachte 3] niet. Later op de dag blijken de telefoons van [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] uit te peilen bij Oosterhout in Brabant.

Op 8 februari 2015 komt een aantal gesprekken over de tap, die gaan over een komende ontmoeting tussen [medeverdachte 4] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] . Uit de tap blijkt daarna dat de telefoon van [medeverdachte 2] uitpeilt in Baarle-Nassau. In een later telefoongesprek waarin [medeverdachte 4] zegt dat hij in de auto zit, blijkt dat zijn telefoon uitpeilt bij Breukelen. Op datzelfde moment peilt ook de telefoon van [medeverdachte 2] uit in Breukelen.

Op 9 februari 2015 heeft [medeverdachte 4] een ontmoeting met [medeverdachte 3] . De auto van [medeverdachte 1] en de telefoon van medeverdachte [verdachte] (hierna: ‘ [verdachte] ’) leggen die dag de weg af naar de McDonalds langs de rijksweg A27. De telefoon van [medeverdachte 1] peilt de gehele dag in Amsterdam uit. Op 10 februari 2015 worden [medeverdachte 4] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] gezien bij café [naam café 1] , waarna ze naar de woning van [medeverdachte 4] gaan. Daar pakt [medeverdachte 1] een opgerolde blauwe plastic tas en vervolgens rijdt hij met [medeverdachte 2] naar de Waalstraat. [medeverdachte 1] overhandigt daar de tas aan een onbekende man, terwijl [medeverdachte 2] vanaf de overkant van de weg zicht houdt op het geheel.

Op 12 februari 2015 wordt gezien dat de auto van [medeverdachte 2] in Turnhout (België) staat bij de woning van [medeverdachte 3] . Later, wanneer die is weggereden, blijkt dat [medeverdachte 4] bij [medeverdachte 2] in de auto zit. Een paar dagen later, op 17 februari 2015, hebben [medeverdachte 4] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] een ontmoeting met elkaar bij de McDonalds langs de rijksweg A27. Op 19 februari 2015 ontmoeten zij elkaar weer, dit keer bij de woning van [medeverdachte 3] in [plaats 3] , waar ook [medeverdachte 1] bij aanwezig is. Op deze laatste dag rijden [medeverdachte 4] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] van [medeverdachte 3] naar de woning van [medeverdachte 4] in Amsterdam en verplaatsen zich vervolgens naar café [naam café 1] .

Op 20 februari 2015 blijkt uit een OVC-gesprek dat [medeverdachte 1] een gesprek voert met zijn dochter, waarbij hij ‘pampampampam’ zegt en zegt dat hij er één wil kopen, met demper. [medeverdachte 1] geeft desgevraagd aan dat hij er ook een voor zijn dochter zal kopen, maar niet zo’n neppe als ze in huis hebben. Bij de doorzoeking van de woning van [medeverdachte 1] op 24 augustus 2015 wordt een neppistool aangetroffen.

Op 21 februari 2015 hebben [medeverdachte 4] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] een ontmoeting in Breda. Daar belt [medeverdachte 4] kort met [medeverdachte 2] over auto’s en vraagt hij of hij die moet meenemen. Dat moet van [medeverdachte 2] . Teruggekomen in Amsterdam belt [medeverdachte 4] naar [medeverdachte 3] met een bestelling van vijf ijzeren buizen en tien stalen balken, waarop een gesprek volgt over koelkasten. Later op de dag belt [medeverdachte 4] terug naar [medeverdachte 3] : het moet tien-tien worden.

Op 22 februari 2015 wordt [medeverdachte 3] door [medeverdachte 4] gebeld en spreken ze af in Amsterdam rond 3 of 4 uur. [medeverdachte 3] bevestigt tegenover een onbekende man dat hij naar Amsterdam gaat. [medeverdachte 4] spreekt namens ‘wij’ af en zegt dat hij de baas ook bij zich heeft. Uiteindelijk ontmoeten [medeverdachte 4] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] elkaar in cafe [naam café 2] te Amsterdam.

Op 27 februari 2015 is [medeverdachte 4] bij [medeverdachte 3] . [medeverdachte 2] heeft [medeverdachte 4] opgehaald en naar Amsterdam gebracht. Op 28 februari 2015 gaat [medeverdachte 4] terug naar Brabant. Hij belt [medeverdachte 3] en zegt dat hij er een stuk eerder is. Nadat [medeverdachte 4] bij [medeverdachte 3] is aangekomen, belt hij met [medeverdachte 2] . [medeverdachte 2] komt er zo aan, hij is in de buurt.

Op 2 maart 2015 wil [medeverdachte 4] een afspraak maken met [medeverdachte 3] in [plaats 3] . Omstreeks 15.00 uur peilt de telefoon van [medeverdachte 2] uit in de omgeving [medeverdachte 4] en om 15.30 uur ook die van [medeverdachte 4] . Later op de dag, omstreeks 18.45 uur worden [medeverdachte 2] en een persoon genaamd [persoon 1] gezien bij de woning van [medeverdachte 4] . Daar wordt gezien dat beiden lange zwarte tassen van 50x70 centimeter dragen van de box van [medeverdachte 4] naar de auto van [persoon 1] . Uiteindelijk rijdt [persoon 1] weg. [medeverdachte 2] belt vervolgens naar [medeverdachte 4] en daarop komt [medeverdachte 4] uit zijn woning en stapt met [medeverdachte 2] in de auto van [medeverdachte 2] . Ze rijden naar café [naam café 1] .

Op 7 maart 2015 vindt er weer een ontmoeting plaats tussen [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] . [medeverdachte 4] rijdt met [persoon 2] naar (het dorp) [plaats 3] in Brabant, om uiteindelijk door te rijden naar Turnhout. Daar wordt [medeverdachte 4] gebeld door [persoon 6] , mede-eigenaar van café [naam café 1] , met de mededeling dat er bezoek is voor [medeverdachte 2] . [medeverdachte 4] geeft aan dat hij nu beter niet kan bellen. Als [medeverdachte 4] en [persoon 2] in een café zitten, wordt [medeverdachte 3] gebeld door een onbekende man. Deze geeft aan dat [persoon 3] uit Amsterdam er is. [medeverdachte 3] geeft aan dat hij eraan komt. Dan wordt gezien dat [medeverdachte 3] ook aankomt bij het cafe. Nadat [medeverdachte 4] weer terug is in Amsterdam, belt hij [medeverdachte 2] . Hij krijgt de voicemail en spreekt in dat hij er over vijf minuten is.

Op 11 maart 2015 bespreken [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] telefonisch dat [medeverdachte 4] de volgende dag naar Turnhout gaat. Op 12 maart 2015 zitten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] om 09.53 uur in de auto en bespreken ze dat ze benieuwd zijn wat hij te knallen heeft. Hij heeft ook nog een Kalasjnikov ‘van ons’, aldus [medeverdachte 4] . [medeverdachte 1] moet nog wat trommelmagazijnen hebben, rechte. [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] zijn rond lunchtijd bij [medeverdachte 3] in [plaats 3] en sjouwen daar wat spullen, waaronder een kartonnen doos, tussen de woning van [medeverdachte 3] en de auto van [medeverdachte 1] . Ondertussen sms’t [verdachte] aan [medeverdachte 2] ‘R is bezoek’ en enige tijd later peilt de telefoon uit in de buurt van cafe [naam café 1] . Kort daarop belt [verdachte] naar [medeverdachte 4] met de vraag hoe laat hij er is. Dat is volgens [medeverdachte 4] rond 15.30 uur. [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] komen rond 15.00 uur terug bij de woning van [medeverdachte 4] . Tijdens de rit naar Amsterdam vraagt [medeverdachte 1] aan [medeverdachte 4] wat er met de doos moet gebeuren. [medeverdachte 4] antwoordt dat de doos naar de box moet. In Amsterdam aangekomen tilt [medeverdachte 1] de doos dan uit zijn auto en draagt die naar de box bij de woning van [medeverdachte 4] . Daarna gaan [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] naar cafe [naam café 1] , waar ze een ontmoeting hebben met [medeverdachte 2] .

In de nacht van 12 op 13 maart 2015 vindt een inkijk plaats in de box bij de woning van [medeverdachte 4] . Daar treffen verbalisanten een doos aan. In de doos zitten magazijnen voor een Kalasjnikov: tien trommelmagazijnen en tien gebogen magazijnen.

Op 15 maart 2015 vindt in de ochtend een gesprek plaats tussen [medeverdachte 1] en een man genaamd [persoon 4] . [medeverdachte 1] vertelt dat hij met [medeverdachte 4] naar België gaat en pas aan het einde van de dag terug is. [persoon 4] vraagt [medeverdachte 1] te informeren wat een nieuwe en wat een tweedehands 9 millimeter kost.Later op de dag, omstreeks lunchtijd, bespreken [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] in de auto van [medeverdachte 1] dat een tweedehands vijftien kost en een nieuwe twee en een half. Een CZ is goedkoper, maar een Smit(h) en Wesson zijn duur, aldus [medeverdachte 4] . Ook spreekt hij over een magazijn dat verkeerd is. Dat moet er zo bij zitten, want het is een Heckler en Koch. [medeverdachte 1] hoopt dat hij dat ding van [medeverdachte 4] heeft, waarop [medeverdachte 4] bevestigt dat hij hoopt dat hij er ook munitie bij heeft en een dekentje, want het zijn lange dingen.

In de middag rond 15.00 uur zitten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] weer in de auto en zegt [medeverdachte 4] dat hij het bij hem in de badkuip gaat gooien. [medeverdachte 1] stemt in. Dit moet niet in de box, het moet meteen de badkuip in.

Rond 16.30 uur wordt gezien dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] aankomen bij de woning van [medeverdachte 4] . [medeverdachte 1] pakt een langwerpig voorwerp, gewikkeld in een blauwe deken, en draagt dat de woning in. De peillocatiegegevens van die dag corresponderen met een route van Amsterdam naar Turnhout en weer terug naar Amsterdam.

Op 16 maart 2015 wordt [medeverdachte 4] in de vroege ochtend aangehouden. Zijn woning wordt doorzocht en daar wordt in de badkuip een automatisch vuurwapen aangetroffen, dat is gewikkeld in een blauwe deken. Naast dit vuurwapen worden meerdere geweren aantroffen.

Na de aanhouding van [medeverdachte 4] is er op 16 maart 2015 veel - telefonisch - contact tussen de andere verdachten. Zo bellen [medeverdachte 1] en [verdachte] elkaar en wordt besproken dat [verdachte] vermoedt dat niet alleen [medeverdachte 4] is aangehouden, maar ook [medeverdachte 2] , omdat [medeverdachte 2] zijn telefoon niet opneemt. [verdachte] begrijpt wat er lag en dat dat volgens [medeverdachte 1] niet om een waterpistooltje gaat. Kort daarop krijgt [verdachte] [medeverdachte 2] te pakken en weet hij hem te vertellen dat de monteur in aanraking is gekomen met de politie. Iets later, rond 12.30 uur, vindt in de auto een gesprek plaats tussen [medeverdachte 1] en zijn dochter. [medeverdachte 1] zegt dat [bijnaam 1] is gepakt door het arrestatieteam. [persoon 5] is oke en hijzelf is oke, maar er moet wel gepraat worden en daar moet [verdachte] ook bij zijn. Gelukkig was [bijnaam 2] er niet bij op dat moment, aldus [medeverdachte 1] . Ook bespreekt [medeverdachte 1] dat er nog een hagelpistool en een Eagle verstopt liggen. [medeverdachte 1] spreekt over de ‘Karsonikov’ die in de badkuip lag en zijn onbegrip dat hij zelf de vorige dag niet is gepakt, omdat hij toen stond te laden. Het is raar, want [medeverdachte 1] draagt die spullen altijd, aldus [medeverdachte 1] . Daarna vindt weer een gesprek plaats tussen [medeverdachte 1] en [verdachte] , waarin [verdachte] bespreekt dat hij en [bijnaam 2] drie dagen naar Brussel gaan. Ze bespreken dat ze misschien zijn gevolgd of dat er een systeem in die dingen zat. [medeverdachte 1] oppert de mogelijkheid dat ze zijn verraden, maar [verdachte] denkt dat ze al een jaar met hen bezig zijn. Ook in een later OVC-gesprek spreekt [medeverdachte 1] tegen zijn dochter over een ‘schuttergeweertje’ en hetgeen in de badkuip lag.

Laat op de avond zitten [medeverdachte 1] en [verdachte] bij [medeverdachte 1] in de auto. [medeverdachte 1] spreekt over de kennelijk onschendbare houding waarmee [medeverdachte 4] handelde. Er kon van alles bij hem in huis liggen, ook nog een jachtgeweer erbij. Volgens [verdachte] was bekend dat alles bij [medeverdachte 4] lag, omdat anders hij, [bijnaam 2] en [medeverdachte 1] ook waren aangehouden. Ook bestaat het vermoeden dat ze zijn verraden, mogelijk door [bijnaam 3] , omdat volgens [verdachte] alleen hijzelf, [medeverdachte 1] en [bijnaam 2] hier vanaf wisten.

[medeverdachte 1] bespreekt op 19 maart 2015 met een vriendin dat iedereen van [bijnaam 2] de tering kan krijgen. Hij baalt, want het gaat hem weer geld kosten. Geen gulden komt er binnen, maar dat is ook het risico van het vak. [medeverdachte 1] zegt dat [medeverdachte 4] vast zit voor die hengels en dat hij en [verdachte] verwachten dat [medeverdachte 4] twee jaar zal krijgen.

Op 26 maart 2015 zit [medeverdachte 1] om 10.15 uur in zijn auto met een persoon genaamd [persoon 7] . [persoon 7] zegt tegen [medeverdachte 1] dat als straks de handel met [persoon 5] en al die pisvangers er omheen weer begint, ze er meer aan over moeten houden. Als [medeverdachte 1] naar België rijdt en een paar dingen achterin gooit, dan moet hij daar 300-500 aan overhouden.

Op 30 maart 2015 bespreken [medeverdachte 1] en [verdachte] geldzorgen. [verdachte] kan met geen mogelijkheid aan een rooitje komen, tenzij [bijnaam 2] weer met klussen komt.

Op 13 april 2015 hebben [medeverdachte 1] en [persoon 7] weer een gesprek, waarin [medeverdachte 1] zegt dat hij weg is als [bijnaam 2] hem nodig heeft. Volgens [bijnaam 2] zou er namelijk nog genoeg vraag zijn naar vishengels.

Uiteindelijk is verdachte op 24 augustus 2015 aangehouden.

4.3.2.

Een criminele organisatie

Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een criminele organisatie hanteert de rechtbank het volgende beoordelingskader.

Voor een veroordeling ter zake van deelname aan een criminele organisatie dient te worden vastgesteld:

1. dat sprake is geweest van een organisatie,

2. dat die organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, en

3. voor iedere verdachte dat hij aan die organisatie heeft deelgenomen.

Er dient in de eerste plaats een samenwerkingsverband te zijn om te kunnen spreken van een organisatie. Dit samenwerkingsverband hoeft niet steeds in volle omvang te hebben bestaan. Voldoende is dat er een kern is van personen die de eigenlijke organisatie uitmaken en dat zich daarbinnen en/of daar omheen personen bevinden die met elkaar samenwerken. Daarnaast moet sprake zijn van een zekere structuur. Deze hoeft niet hiërarchisch te zijn, niet vast te liggen en ook is niet vereist dat er een afgebakende taakverdeling is. Zelfs is niet vereist dat alle betrokkenen bij de organisatie elkaar kennen of met elkaar hebben samengewerkt. Organisaties zijn netwerken met een soms minder zichtbare, mogelijk zelfs wisselende structuur. Soms zijn het gelegenheidsnetwerken, gebaseerd op of voortkomend uit vriendschappen of zakelijke relevantie. Dat er veel betrokkenen zijn en dat sprake is van een ‘ongeregelde bende’ maakt niet dat geen sprake kan zijn van een criminele organisatie. Voldoende is immers dat er een harde kern is die over een bepaalde periode met elkaar heeft samengewerkt. Ten slotte mag een samenwerkingsverband niet min of meer toevallig zijn en dient dit verband een zekere duur te hebben.

Een criminele organisatie in de zin van artikel 140 van het Wetboek van strafrecht moet ten minste een duidelijke kern hebben die het gemeenschappelijk oogmerk deelt. Het oogmerk van het gestructureerd samenwerkingsverband moet - mede - gericht zijn op het gedurende enige tijd plegen van misdrijven. Het gaat bij het oogmerk om het naaste doel: de groep kan zich - daarnaast - ook met legale en onschuldige dingen bezig houden. Er hoeft zelfs nog geen misdrijf te zijn begaan, dan wel een strafbare poging of voorbereiding daartoe.

Voor deelneming aan een criminele organisatie is niet nodig dat een verdachte zelf aan de beoogde strafbare feiten heeft meegedaan. Het gaat niet om betrokkenheid bij een bepaald delict, maar om betrokkenheid bij de organisatie. Daarnaast moet hij minimaal die gedragingen ondersteunen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met het verwezenlijken van het oogmerk van de organisatie. Als een handeling dus in enige relatie staat tot de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie, kan zij al een deelneming opleveren. Zelfs gedragingen die als medeplichtigheid aan een misdrijf kunnen worden beschouwd, waarop het oogmerk van de criminele organisatie was gericht, kunnen als deelnemingshandeling worden gekwalificeerd. Wel is vereist dat de dader opzet moet hebben gehad op het criminele oogmerk van de organisatie en zijn eigen handelen. Daarbij heeft de Hoge Raad uitdrukkelijk beslist dat voldoende is dat verdachte in zijn algemeenheid wist van het criminele oogmerk en dat voor bewezenverklaring niet is vereist dat verdachte ook opzet had op concreet door de organisatie beoogde misdrijven. Precieze wetenschap over de daadwerkelijk gepleegde strafbare feiten is aldus geen vereiste voor een veroordeling ter zake van deelneming.

- Organisatie

Bij de beantwoording van de eerste vraag constateert de rechtbank, zoals hiervoor overwogen, dat verdachte en medeverdachten onderling en in verschillende samenstellingen en situaties contactmomenten met elkaar hebben gehad. Dit contact vond ten minste gedurende een periode van drie maanden frequent plaats. Verdachte en zijn medeverdachten hadden regelmatig telefonisch contact met elkaar en hebben verschillende ontmoetingen met elkaar gehad, waarbij verdachte met name een rol speelde in het doorgeven van informatie en in de vorm van zijn café [naam café 1] een ontmoetingsplaats bood.

Een kenmerk van een gestructureerde organisatie kan, hoewel dat niet is vereist, gevonden worden in een specifieke rolverdeling. Uit de hiervoor geschetste feiten en omstandigheden leidt de rechtbank de navolgende rolverdeling af. [medeverdachte 3] was de leverancier uit Brabant, die zijn Amsterdamse afnemers voorzag van wapens en wapenonderdelen. [medeverdachte 2] coördineerde het geheel en gaf opdracht dan wel toestemming voor de aankoop en verkoop van de handelswaar. [medeverdachte 4] was de verbindende schakel tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] , die als tussenpersoon fungeerde tussen de leverancier [medeverdachte 3] en de aansturende handelaar [medeverdachte 2] . [medeverdachte 1] was de vaste chauffeur en regelde het transport van de wapens van [medeverdachte 3] naar Amsterdam. Tot slot ondersteunde [verdachte] [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] door onder meer berichten door te geven en een ontmoetingsruimte te faciliteren. In deze structuur hebben verdachte en medeverdachten geruime tijd intensief met elkaar samengewerkt.

De rol van [verdachte] was weliswaar ondersteund, maar zeker niet verwaarloosbaar. Zo heeft [verdachte] tussen 25 maart 2015 en 18 mei 2015 maar liefst 159 keer telefonisch contact gehad met [medeverdachte 2] met zijn eigen telefoon. [verdachte] heeft verklaard dat hij ook de telefoon van zijn ex-vriendin [persoon 8] gebruikte. Met haar telefoon is tussen 1 april 2014 en 27 maart 2015 wel 328 keer contact geweest met de telefoon van [medeverdachte 2] . In het jaar voorafgaand aan de ten laste gelegde periode heeft [verdachte] ook veel telefonisch contact gehad met [medeverdachte 4] , namelijk 108 keer. In aanmerking genomen dat verdachte en de medeverdachten elkaar, zoals onder 4.3.1 overwogen, met grote regelmaat ontmoetten bij café [naam café 1] , het café van [verdachte] , is deze frequentie van telefonisch contact intensief te noemen. Dit contact past naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet in het plaatje dat slechts sprake was van vriendschappelijk maar oppervlakkig kroegcontact, zoals verdachte dit heeft geschetst, maar wel in de opvatting dat verdachte intensief met zijn medeverdachten heeft samengewerkt.

De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat er een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband bestond in de tenlastegelegde periode en dat is bewezen dat sprake is van een organisatie zoals bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht.

- Oogmerk

Voorts ziet de rechtbank zich gesteld voor de vraag of dat samenwerkingsverband het oogmerk heeft gehad om het doel, zijnde het begaan van een of meer misdrijven, te bewerkstelligen.

Uit het gehele dossier blijkt duidelijk dat verdachten zich bezig hielden met het voorhanden hebben en het verhandelen van wapens en munitie. Er is versluierd en niet versluierd veelvuldig over wapens en munitie gesproken, er zijn meerdere keren wapens en munitie overgedragen en twee van de vijf verdachten hadden wapens en munitie in huis. Het oogmerk van de organisatie was duidelijk gericht op het voorhanden hebben van wapens en het verhandelen van wapens, zoals strafbaar gesteld in de Wet wapens en munitie.

- Deelname

Tot slot dient te rechtbank te beoordelen of verdachte wetenschap had van het oogmerk van de organisatie en, zo ja, of zijn bijdrage van dermate gewicht is, dat kan worden gesproken van een deelname.

Zoals eerder overwogen hebben medeverdachten veelvuldig uitdrukkelijk gesproken over wapens en onderdelen, zoals kalibers, merken en prijzen. Verdachte had dagelijks, zoals overwogen, meermalen op verschillende manieren contact met hen.

De rechtbank gaat niet mee in de lezing van de verdediging en stelt vast dat verdachte wel degelijk wist dat het contact wapen gerelateerd was. Ondersteuning voor dit standpunt wordt bijvoorbeeld gehaald uit het gesprek dat [medeverdachte 1] op 16 maart 2015 had met zijn dochter, waarin hij verklaart dat iedereen veilig is en dat er gepraat moet worden, waarbij uitdrukkelijk wordt gezegd dat [verdachte] daarbij aanwezig moet zijn.

Niet alleen [medeverdachte 1] , maar vooral ook [verdachte] zelf heeft gesprekken gevoerd waar zijn betrokkenheid duidelijk uit blijkt. Zo zegt hij ook op 16 maart 2015 tegen [medeverdachte 1] dat ‘ze’, de rechtbank begrijpt: de politie, misschien al een jaar met hen bezig zijn. [verdachte] sluit af met de mededeling dat ze verraden moeten zijn door een ander, omdat alleen hij, [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] hiervan afwisten. Een dag later spreekt [verdachte] de verwachting uit dat de politie moet hebben geweten dat alles bij [medeverdachte 4] lag, omdat ze anders ook wel bij hem waren gekomen. De verklaring van verdachte, dat hij dit slechts heeft gezegd omdat hij café-eigenaar was en met klanten meepraatte, acht de rechtbank ongeloofwaardig. Twee weken later, op 30 maart 2015, gaat [verdachte] door met deze mededelingen. Met [medeverdachte 1] bespreekt hij of hij aan duizend euro kan komen en zegt hij, als blijkt dat het niet kan, dat [medeverdachte 2] met nieuwe bedragen of klussen moet komen.

Verdachte spreekt in al deze gesprekken in de tegenwoordige tijd en de verleden tijd. De verklaring van verdachte, dat hij pas achteraf op de hoogte zou zijn gekomen van de aard van het contact, wordt dan ook weerlegd door de bewijsmiddelen.

De rechtbank acht dan ook bewezen dat verdachte wist wat de aard van het contact tussen de andere personen was en dat hij wetenschap had van het oogmerk van de organisatie.

Verdachte heeft ook een bijdrage geleverd aan de organisatie. Met de wetenschap van het oogmerk heeft [verdachte] immers een faciliterende rol vervuld, waarbij hij telefonisch berichten doorgaf en zorg heeft gedragen voor een ontmoetingsplek, zijnde café [naam café 1] . Met deze handelingen heeft verdachte een bijdrage geleverd die strekt tot de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie en aldus concludeert de rechtbank dat verdachte daaraan heeft deelgenomen.

- Conclusie

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan deelname aan een criminele organisatie, zoals hierna in rubriek 5 is vermeld.

4.3.3.

Wapenhandel

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij medepleger is van wapenhandel. Op grond van het dossier stelt te rechtbank vast dat in de ten laste gelegde periode meerdere overdrachten hebben plaatsgevonden van wapens en wapenonderdelen. De rechtbank kan niet vaststellen dat verdachte bij een van de bewezen overdrachten aanwezig is geweest en concludeert aldus dat hij die misdrijven niet (gezamenlijk) heeft uitgevoerd.

De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Ook indien het ten laste gelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht, kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn.

Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.

Zoals hiervoor overwogen heeft verdachte de criminele organisatie ondersteund door informatie te verstrekken en ontmoetingen te faciliteren. De rol van verdachte laat zich bij uitstek kenmerken als een faciliterende rol, die geduid kan worden als een klassieke medeplichtigheid. Er is geen sprake van een gezamenlijke uitvoering en de bijdrage van verdachte aan de wapenhandel is naar het oordeel van de rechtbank van onvoldoende gewicht. Op grond daarvan is de rechtbank van oordeel dat de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachten niet is komen vast te staan. Daarom zal verdachte worden vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

1.

in de periode van 19 januari 2015 tot en met 24 augustus 2015 te Amsterdam, Den Hout, [plaats 3] en/of Kudelstaart en te Turnhout en/of Baarle Hertog heeft deelgenomen aan een organisatie, zijnde een samenwerkingsverband bestaande uit [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het telkens plegen van

  • -

    wapenhandel, als bedoeld in artikel 31, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, waarbij de wapenhandel onder andere bestond uit het overdragen van diverse wapens en munitie van categorie II en categorie III en

  • -

    wapenbezit, als bedoeld in artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, namelijk het voorhanden hebben van wapens en munitie van categorie II en categorie III.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigings-grond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1 en 2 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 3 jaren, met aftrek van voorarrest.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat, indien de rechtbank toekomt aan de oplegging van straf, de op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet de duur van de reeds ondergane voorlopige hechtenis te boven dient te gaan. Verdachte is bereid zich aan voorwaarden te houden en een taakstraf uit te voeren.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder weegt de rechtbank het volgende mee.

Verdachte heeft deelgenomen aan een organisatie die wapenhandel en wapenbezit tot oogmerk had. Met die wapens kunnen uiteindelijk ernstige misdrijven worden begaan. Deze organisatie was een duurzaam en goed georganiseerd samenwerkingsverband, waarin iedere verdachte een eigen, specifieke rol vervulde en waarin verdachten goed op elkaar ingespeeld waren. Gedurende tenminste ruim drie maanden heeft deze organisatie samengewerkt, waarbij dagelijks intensief contact in wisselende samenstelling plaatshad. Verdachte had in de organisatie een ondersteunende rol.

Het deelnemen aan een criminele organisatie is een delict dat de openbare orde raakt. De strafwaardigheid van deelneming aan een criminele organisatie wordt niet alleen bepaald door de organisatiegraad en het ontwrichtende karakter daarvan voor de openbare orde, maar ook door de aard van de misdrijven die worden beoogd. Wapenbezit en –handel horen niet thuis in de Nederlandse maatschappij en dienen krachtig te worden bestreden. Deze organisatie heeft gehandeld in (onder meer) zware vuurwapens. Met dergelijke wapens kan in de samenleving grote schade worden aangericht. Ieder ongeoorloofd bezit of gebruik van een wapen werkt ondermijnend ten aanzien van de openbare orde en de veiligheid in de openbare ruimte. In de periode waarin verdachte deelnam aan deze organisatie en bezig was (onder meer) vuurwapens richting Amsterdam te verhandelen, werd Amsterdam geteisterd door een golf liquidaties, waarbij de slachtoffers meestal met vuurwapens in de openbare ruimte werden doodgeschoten. Daar werd destijds in het nieuws zeer veel aandacht aan besteed en dat kan verdachten dan ook niet zijn ontgaan. Enig verband tussen de liquidaties en het handelen van verdachte kan worden gelegd. Immers, DNA van medeverdachte [medeverdachte 4] is aangetroffen op wapens aangetroffen in de woning van één van de verdachte van de liquidatie in de Staatsliedenbuurt. Hoewel niet is vastgesteld dat de door de organisatie geleverde wapens bij liquidaties zijn gebruikt, neemt de rechtbank het verdachte en zijn medeverdachten kwalijk dat de organisatie wapens de stad in bracht en daardoor op zijn minst heeft bijgedragen aan de beschikbaarheid van illegale wapens in een periode van liquidaties. Gelet op de combinatie van de ernst van het oogmerk en de hoge mate van activiteit van de organisatie, kan niet anders worden geconcludeerd dan dat het handelen van de organisatie tot een mate van ontwrichting van de samenleving en de openbare orde heeft geleid.

Bij het bepalen van de straf maakt de rechtbank onderscheid tussen de verschillende verdachten in dit onderzoek naar de rol die zij hebben gehad in de criminele organisatie en de wapenhandel. Verdachte speelde zoals gezegd een ondersteunende en faciliterende rol en lijkt geen drijvende kracht in de organisatie te zijn geweest. Hij heeft persoonlijk ook de delicten waar de organisatie het oog op had, niet gepleegd. Ook onderkent de rechtbank dat verdachte een stuk jonger is dan zijn medeverdachten, die hij voor een deel als familie beschouwt, en dat er rekening mee moet worden gehouden dat hij in enige mate door hen is meegesleept. Eén en ander maakt dat de straf voor hem lager zal uitvallen dan voor zijn medeverdachten het geval is.

Het voorgaande in aanmerking genomen maakt dat de rechtbank in beginsel een aanzienlijke gevangenisstraf aangewezen acht.

Verdachte heeft er voor gekozen te zwijgen bij de inhoudelijke behandeling van zijn strafzaak, als ook bij de reclassering. Verdachte heeft geen verantwoording afgelegd of blijk gegeven van enig besef van de strafwaardigheid van zijn gedrag. De reclassering heeft in haar rapportage van 12 januari 2017 geschreven dat niet kan worden vastgesteld wat de beweegredenen van verdachte waren, of hij een pro criminele houding heeft en wat de kans op recidive zou zijn. De reclassering geeft de rechtbank mee dat toch aan hem een voorwaardelijk strafdeel kan worden opgelegd, met toezicht en een behandelverplichting als bijzondere voorwaarden.

De rechtbank zal dit advies van de reclassering overnemen en aan verdachte een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen met bijzondere voorwaarden.

De jeugdige leeftijd van verdachte, alsmede het gegeven dat verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 20 december 2016 niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit, maken dat de rechtbank aan verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal opleggen die de reeds ondergane voorlopige hechtenis in duur overstijgt. De ernst van het feit, zoals hiervoor beschreven, maakt echter dat de rechtbank niet kan volstaan met een straf conform voorarrest, vermeerderd met een voorwaardelijk strafdeel. De rechtbank zal daarom aan verdachte ook nog een taakstraf opleggen.

9 Voorlopige hechtenis

De officier van justitie heeft, in lijn met haar eis van drie jaren gevangenisstraf, de gevangenneming van verdachte gevorderd. De rechtbank zal, gelet op de op te leggen straffen, deze vordering afwijzen.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 140 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 2 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 365 (driehonderdvijfenzestig) dagen.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, zijnde 48 dagen, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 317 (driehonderdzeventien) dagen, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet aan de algemene voorwaarden houdt.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde

  1. zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

  2. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt en

  3. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien de veroordeelde gedurende de proeftijd de bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt de volgende bijzondere voorwaarden:

  1. Veroordeelde dient zich te melden bij Reclassering Nederland op het volgende adres: [adres 2] , [plaats 4] . Hierna moet hij zich blijven melden zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht. Veroordeelde moet zich houden aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft.

  2. Veroordeelde dient mee te werken aan voorwaarden betreffende zijn gedrag. Zo dient hij mee te werken aan het verkrijgen van dagbesteding en, indien hiertoe aanleiding is, mee te werken aan begeleiding in een forensisch kader.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 240 uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. H.P. Kijlstra, voorzitter,

mrs. R.A. Sipkens en M.F. Ferdinandusse, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. H.L.A. Haulo, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 9 maart 2017.