Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:1494

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
09-03-2017
Datum publicatie
09-03-2017
Zaaknummer
13/684054-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Achttien jaar cel voor moord op ex-partner

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 289
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 351
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 160
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2017/125
PS-Updates.nl 2017-0242
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/684054-16 (Promis)

Datum uitspraak: 9 maart 2017

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [verdachte] op [verdachte] 1979,

thans gedetineerd in het Huis van Bewaring [naam huis van bewaring] te [plaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 19 oktober 2016, 10 januari 2017 en 23 februari 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. P. van Laere en van wat verdachte en zijn raadsman mr. J.P. Plasman en de raadsvrouw van de benadeelde partijen mr. L. Scheffer naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 04 februari 2016 te Amsterdam, althans in Nederland,

opzettelijk en met voorbedachten rade (zijn, verdachte's ex-vrouw) [slachtoffer]

van het leven heeft beroofd, immers heeft hij, verdachte, met dat opzet en na

kalm beraad en rustig overleg met een mes, in elk geval met een scherp en/of

puntig voorwerp, eenmaal of meermalen gestoken en/of gesneden in de

borststreek en/of hartstreek en/of de hals, althans in het lichaam van

voornoemde [slachtoffer] , tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich - onder verwijzing naar haar schriftelijk requisitoir - op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht verdachte vrij te spreken van het hem tenlastegelegde nu er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is. Subsidiair heeft de raadsman verzocht verdachte vrij te spreken van moord nu geen sprake is van voorbedachte raad.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

Inleiding

De rechtbank gaat op grond van het dossier uit van de volgende feiten.

Op 4 februari 2016 vindt kort voor 11:30 uur op de J.H. van Heekweg te Amsterdam een incident plaats waarna een vrouw, naar later blijkt [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ), bloedend op de openbare weg wordt aangetroffen. De politie, die ter plaatse komt, ziet meerdere steekwonden op de romp van [slachtoffer] . [slachtoffer] is vervolgens per ambulance overgebracht naar het Academisch Medisch Centrum (AMC) te Amsterdam, waar zij is overleden.1 De schouwarts, die de schouw aan het lichaam van [slachtoffer] heeft verricht, heeft geconcludeerd tot een niet natuurlijke dood.2 Bij sectie op het lichaam van [slachtoffer] zijn meerdere steekverwondingen aan de romp geconstateerd, onder meer hoog in de borstkas links. Hierdoor waren onder andere de linkerlong en de lichaamsslagader geperforeerd. Er was sprake van fors bloedverlies. Het intreden van de dood wordt verklaard door verwikkelingen van uitwendig mechanisch scherprandig perforerend geweld3.

4.3.2

Moord of doodslag

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of [slachtoffer] op 4 februari 2016 opzettelijk al dan niet met voorbedachte raad van het leven is beroofd. Met andere woorden: is hier sprake geweest van moord of doodslag.

Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachte raad’, opgenomen in het artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht dat moord behandelt, moet komen vast te staan dat de dader zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Anders gezegd: wil dit bestanddeel kunnen worden vastgesteld dan moet worden bewezen dat de dader de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en dat hij zich daarvan rekenschap heeft gegeven.

Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de dader voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen

(vgl. HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:963, NJ 2014/156).

In de onderhavige zaak acht de rechtbank voor de bewezenverklaring van voorbedachte raad in het bijzonder de na te noemen getuigenverklaringen redengevend.

De rechtbank baseert zich ten eerste op de getuigenverklaring van [getuige 1] (hierna: [getuige 1] ). [getuige 1] , die aan de Elpermeer woont, heeft verklaard dat hij vanuit zijn woonkamer een voor hem onbekende man door de straat zag rennen in de richting van de J.H. van Heekweg. Kort daarna hoorde hij een gil, waarna hij is gaan kijken en een vrouw op straat zag liggen. [getuige 1] zag vervolgens dezelfde man hard wegrennen.4

Getuige [getuige 2] (hierna: [getuige 2] ), die net als [slachtoffer] haar kinderen van school ging halen, heeft verklaard dat zij een meter of twintig bij haar vandaan [slachtoffer] zag lopen en dat er ineens een man achter [slachtoffer] liep. Deze man had op dat moment een groot zilverkleurig mes in zijn handen. Zonder dat er een woord werd gewisseld, draaide [slachtoffer] zich om, waarna de man haar hoog in haar borst stak. De man bleef steken, ook toen [slachtoffer] op de grond zakte. Pas nadat [getuige 2] hem had toegeroepen: “Hé, wat doe je?”, is de man weggerend, met het mes nog in zijn hand.5

Zowel bij de schouw als bij de sectie is vastgesteld dat [slachtoffer] onder meer hoog in de borst is gestoken, als gevolg waarvan inwendige bloedingen zijn ontstaan en zij is overleden. Er is tevens mogelijk afweerletsel aan de linkerhand van [slachtoffer] geconstateerd. De rechtbank is van oordeel dat de aard en de ernst van het letsel van [slachtoffer] zodanig zijn dat reeds daaruit het opzet op de dood van de dader kan worden afgeleid. [slachtoffer] had meerdere steekverwondingen op diverse plekken in haar lichaam waar zich vitale organen bevinden, zoals in de borst- en buikholte. Het kan dan ook niet anders dan dat de dader opzet heeft gehad op het doden van [slachtoffer] door meermalen op dergelijke plekken van het lichaam te steken.

Uit de verklaringen van voornoemde getuigen leidt de rechtbank af dat de dader weloverwogen te werk ging. Gelet op deze verklaringen in samenhang bezien staat voor de rechtbank vast dat de dader doelgericht naar de J.H. van Heekweg is gerend, waarbij hij [slachtoffer] van achteren heeft benaderd en hij het mes gereed heeft gehouden zodat hij onmiddellijk kon beginnen met steken. De dader had het mes meegenomen met het plan [slachtoffer] van het leven te beroven. Direct voorafgaand aan het steekincident was geen sprake van een ruzie of een woordenwisseling tussen de dader en [slachtoffer] . De dader heeft hoog in de borst gestoken en is blijven steken, ook toen [slachtoffer] in elkaar zakte. [slachtoffer] was kansloos tegen deze onverhoedse aanval en heeft zich nauwelijks kunnen verweren. De dader is vervolgens weggerend en heeft [slachtoffer] op straat achtergelaten, zonder zich om haar lichamelijke toestand te bekommeren.

Vanwege deze uiterlijke verschijningsvorm van de handelingen concludeert de rechtbank dat het niet anders kan dan dat de dader weloverwogen en doelgericht moet hebben gehandeld en dat geen sprake was van enkel een ogenblikkelijke gemoedsopwelling.

De rechtbank heeft zich beraden over de vraag of er sprake is van mogelijke contra-indicaties die na weging in de weg zouden staan aan het trekken van deze conclusie. Er is door niemand van de in het onderhavige onderzoek gehoorde personen iets verklaard waaruit contra-indicaties zijn te putten, die een ander zicht kunnen geven op de gang van zaken op de plaats van het delict. Ook overigens zijn dergelijke contra-indicaties niet aannemelijk geworden.

De rechtbank overweegt in dit verband nog het volgende. Gelet op de wijze waarop de dader te werk is gegaan, gaat de rechtbank er van uit dat sprake is geweest van een bewust uitgekozen slachtoffer. Er is geen enkele aanwijzing dat bijvoorbeeld een roofoverval het motief voor het steekincident is geweest.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat de dader met voorbedachte raad heeft gehandeld en acht moord bewezen.

4.3.3

Dader

De vraag die de rechtbank vervolgens dient te beantwoorden is of het verdachte is geweest die opzettelijk en met voorbedachte raad [slachtoffer] van het leven heeft beroofd.

Verdachte heeft verklaard dat hij op 4 februari 2016 met de auto van zijn zuster naar het huis van [slachtoffer] (zijn ex-partner) is gereden en dat hij de auto op de parkeerplaats tegenover de woning van [slachtoffer] aan de [adres] , niet recht voor de deur, heeft geparkeerd. Hij wilde zijn jongste zoon zien, zodra deze uit school zou komen. Verdachte heeft verder verklaard, dat hij daar vaker parkeerde en dat hij dan wachtte totdat zijn kinderen uit school kwamen. De school gaat om half twaalf of kwart voor twaalf uit. Verdachte heeft verklaard dat hij vóór half twaalf op de parkeerplaats stond. Omdat verdachte en [slachtoffer] ruzie hadden besloot hij, na ongeveer tien minuten in de auto te hebben gewacht, om toch weer terug naar huis te rijden. Hij is toen aan het einde van de Elpermeer rechtsaf in de richting van het Amerbos weg gereden. Verdachte heeft voorts verklaard dat hij niemand in de straat heeft gezien.6

Vlak voor het steekincident heeft getuige [getuige 1] een man in de richting van de

J.H. van Heekweg, dus richting de plaats delict, zien rennen. Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat de dader [slachtoffer] van achteren aanviel. [getuige 2] heeft verder verklaard dat er op het moment dat het steekincident plaatsvond niemand anders op straat liep. [getuige 1] spreekt eveneens over slechts één persoon die hij vlak voor het incident heeft zien rennen.

Gelet op deze verklaringen, moet de dader dus vanaf de Elpermeer naar de J.H. van Heekweg zijn gekomen.

Nadat [getuige 2] de dader had toegeroepen, is hij volgens deze getuige weggerend over de

J.H. van Heekweg en vervolgens linksaf geslagen in de richting van de Elpermeer, zo blijkt uit de door de getuige op het kaartje ingetekende looproute (GT.01, doorgenummerde pag. 17). De getuige [getuige 3] (hierna: [getuige 3] ) heeft eveneens verklaard dat zij de dader over de J.P. van Heekweg zag wegrennen in de richting van de Elpermeer en dat zij de taxichauffeur die kort hierna kwam aanrijden naar de andere ingang van de Elpermeer, die rond loopt, heeft gewezen.7

De rechtbank stelt op grond van de door voornoemde getuigen aangegeven looprichting vast, dat de dader dan kan uitkomen bij de parkeerplaatsen tegenover de woning van [slachtoffer] , waar verdachte naar eigen zeggen zijn auto had geparkeerd.

Getuige [getuige 4] (hierna: [getuige 4] ) heeft verklaard dat hij vlak nadat het steekincident had plaatsgevonden aankwam bij de plaats delict op de J.H. van Heekweg. Hij werkte op dat moment als taxichauffeur en moest om 11.30 uur klanten ophalen bij een woning op de Elpermeer. Omdat zijn klanten al stonden te wachten en hij verder niets kon doen, is hij naar zijn klanten toegereden, ondertussen uitkijkend naar de mogelijke dader. [getuige 4] heeft zijn taxi vervolgens op de hoek van de Elpermeer geparkeerd, vlak voor de ingang van het flatgebouw waar [slachtoffer] woonde. Op dat moment zag hij een groene auto aan komen rijden die om zijn taxi heen reed, rechtsaf verder de Elpermeer in. De bestuurder van de auto had een petje op. [getuige 4] heeft het kenteken van de auto genoteerd en aan de politie doorgegeven. Dit bleek later de groene Peugeot van de zus van verdachte te zijn, te weten de auto waarmee verdachte, zo heeft hij verklaard, die ochtend naar de parkeerplaats op de Elpermeer is gereden.

Gelet op deze verklaringen is de rechtbank van oordeel, dat verdachte kort ná het steekincident met de auto is weggereden vanaf de parkeerplaats op de Elpermeer.

De rechtbank overweegt verder nog dat voornoemde getuigen allemaal een signalement van de dader hebben gegeven. Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat de dader een zwarte pet of muts droeg, een zwarte half lange jas en zwarte gympen. Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat de dader een pet op had en dat hij een donkere jas, een donkere broek en sportschoenen droeg. Nu het signalement van beide getuigen overeen komt, is het aannemelijk dat zij het over dezelfde man hebben. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij op de ochtend van 4 februari 2016 een zwarte driekwart jas aanhad en een zwarte pet op had. Daarnaast heeft hij verklaard dat hij zwart met witte sportschoenen droeg.

De rechtbank is van oordeel dat het door de getuigen opgegeven signalement van de dader op belangrijke punten overeenkomt met de door verdachte ter terechtzitting afgelegde verklaring over de kleding die hij op de ochtend van 4 februari 2016 aan had. De rechtbank stelt voorts vast dat de verklaring van verdachte over de kleding die hij droeg niet strijdig is met de door andere getuigen ( [getuige 5] en voornoemde [getuige 3] ) opgegeven signalementen.

Verdachte heeft verklaard dat hij wist hoe laat zijn kind(eren) ongeveer uit school kwam(en) en welke route [slachtoffer] altijd liep om de kinderen op te halen. Volgens verdachte was er maar één logische route om te lopen. Verdachte heeft ook verklaard dat hij kort voordat zijn zoon uit school zou komen op de Elpermeer is aangekomen en dat hij met zijn auto op de parkeerplaats tegenover de woning van [slachtoffer] is gaan staan.

Voornoemde verklaringen in samenhang bezien brengen de rechtbank tot het oordeel dat verdachte degene is geweest die [slachtoffer] op 4 februari 2016 op de J.H. van Heekweg opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd.

4.3.4

Overtuiging

Naast de vaststelling dat er voldoende wettige bewijsmiddelen zijn voor de conclusie dat verdachte [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, heeft de rechtbank daarvan ook de overtuiging gekregen. De rechtbank overweegt als volgt. Verdachte en [slachtoffer] zijn in 2003 in Marokko met elkaar getrouwd voor de Marokkaanse en Islamitische wet. In Nederland stonden zij geregistreerd als partners. Verdachte en [slachtoffer] hebben samen drie kinderen gekregen: [naam kind 1] , [naam kind 2] en [naam kind 3] . Verdachte heeft de drie kinderen erkend. Niet lang na de eerste verjaardag van hun jongste zoon zijn verdachte en [slachtoffer] uit elkaar gegaan. Sindsdien woont verdachte bij zijn zus aan de [adres] in Amsterdam. Verdachte en [slachtoffer] zijn daarna volgens de Marokkaanse wet gescheiden. Over de periode na de scheiding heeft verdachte ter terechtzitting verklaard dat het contact met [slachtoffer] met ups en downs verliep. Over de omgang met de kinderen was weinig afgesproken. Zolang er geen ruzie was tussen verdachte en [slachtoffer] mocht hij de kinderen zien. De oudste dochter, [naam kind 1] , wilde geen contact met haar vader.

In het najaar van 2015 was het contact tussen verdachte en [slachtoffer] dusdanig verslechterd dat verdachte een advocaat heeft ingeschakeld om een officiële omgangsregeling vast te stellen. Verdachte heeft ter terechtzitting op 23 februari 2017 verklaard dat hij de situatie waarin [slachtoffer] kon beslissen of hij de kinderen wel of niet mocht zien wilde veranderen. In januari 2016 heeft [slachtoffer] ook een advocaat in de arm genomen, in verband met het vaststellen van een omgangsregeling.

Getuige [getuige 6] (hierna: [getuige 6] ) was de bovenbuurvrouw en tevens vriendin van [slachtoffer] . [getuige 6] heeft verklaard dat er in het najaar van 2015 een vechtpartij had plaatsgevonden bij de voetbalvereniging tussen verdachte en de voetbaltrainer [naam voetbaltrainer] (de rechtbank begrijpt: [naam voetbaltrainer] , hierna: [naam voetbaltrainer] ).8 Verdachte heeft hierover ter terechtzitting verklaard dat hij het vermoeden had dat [slachtoffer] een relatie met [naam voetbaltrainer] had. Verdachte heeft [naam voetbaltrainer] hiermee op de voetbalvereniging geconfronteerd, maar [naam voetbaltrainer] heeft ontkend. Hierop is verdachte boos geworden. Hij voelde zich beledigd, omdat [naam voetbaltrainer] volgens hem niet de waarheid sprak. Verdachte heeft verklaard dat er toen een worsteling heeft plaatsgevonden tussen hem en [naam voetbaltrainer] waarbij verdachte [naam voetbaltrainer] heeft geslagen. De verklaring van [naam voetbaltrainer] luidt dat verdachte het voetbalveld is opgelopen en onverwachts uithaalde naar zijn hoofd, waarbij verdachte zei: “Je hebt nog steeds contact met haar”. Daarna heeft verdachte volgens [naam voetbaltrainer] gezegd: “Ik maak haar af” en “Ik maak [slachtoffer] dood” en “Als [slachtoffer] met een ander trouwt, dan maak ik haar dood”.9[naam vriend] (hierna: [naam vriend] ), een vriend van [slachtoffer] , was bij dit gesprek aanwezig. Hierover heeft [naam vriend] verklaard dat verdachte op dat moment zowel [slachtoffer] als [naam voetbaltrainer] heeft bedreigd met de dood.10

Ten aanzien van de omgang met de kinderen heeft [getuige 6] het volgende verklaard. Op dinsdag 2 februari 2016 heeft [getuige 6] het jongste zoontje van verdachte en [slachtoffer] van school gehaald. Verdachte stond toen in zijn auto voor de school te wachten. Hij vertelde aan haar dat [slachtoffer] niet meer met hem wilde praten. Ze hadden geen communicatie meer, omdat zij beiden boos waren. [getuige 6] verklaart daarover dat zij zag dat verdachte het daar moeilijk mee had. Hij was droevig en zag er ongelukkig uit.11

Voorts heeft voornoemde getuige [getuige 6] verklaard dat [slachtoffer] op dinsdag 2 februari 2016 bang was. Ze zei steeds dat ze bang was dat verdachte haar dood zou maken. Ze hadden een grote ruzie gehad, omdat [slachtoffer] niet terug wilde naar verdachte en omdat verdachte vermoedde dat zij een andere relatie had. [slachtoffer] had haar ook verteld dat verdachte haar drie weken eerder bij haar keel had gegrepen en dat hij had gedreigd dat hij haar ging vermoorden. Dat was volgens [getuige 6] de reden dat verdachte niet meer in de woning aan de Elpermeer mocht komen van [slachtoffer] . [getuige 6] heeft verder verklaard dat zij verschillende keren bij [slachtoffer] thuis is geweest en dat zij dan hoorde hoe de kinderen met hun vader belden. In de week voorafgaand aan 4 februari 2016 heeft dochter [naam kind 1] met verdachte gebeld. [getuige 6] was daarbij aanwezig. [getuige 6] herkende de stem van verdachte. Het telefoongesprek was in het Marokkaans, maar [naam kind 1] vertaalde wat er werd gezegd. [getuige 6] hoorde dat verdachte tegen de kinderen zei dat hun moeder nog drie dagen te leven had.12

Voorts heeft getuige [naam vriend] verklaard dat hij op 3 februari 2016 nog telefonisch contact heeft gehad met [slachtoffer] en dat zij op dat moment “helemaal angstig” was. Daarop heeft [naam vriend] haar geadviseerd binnen te blijven en de buurvrouw de kinderen naar school te laten brengen.13

Gelet op voornoemde getuigenverklaringen staat voor de rechtbank vast dat verdachte meerdere uitlatingen heeft gedaan met de strekking dat hij [slachtoffer] wilde doden. Uit het voorgaande maakt de rechtbank op dat de situatie tussen verdachte en [slachtoffer] na hun scheiding gaandeweg verslechterde en dat verdachte de grip op zijn gezin aan het verliezen was. De rechtbank is ervan overtuigd dat verdachte geen andere uitweg heeft gezien dan daadwerkelijk uitvoering aan zijn dreigementen te geven en [slachtoffer] van het leven te beroven.

Op grond van al het voorgaande concludeert de rechtbank dat niet alleen wettig maar ook overtuigend bewezen kan worden dat verdachte [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachte raad van het leven heeft beroofd.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht, op grond van de wettige bewijsmiddelen die in bijlage I zijn opgenomen en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, bewezen dat verdachte:

op 4 februari 2016 te Amsterdam, opzettelijk en met voorbedachten rade zijn ex-vrouw [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft hij, verdachte, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een mes, meermalen gestoken in de borststreek en hartstreek, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte voor het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 jaren, met aftrek van voorarrest.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht verdachte vrij te spreken en aldus aan hem geen straf op te leggen.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan moord. Hij heeft het slachtoffer opzettelijk en met voorbedachte raad van het leven beroofd. Verdachte heeft het slachtoffer hiermee het meest fundamentele recht waarover een mens beschikt ontnomen, namelijk het recht op leven.

Verdachte heeft zijn kinderen hun moeder ontnomen, van wie zij voor hun bescherming en opvoeding afhankelijk waren. Daarmee heeft hij zijn eigen kinderen feitelijk tot wees gemaakt en heel veel verdriet aangedaan. Uit de ter zitting voorgedragen verklaring van de oudste twee kinderen blijkt hoe zeer zij hun moeder missen en hoe bang zij zijn geworden voor hun vader.

Ook de andere nabestaanden van het slachtoffer heeft verdachte onherstelbaar leed toegebracht.

Het slachtoffer laat niet alleen een dochter en twee zoons, maar ook een vader, een moeder, een broer en zusters na, die allen ernstig lijden onder het verlies van hun familielid. Blijkens de ter terechtzitting voorgedragen nabestaandenverklaring van de vader en moeder en de zus van het slachtoffer heeft dit verlies het leven van de familie volledig ontwricht. Het wegvallen van het slachtoffer heeft voor een onherstelbaar gemis in hun leven gezorgd, met name in het leven van haar kinderen.

Als strafverzwarende omstandigheden neemt de rechtbank het navolgende in aanmerking.

De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat hij geen openheid van zaken omtrent zijn motieven heeft gegeven. Voor de familie van het slachtoffer kan het van groot belang zijn voor de verwerking van het verlies van hun dierbare dat zij de ware toedracht van hetgeen is gebeurd kennen. De rechtbank rekent het verdachte in zeer ernstige mate aan dat hij er voor heeft gekozen de nabestaanden hierover in het ongewisse te laten.

De rechtbank acht verder in strafverzwarende zin van belang dat verdachte het slachtoffer op klaarlichte dag midden op straat heeft neergestoken. Daardoor heeft een willekeurige voorbijganger, te weten getuige [getuige 2] , zien gebeuren dat [slachtoffer] , die zij persoonlijk kende, op een gruwelijke wijze van het leven werd beroofd. Verdachte heeft het slachtoffer na zijn daad hevig bloedend op straat achtergelaten en zich niet meer om haar bekommerd. Meerdere omstanders hebben gezien hoe [slachtoffer] bloedend en zonder bewustzijn op straat lag. Deze gebeurtenis moet voor de getuigen en omstanders zeer aangrijpend zijn geweest. Niet alleen heeft verdachte het slachtoffer, de moeder van zijn kinderen, op klaarlichte dag neergestoken, hij heeft dat ook nog eens op slechts tientallen meters van de school van zijn kinderen gedaan op een moment dat de kinderen elk moment uit school konden komen. Verdachte heeft hiermee bewust het risico genomen dat (één van) zijn kinderen geconfronteerd zouden worden met deze afschuwelijke daad.

Verdachte heeft niet meegewerkt aan gedragsdeskundige onderzoeken. De rechtbank heeft mede daardoor geen inzicht gekregen in zijn persoonlijkheid. Ook anderszins is niet gebleken van enige persoonlijke, eventueel verzachtende, omstandigheid van verdachte.

De rechtbank heeft voorts kennis genomen van het op naam van verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie van 25 januari 2017, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor geweldsdelicten.

De ernst van het bewezen verklaarde feit rechtvaardigt een langdurige gevangenisstraf. Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf gelijk aan de eis van de officier van justitie passend en geboden is.

9 Beslag

9.1

Standpunt van de officier van justitie

Ten aanzien van het beslag heeft de officier van justitie gevorderd dat de op de beslaglijst onder 1 en 39 tot en met 43 opgenomen voorwerpen dienen te worden verbeurd verklaard. De op de beslaglijst onder 8 tot en met 17 opgenomen voorwerpen dienen te worden vernietigd. Het op de beslaglijst onder 7 opgenomen voorwerp dient te worden teruggegeven aan de rechthebbende. De op de beslaglijst onder 2 tot en met 6, 18 tot en met 26 en 27 tot en met 38 opgenomen voorwerpen kunnen worden teruggegeven aan verdachte.

9.2

Standpunt van de verdediging

De raadsman refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.

9.3

Oordeel van de rechtbank

Er zijn verschillende voorwerpen in beslag genomen, zoals is weergegeven op de beslaglijst die als bijlage II aan dit vonnis is gehecht.

Teruggave aan de rechthebbende

De in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten de op de beslaglijst onder 2 tot en met 6, 18 tot en met 38 genummerde voorwerpen, dienen te worden teruggegeven aan de verdachte.

Bewaring ten behoeve van de rechthebbende

De in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten het op de beslaglijst onder 1 en 39 tot en met 43 genummerde voorwerpen, dienen te worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende. Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze voorwerpen, anders dan de officier van justitie heeft gevorderd, niet vatbaar voor verbeurdverklaring gelet op het bepaalde in artikel 33a, tweede lid, Wetboek van Strafrecht.

De in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten het op de beslaglijst onder 7 tot en met 17 genummerde voorwerpen, dienen te worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende.

10 Benadeelde partijen

10.1

De vordering

De benadeelde partijen vorderen in totaal een bedrag van € 7.231,81 aan materiële schadevergoeding. Deze schade bestaat uit € 1.965,00 voor de ouders en kinderen van het slachtoffer voor het bezoeken van het graf in Marokko, € 411,84 voor de reiskosten in verband met de behandeling bij ‘ [naam] ’ van de kinderen, € 3.170,00 voor een eventueel nog te voeren procedure tot naamswijziging van de kinderen en € 287,00 aan advocaatkosten in de gezagprocedure. De zussen van het slachtoffer, [zus 1] , [zus 2] en [zus 3] , verzoeken om vergoeding van de reiskosten in verband met de begrafenis ten bedrage van €1397,97. De totaal gevraagde immateriële schadevergoeding van € 128.000,00 bestaat uit een bedrag van in totaal € 65.000,00 aan shockschade en in totaal € 63.000,00 aan affectieschade voor de ouders, kinderen, zussen en broer van het slachtoffer.

10.2

Standpunt van de officier van justitie

De vorderingen van de benadeelde partijen dienen volgens de officier van justitie geheel te worden toegewezen voor zover die zien op de materiële schadevergoeding en de gevraagde vergoeding van shockschade. Voor de toewijzing van affectieschade ontbreekt de wettelijke mogelijkheid. De officier van justitie vordert tevens de toewijzing van de wettelijke rente en toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. De vorderingen dienen voor het overige niet-ontvankelijk te worden verklaard.

10.3

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard nu hij vrijspraak heeft bepleit. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat de gevorderde schade dient te worden gematigd, voor zover dit ziet op het bezoek aan het graf in juli 2016 en het wijzigen van de achternaam van de kinderen. De gestelde shock- en affectieschade zijn voorts onvoldoende onderbouwd om voor toewijzing in aanmerking te komen.

10.4

Oordeel van de rechtbank

Inleiding

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de behandeling van een deel van de vorderingen van de benadeelde partijen, welke ook niet door de verdediging is betwist, niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

Materiële schade

Vast staat dat aan de benadeelde partijen door het bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht.

De benadeelde partijen [naam kind 1] , [naam kind 2] en [naam kind 3] vorderen in totaal

€ 5.833,84 aan materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 4 februari 2016 tot aan de dag van de algehele voldoening.

De rechtbank concludeert dat de vordering tot materiële schadevergoeding tot een bedrag van in totaal € 698,84 (reiskosten van en naar ‘ [naam] ’ en eigen bijdrage in gezagprocedure) zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd tot aan de dag van de algehele voldoening.

De benadeelde partij [zus 1] vordert € 739,53 aan materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 4 februari 2016 tot aan de dag van de algehele voldoening.

De rechtbank concludeert dat de vordering tot materiële schadevergoeding tot een bedrag van in totaal € 268,44 (reiskosten begrafenis) zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd tot aan de dag van de algehele voldoening.

De benadeelde partij [zus 2] vordert € 268,44 aan materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 4 februari 2016 tot aan de dag van de algehele voldoening.

De rechtbank concludeert dat het gevorderde bedrag van € 268,44 zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd tot aan de dag van de algehele voldoening.

De benadeelde partij [zus 3] vordert € 390,00 aan materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 4 februari 2016 tot aan de dag van de algehele voldoening.

De rechtbank concludeert dat het gevorderde bedrag van € 390,00 zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd tot aan de dag van de algehele voldoening.

Slotsom

De benadeelde partijen zullen ten aanzien van de materiële schade voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering omdat deze kosten (te weten kosten voor bezoek graf in zomer 2016 en de kosten in verband met wijzigen achternaam) in een te ver verwijderd verband staan om te kunnen worden aangemerkt als rechtstreekse schade. De benadeelde partijen kunnen dit deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen hebben gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zullen maken.

In het belang van voornoemde benadeelde partijen wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

Immateriële schade

De benadeelde partijen hebben gesteld dat het psychische leed dat zij hebben opgelopen als gevolg van het bewezen verklaarde feit vergoed moet worden. Zij hebben hierbij onderscheid gemaakt tussen shockschade en affectieschade.

Met betrekking tot de gevorderde shockschade overweegt de rechtbank als volgt.

Blijkens het arrest van de Hoge Raad van 22 februari 2002 (NJ 2002, 240) kan immateriële schade wegens geestelijk letsel ten gevolge van een hevige emotionele schok, teweeggebracht door het waarnemen van het bewezen geachte feit of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen daarvan voor vergoeding in aanmerking komen op grond van artikel 6:106 BW. Hiervoor is vereist dat het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. In het arrest van 9 mei 2003 (NJ 2005, 168) heeft de Hoge Raad de aan geestelijk letsel als persoonsaantasting te stellen eisen gepreciseerd en bepaald dat de partij die zich op aantasting van de persoon beroept, voldoende concrete gegevens zal moeten aanvoeren, waaruit kan volgen, dat in verband met de omstandigheden van het geval een psychische beschadiging is ontstaan, waartoe nodig is dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel is of had kunnen zijn vastgesteld. Dit zal in de regel betekenen dat rapportage door een deskundige onontbeerlijk is, aldus de Hoge Raad.

Gezien deze jurisprudentie van de Hoge Raad komt de rechtbank tot het oordeel dat vooralsnog niet kan worden vastgesteld dat bij de benadeelde partijen tengevolge van het waarnemen van of de confrontatie met de ernstige gevolgen van het bewezen verklaarde feit sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. De vorderingen, zoals deze thans voorliggen, zijn hiertoe niet genoegzaam onderbouwd en toegelicht.

De rechtbank is verder van oordeel dat de wet op dit moment geen ruimte biedt voor vergoeding van affectieschade. Het gaat de taak van de rechtbank te buiten om af te wijken van het restrictieve wettelijke stelsel van schadevergoeding van onder meer artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek.

Gelet op het voorgaande zullen de benadeelde partijen ten aanzien van hun verzoeken om immateriële schadevergoeding niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vorderingen, nu de behandeling van dit deel van de vordering nadere onderbouwing vergt hetgeen een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. De benadeelde partijen kunnen dit deel van hun vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

11 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht.

12 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

moord

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) jaren.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de in beslag genomen voorwerpen, weergegeven onder de nummers 1 en 39 tot en met 43 van de beslaglijst die als bijlage II aan dit vonnis is gehecht.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende, van de in beslag genomen voorwerpen, weergegeven onder de nummers 7 tot en met 17 van de beslaglijst die als bijlage II aan dit vonnis is gehecht.

Gelast de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen voorwerpen, weergegeven onder de nummers 2 tot en met 6, 18 tot en met 38 van de beslaglijst die als bijlage II aan dit vonnis is gehecht.

Wijst toe de vordering van [naam kind 1] , [naam kind 2] en [naam kind 3], wonende te Amsterdam, tot € 698,84 (zeshonderdachtennegentig euro en vierentachtig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 4 februari 2016 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [naam kind 1] , [naam kind 2] en [naam kind 3] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [naam kind 1] , [naam kind 2] en [naam kind 3] , € 698,84 (zeshonderdachtennegentig euro en vierentachtig cent) aan de Staat te betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting door hechtenis van dertien dagen vervangen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen (schuldeisers) heeft voldaan, daarmee (de verschuldigdheid aan) de andere is vervallen.

Wijst toe de vordering van [zus 1], wonende te Amsterdam, tot € 268,44 (tweehonderdachtenzestig euro en vierenveertig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 4 februari 2016 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [zus 1] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [zus 1] , € 268,44 (tweehonderdachtenzestig euro en vierenveertig cent) aan de Staat te betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting door hechtenis van vijf dagen vervangen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Wijst toe de vordering van [zus 2], wonende te Amsterdam, tot € 268,44 (tweehonderdachtenzestig euro en vierenveertig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 4 februari 2016 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [zus 2] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [zus 2] , € 268,44 (tweehonderdachtenzestig euro en vierenveertig cent) aan de Staat te betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting door hechtenis van vijf dagen vervangen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Wijst toe de vordering van [zus 3], wonende te Amsterdam tot € 390,00 (driehonderdnegentig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 4 februari 2016 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [zus 3] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [zus 3] , € 390,00 (driehonderdnegentig euro) aan de Staat te betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting door hechtenis van zeven dagen vervangen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Verklaart de vorderingen van voornoemde benadeelde partijen voor het overige niet-ontvankelijk.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.P.C. Janssen, voorzitter,

mrs. A.A. Spoel en F.L. Bolkestein, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. K.N. van den Broek, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 9 maart 2017.

1 Een proces-verbaal van bevindingen van 9 februari 2016 van schouw met nummer 2016027078-36 op 4 februari 2016, FO.03, doorgenummerde pag. 009-029 (inclusief fotobijlagen).

2 Verslag betreffende een niet natuurlijke dood van 4 februari 2016 en Schouwverslag, van A. Beijering, forensisch arts, BEV.08 en BEV.09, doorgenummerde pag. 74-76.

3 Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood van 15 februari 2016 met nummer 2016.02.04.172, FO.17, doorgenummerde pag. 172-185.

4 Proces-verbaal van bevindingen van 4 februari 2016, doorgenummerde pag. 23-24.

5 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] van 4 februari 2016, doorgenummerde pag. 13-18, en verhoor getuige [getuige 2] door de rechter-commissaris op 26 augustus 2016, niet doorgenummerd.

6 Nader verhoor van verdachte door de rechter-commissaris op 10 oktober 2016 en verklaring verdachte ter terechtzitting op 23 februari 2017.

7 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] van 8 februari 2016, GT.09, doorgenummerde pag. 111-113.

8 Een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 6] van 26 augustus 2016 van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, niet doorgenummerd.

9 Een proces-verbaal van verhoor getuige [naam voetbaltrainer] van 18 maart 2016, met nummer 2016027078, GT.23, doorgenummerde pag. 187-193.

10 Een proces-verbaal van verhoor van getuige [naam vriend] van 15 november 2016 van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, niet doorgenummerd.

11 Een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 6] van 26 augustus 2016 van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, niet doorgenummerd.

12 Een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 6] van 26 augustus 2016 van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, niet doorgenummerd.

13 Een proces-verbaal van verhoor van getuige [naam vriend] van 15 november 2016 van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, niet doorgenummerd.