Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:14

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
11-01-2017
Datum publicatie
23-01-2017
Zaaknummer
484840 / FA RK 11-2054
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

verlenging 12 jaarstermijn afgewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Privaatrecht

zaaknummer / rekestnummer: C/13/609594 FA RK 16/3890 (HH/MD)

Beschikking van 11 januari 2017

In de zaak van:

[verzoekster],

wonende te [woonplaats] ,

verzoekende partij,

hierna mede te noemen de vrouw,

advocaat mr. J. Elte te Amsterdam,

tegen

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verwerende partij,

hierna mede te noemen de man,

advocaat mr. D. van der Pol te Hoorn.

1 De procedure

1.1.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de ingekomen stukken, waaronder het op 7 juni 2016 ingediende verzoekschrift.

1.2.

De zaak is behandeld ter terechtzitting met gesloten deuren van 15 december 2016.

Gehoord zijn: partijen, bijgestaan door hun advocaat.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn gehuwd te Amsterdam op [datum] 1972. Bij beschikking van de rechtbank Haarlem van 17 juni 2003 is onder meer de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Deze beschikking is op 15 maart 2004 ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand.

2.2.

Bij de beschikking van de rechtbank Haarlem van 17 juni 2003 is bepaald dat de man een uitkering tot levensonderhoud van de vrouw dient te voldoen van € 800,-- per maand.

2.3.

Het gerechtshof te Amsterdam heeft bij beschikking van 11 maart 2004 de door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw bepaald op € 885,-- per maand.

2.4.

Deze rechtbank heeft vervolgens op 25 juli 2007 een beschikking gewezen in verband met de alimentatie waartegen de man in hoger beroep is gekomen. Het gerechtshof heeft in de beschikking van 24 april 2008 bepaald dat de man met ingang van 14 maart 2007 een uitkering tot levensonderhoud van de vrouw dient te voldoen van € 1.500,-- per maand. Over de periode van 1 augustus 2006 tot 14 maart 2007 is de uitkering tot levensonderhoud bepaald op hetgeen ter zake door de man is betaald of op hem is verhaald.

2.5.

Tot 15 maart 2016 heeft de man een bedrag van laatstelijk (geïndexeerd) € 1.739,95 per maand aan de vrouw voldaan.

3 Het verzoek en het verweer

3.1.

De vrouw verzoekt, na verduidelijking van haar verzoek tijdens de mondelinge behandeling op 15 december 2016, de rechtbank de termijn voor de betaling van door de man verschuldigde uitkering tot haar levensonderhoud van € 1.739,95 per maand te verlengen tot 21 mei 2017.

3.2.

De vrouw heeft haar verzoek als volgt onderbouwd. De betalingsverplichting van de man is op 15 maart 2016 is geëindigd. De man is geboren op [geboortedatum] 1951 en hij ontvangt met ingang van 21 mei 2017 AOW. Per die datum gaat ook het met de vrouw te verevenen pensioen over de huwelijkse jaren in. De vrouw is geboren op [geboortedatum] 1954 en zij is 62 jaar oud. De leeftijd en de gezondheid van de vrouw in aanmerking genomen is het volstrekt irreëel, aldus de vrouw, dat zij nog inkomen kan verwerven uit een arbeidsovereenkomst.

De vrouw stelt dat zij derhalve behoefte heeft aan een verlenging van de termijn voor het ontvangen van een uitkering tot haar levensonderhoud totdat de te verdelen ouderdomspensioen van de man is ingegaan. In de visie van de vrouw doet zich een uitzonderlijke situatie voor omdat de gevolgen van de beëindiging van ingrijpende aard zijn. Zonder alimentatie zal de vrouw alleen haar WAO uitkering van € 1.045,31 netto per maand ontvangen om in haar kosten van levensonderhoud te voorzien en deze terugval in inkomen is onaanvaardbaar groot om in de kosten van het bestaan te kunnen voorzien.

Het is niet redelijk om van de vrouw te verlangen dat zij moet interen op haar vermogen dat zij heeft ontvangen uit de opbrengst van de echtelijke woning. Dit vermogen had zij immers al ten tijde van het vaststellen van de alimentatieverplichting van de man in 2004 en heeft er destijds niet toe geleid dat de behoefte van de vrouw lager was of niet bestond. Bovendien heeft de vrouw als gevolg van twee verhuizingen en bijdragen in de kosten van de studie van de kinderen van partijen ingeteerd op dit vermogen. De vrouw mocht er twaalf jaar geleden op vertrouwen dat zij kort na het aflopen van de alimentatietermijn van twaalf jaar een bijdrage van de man middels zijn pensioen zou krijgen. Dat de wetgever er thans voor gekozen heeft om de pensioengerechtigde leeftijd te wijzigen, kon de vrouw destijds niet weten. De periode tussen het beëindigen van de alimentatie en de ingangsdatum van het pensioen van de man is nu langer en de vrouw kan in deze periode niet rondkomen met haar huidige inkomen.

3.4.

De man verweert zich tegen het verzoek van de vrouw en verzoekt het verzoek niet-ontvankelijk te verklaren dan wel het verzoek tot verlenging van de alimentatietermijn af te wijzen. De man stelt zich primair op het standpunt dat de vrouw een onduidelijk en onvoldoende gespecificeerd verzoek heeft gedaan op grond waarvan niet-ontvankelijkheid dient te volgen. Indien en voor zover de rechtbank van oordeel is dat de vrouw in haar verzoek kan worden ontvangen stelt de man zich op het standpunt dat de vrouw geen voldoende bijzondere omstandigheden heeft aangevoerd waardoor ongewijzigde handhaving van de termijn van 12 jaar alimentatie naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van haar kan worden gevergd. Het inkomensverlies dat ontstaat door het eindigen van de alimentatieduur kan de vrouw opvangen doordat zij op haar vermogen kan interen, hetgeen redelijkerwijs van haar kan worden gevergd.

De vrouw heeft zich in de afgelopen twaalf jaar kunnen voorbereiden op de situatie dat de alimentatieplicht van de man zou eindigen en dat zij gezien de leeftijd van de man een beperkte periode dient te overbruggen alvorens zij krachtens verevening een pensioenuitkering ontvangt, namelijk van 15 maart 2016 tot 21 mei 2017. De vrouw heeft een substantieel vermogen opgebouwd en hiermee moet zij geacht worden gedurende de korte overbruggingsperiode haar inkomen aan te vullen. In 2005 heeft zij in het kader van de verkoop van de voormalige echtelijke woning een bedrag van € 199.497,50 ontvangen en recent in 2015 heeft de vrouw nog een bedrag van € 2.300,-- ontvangen in het kader van de afkoop van een kapitaalverzekering. Blijkens de aangiften en aanslagen die door de vrouw in het geding zijn gebracht heeft de vrouw in 2016 in BOX 3 een vermogen van € 171.634,- waarover zij vrij kan beschikken. Ook het argument dat bij de vaststelling van de alimentatie niet voorzienbaar was dat de AOW leeftijd en de pensioenleeftijd op een later moment zouden plaatsvinden is naar de mening van de man geen relevant argument, omdat dit voor iedereen geldt. In de opinie van de man is dit evenmin een bijzondere omstandigheid die maakt dat de wettelijke alimentatietermijn zou moeten worden verlengd.

4 De beoordeling

4.1.

In artikel 1:157 lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald dat indien de rechter geen termijn heeft vastgesteld, de verplichting tot levensonderhoud van rechtswege na het verstrijken van een termijn van twaalf jaren eindigt. Wel kan de alimentatiegerechtigde de rechter, na ommekomst van de termijn van twaalf jaren, verzoeken om verlenging van de termijn als beëindiging naar de maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet kan worden gevergd. Dit verzoek moet in beginsel binnen drie maanden na de beëindiging zijn gedaan. Bij voortzetting van de alimentatiebetaling, zoals in het onderhavige geval, gaat de vervaltermijn van drie maanden lopen op het moment dat waarop de stilzwijgend overeengekomen verlenging van de wettelijke alimentatietermijn eindigt.

4.2.

In de onderhavige zaak is niet in geschil dat de twaalf jaren termijn is geëindigd op

15 maart 2016. Nu de vrouw op 7 juni 2016 haar verzoekschrift heeft ingediend, derhalve binnen de drie maanden termijn, kan zij worden ontvangen in haar huidige verzoek tot verlenging van de termijn.

4.3.

Krachtens artikel 1:157 lid 5 BW kan van een verlenging van de twaalfjaarstermijn van artikel 1:157 lid 4 BW alleen sprake zijn, indien de beëindiging als gevolg van het verstrijken ervan van zo ingrijpende aard is dat ongewijzigde handhaving van die termijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid van de alimentatiegerechtigde niet kan worden gevergd.

4.4.

Uit de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de hiervoor genoemde bepalingen blijkt dat limitering van de alimentatieplicht de hoofdregel is en dat verlenging van de termijn slechts mogelijk is in bijzondere gevallen. Daarbij is de gedachte geweest dat de verantwoordelijkheid die men door het huwelijk op zich heeft genomen, weliswaar verplicht om bij te dragen in het levensonderhoud van de andere partij, maar niet rechtvaardigt dat deze verplichting na beëindiging van het huwelijk ongelimiteerd blijft voortduren. Het uitgangspunt van de wetgever in zijn streven tot het bevorderen van de duidelijkheid, rechtszekerheid en rechtsgelijkheid waar het gaat om de duur en het voortbestaan van de onderhoudsplicht, is geweest dat aan elke alimentatieverplichting in beginsel definitief een einde komt nadat twaalf jaren zijn verstreken na ontbinding van het huwelijk. De aan het wettelijk stelsel inherente onzekerheid, doordat de mogelijkheid is geschapen dat de van rechtswege geëindigde alimentatieplicht door inwilliging van een nadien ingediend verlengingsverzoek alsnog blijkt voort te duren, brengt dan vervolgens mee dat, ingeval wordt verzocht om verlenging van de termijn van twaalf jaren, het op de weg van de alimentatiegerechtigde ligt te stellen en, bij betwisting, aan te tonen dat er sprake is van een uitzonderlijke situatie, die een dergelijke verlenging rechtvaardigt.

4.5.

De rechtbank beantwoordt de vraag of de inkomstenterugval zoals door de vrouw gesteld in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de vrouw kan worden gevergd, ontkennend.

Naar het oordeel van de rechtbank is hetgeen door de vrouw is gesteld onvoldoende om tot de door haar gewenste verlenging te komen. Er is op basis van hetgeen naar de vrouw naar voren is gebracht niet gebleken dat er sprake is van een zodanige uitzonderlijke situatie waarin afwijking van de twaalfjaar termijn gerechtvaardigd is. Hierbij is in aanmerking genomen dat de vrouw - onbetwist - over een substantieel, vrij te besteden vermogen beschikt waarmee zij geacht wordt om haar uitkering in de periode totdat zij krachtens pensioenverevening pensioen ontvangt, aan te vullen. Uit de stukken is gebleken dat het vermogen van de vrouw in 2014 € 151.354,-- bedroeg en blijkens de voorlopige aanslag in 2016 had de vrouw een vermogen in Box 3 van € 171.634,--, zodat niet gebleken is, zoals door de vrouw gesteld, dat zij aanzienlijk is ingeteerd op haar vermogen de afgelopen jaren. Door de vrouw is voorts niet betwist dat het bedrag waarmee zij haar WAO-uitkering in genoemde periode moet aanvullen in totaal € 12.000,-- netto bedraagt. Na afloop van de periode die de vrouw moet overbruggen heeft de vrouw derhalve nog altijd een substantieel vermogen tot haar beschikking.

Hetgeen voorts door de vrouw naar voren is gebracht over de wijziging door de wetgever van de pensioengerechtigde leeftijd maakt evenmin dat de rechtbank van oordeel is dat handhaving van de twaalfjaarstermijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Deze wetswijziging is immers op iedere burger in Nederland van toepassing. Niet valt in te zien waarom de gevolgen van deze wetswijziging voor partijen voor rekening van de man zouden moeten komen. Dit zou alleen anders zijn indien de vrouw haar alimentatieaanspraak beperkt zou hebben tot de datum waarop de man 65 jaar zou worden, ervan uitgaande dat zij dan aanspraak op pensioen zou hebben. Daarvan is hier geen sprake. Het voorgaande leidt ertoe dat het verzoek van de vrouw tot verlenging van de termijn zal worden afgewezen.

4.6.

Hetgeen voorts door partijen naar voren is gebracht zal de rechtbank als reeds in het voorgaande besproken danwel als niet ter zake dienende buiten beschouwing laten.

4.7.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 De beslissing

De rechtbank:

- wijst het verzoek van de vrouw af.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.C. Hoogeveen, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.T.C. Duijzer, griffier, op 11 januari 2017.1

1 Voor zover tegen de beschikking hoger beroep openstaat kan dit via een advocaat worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam (IJdok 20 / Postbus 1312, 1000 BH).
Het
beroep moet worden ingesteld:
- door de verzoeker en degene aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.