Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:1383

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
06-03-2017
Datum publicatie
11-04-2017
Zaaknummer
13-730003-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Fraude: witwassen. Verdachte heeft tweemaal samen met een ander en tweemaal alleen grote contante geldbedragen gestort (en vervolgens overgeboekt) of in bezit gehad. Op die manier is bijna vier ton euro witgewassen. Gev.straf. 14 MND

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/730003-15 (Promis)

Datum uitspraak: 6 maart 2017

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Egypte) op [geboortedag] 1970,

verblijvend op het adres [adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 17 februari 2017 en 20 februari 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van het Openbaar Ministerie, vertegenwoordigd door mr. J.M. Kees en mr. S.W.M. van der Linde, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. P.G.M. Lodder, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is na wijziging ter terechtzitting van 17 februari 2017 – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan medeplegen van gewoontewitwassen en/of medeplegen van schuldwitwassen in de periode van 1 januari 2015 tot en met 7 januari 2015 te Utrecht en/of Schiphol en/of Maarssen en/of Breukelen en/of Amsterdam .

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in bijlage I, die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Bewijsoverwegingen

Op 4, 5 en 6 januari 2015 zijn verschillende, grote, contante stortingen gedaan op de bedrijfsrekening van [naam BV 1] . Die stortingen zijn, zo heeft hij erkend, door verdachte gedaan. Vervolgens zijn aan de stortingen gelijke totaalbedragen overgeboekt naar rekeningen ten name van [naam BV 2] of [naam BV 3] . Verdachte heeft verklaard dat dat bedrijven zijn waar zijn bedrijf zaken mee deed.

Op 7 januari 2015 is verdachte samen met [medeverdachte] op Schiphol bij een geldstortautomaat en zittend achter computers gezien. Verdachte heeft erkend dat hij toen € 10.000,- heeft gestort op de rekening van zijn bedrijf [naam bedrijf] . Verdachte en [medeverdachte] zijn kort daarna aangehouden. Bij zijn aanhouding is €10.000,- in contanten aangetroffen. In de auto van verdachte is nog eens € 50.000,- in contanten aangetroffen.

Witwasvermoeden en alternatieve herkomst volgens verdachte

Onder meer vanwege de gedane contante stortingen en de aanzienlijke hoeveelheden contant geld die zijn aangetroffen, is een witwasvermoeden ontstaan. Verdachte is ondernemer; dat hij bepaalde bedragen contant geld voor handen heeft en op de bank stort verbaast op zich niet; uit het dossier blijkt evenwel dat het bedrag dat verdachte begin januari in enkele dagen stortte tien keer zo hoog lag als het bedrag dat hij normaliter in een hele maand op de bank stortte. In een dergelijk geval mag van de verdachte worden verwacht dat hij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft over de herkomst van de gelden.

Verdachte heeft verklaard dat hij de op 4, 5 6, en 10 januari 2015 gestorte gelden, net als de € 10.000,- die hij tijdens zijn aanhouding op zak had, had ontvangen van een Egyptische klant voor wie hij goederen had besteld (onder meer graafmachines) bij [naam BV 3] en [naam BV 2] , en dat de gestorte bedragen daarom ook aan die bedrijven zijn overgemaakt.

Deze verklaring is weinig concreet, en geenszins verifieerbaar. Over de Egyptische klant is geen enkele informatie verschaft; verdachte heeft geen naam genoemd en geen enkel stuk aangeleverd (contract, correspondentie, kwitantie) waaruit blijkt van enig contact met een klant die hem grote bedragen contant heeft betaald om graafmachines voor hem te gaan kopen. Verdachte heeft het witwasvermoeden niet ontkracht, zodat geconcludeerd moet worden dat het niet anders kan dan dat de betreffende bedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn geweest.

Ten overvloede overweegt de rechtbank dat ook de verklaring van verdachte over het doel van de ontvangst en het storten van de bedragen aan alle kanten rammelt. De bedrijven waar verdachte mee zou handelen, [naam BV 3] en [naam BV 2] , zijn inactieve vennootschappen op naam van een katvanger, onder controle van medeverdachte [medeverdachte] , die geen enkel ander doel hadden dan het witwassen van geld. Verdachte heeft verklaard dat hij dat niet kon weten en dat hij kennelijk is opgelicht. Die stelling is verder niet onderbouwd met, bijvoorbeeld, een aangifte daarvan. Ook is het ongeloofwaardig dat verdachte tonnen overmaakt aan twee lege BV’s, in de veronderstelling dat zij hem dure graafmachines zullen leveren, zonder deze ooit te hebben gezien. Verdachte heeft zijn verklaring over [naam BV 3] en [naam BV 2] op één punt desgevraagd nader onderbouwd: hij heeft facturen van [naam BV 3] en [naam BV 2] overgelegd om zijn verklaring te onderbouwen. Volgens het Openbaar Ministerie zijn die facturen vermoedelijk onjuist. Redenen voor die conclusie zijn:

1) de facturen zijn pas op 13 augustus 2015 ontvangen van de verdediging en niet aangetroffen bij de aanhouding of bij de doorzoeking van de woning en de auto van verdachte, allen op 7 januari 2015, terwijl de facturen zijn gedateerd op 4 tot en met 6 januari 2015;

2) de facturen (van twee verschillende bedrijven met – volgens verdachte – twee verschillende eigenaren) bevatten exact dezelfde spelfouten en in de facturen van [naam BV 3] is de naam van de vestigingsplaats fout gespeld.

De rechtbank neemt de conclusie van het Openbaar Ministerie over en oordeelt dat de overgelegde facturen in ieder geval onjuist en vermoedelijk vals zijn. Ten slotte heeft verdachte geen enkele steekhoudende verklaring gegeven voor het feit dat [naam BV 3] en [naam BV 2] door medeverdachte [medeverdachte] als witwasvehikels werden misbruikt en dat hij in de korte periode van de stortingen nu juist innige contacten had met [medeverdachte] en samen met [medeverdachte] geld ging storten, terwijl die omstandigheid de verklaring van verdachte dat hij door [naam BV 3] en [naam BV 2] is opgelicht ernstig ondergraaft.

Ten aanzien van de € 50.000,- in zijn auto heeft verdachte slechts gesteld dat dit bedrijfsgeld is. Dat laatste moet worden beschouwd als een te weinig concrete en niet verifieerbare verklaring. Als dit het geval is, moet verdachte dit aannemelijk kunnen maken. Bij gebreke daarvan stelt de rechtbank vast dat het ook hier niet anders kan dan dat ook dit bedrag uit enig misdrijf afkomstig is.

Medeplegen

Om twee redenen is sprake van medeplegen. Ten eerste zijn verdachte en [medeverdachte] op 7 januari 2015 samen gezien terwijl verdachte € 10.000,- stortte. De gang van zaken aldaar, zoals beschreven in de processen-verbaal van de politie, duidt – anders dan verdachte heeft betoogd – op een nauwe en bewuste samenwerking op die dag. In het bijzonder slaat de rechtbank acht op de volgende omstandigheden. Verdachte en [medeverdachte] liepen samen, stonden samen bij de stortautomaat toen verdachte geld stortte, spraken ook tijdens het storten met elkaar, liepen samen weg en gingen samen bij de computers zitten. Vervolgens gaf [medeverdachte] een tasje aan verdachte waaruit verdachte € 10.000,- haalde en toonde [medeverdachte] verdachte een kaartje. Daarbij komt dat verdachte en [medeverdachte] op 4 januari 2015 – indien verdachte zoals hij heeft verklaard zelf alle stortingen op de rekening van [naam BV 1] heeft verricht – naast elkaar moeten hebben gestaan toen [medeverdachte] geld stortte.

Het tweede en belangrijkste argument om te concluderen tot bewezenverklaring van medeplegen is dat drie aanzienlijke bedragen die op 4, 5 en 6 januari 2015 zijn gestort, kort daarna zijn overgeboekt naar [naam BV 3] en [naam BV 2] , bedrijven waarvan [medeverdachte] de rekeningen beheerde ( [medeverdachte] was bijvoorbeeld aan het internetbankieren op de rekening van [naam BV 2] op het moment dat hij en verdachte werden aangehouden). Gelet op de bevindingen van 4 januari 2015, de observaties en de bij verdachte én [medeverdachte] aangetroffen geldbedragen, kan het niet anders dan dat de overboekingen in samenspraak met [medeverdachte] hebben plaatsgevonden.

Geen gewoonte

Met het Openbaar Ministerie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat verdachte moet worden vrijgesproken van gewoontewitwassen. Het handelen van verdachte heeft in een korte periode en is in de kiem gesmoord. Er is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die moeten leiden tot de conclusie dat toch sprake is van gewoontewitwassen.

5 Het oordeel van de rechtbank

5.1.

Vrijspraak gewoonte

De rechtbank zal, gelijk de vordering van het Openbaar Ministerie, verdachte vrijspreken van gewoontewitwassen.

5.2.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

in de periode van 4 januari 2015 tot en met 7 januari 2015 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, en Maarssen en Breukelen tezamen en in vereniging met een ander zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, immers hebben hij, verdachte, en zijn mededader (van) meerdere voorwerpen, te weten de navolgende geldbedragen, voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet:

op 4 januari 2015

- een geldbedrag van in totaal 100.000 euro, welk geldbedrag contant gestort is op de rekening t.n.v. [naam BV 1] met rekeningnummer [rekeningnummer 1] en

- een geldbedrag van in totaal 100.000 euro, welk geldbedrag van de rekening t.n.v. [naam BV 1] met rekeningnummer [rekeningnummer 1] vervolgens is overgemaakt naar de rekening t.n.v. [naam BV 2] met rekeningnummer [rekeningnummer 2] (te weten een geldbedrag van 60.000 euro) en naar de rekening t.n.v. [naam BV 3] met rekeningnummer [rekeningnummer 3] (te weten een geldbedrag van 40.000 euro);

op 5 januari 2015

- een geldbedrag van in totaal 49.950 euro, welk geldbedrag contant gestort is op de rekening t.n.v. [naam BV 1] met rekeningnummer [rekeningnummer 1] en

- een geldbedrag van in totaal 49.950 euro, welk geldbedrag van de rekening t.n.v. [naam BV 1] met rekeningnummer [rekeningnummer 1] vervolgens is overgemaakt naar de rekening t.n.v. [naam BV 2] met rekeningnummer [rekeningnummer 2] (te weten een geldbedrag van 10.000 euro) en naar de rekening t.n.v. [naam BV 3] met rekeningnummer [rekeningnummer 3] (te weten een geldbedrag van 39.950 euro);

op 6 januari 2015

- een geldbedrag van in totaal van 90.520 euro, welk geldbedrag contant gestort is op de rekening t.n.v. [naam BV 1] met rekeningnummer [rekeningnummer 1] en

- een geldbedrag van 94.950 euro, welk geldbedrag van de rekening t.n.v. [naam BV 1] met rekeningnummer [rekeningnummer 1] vervolgens is overgemaakt naar de rekening t.n.v. [naam BV 2] met rekeningnummer [rekeningnummer 2] (te weten een geldbedrag van 39.950 euro) en/of naar de rekening t.n.v. [naam BV 3] met rekeningnummer [rekeningnummer 3] (te weten een geldbedrag van 55.000 euro);

op 7 januari 2015

- een geldbedrag van in totaal 88.000 euro, welk geldbedrag contant gestort is op de rekening t.n.v. [naam BV 1] met rekeningnummer [rekeningnummer 1] en

- een geldbedrag van in totaal 88.000 euro, welk geldbedrag van de rekening t.n.v. [naam BV 1] met rekeningnummer [rekeningnummer 1] vervolgens is overgemaakt naar de rekening t.n.v. [naam BV 2] met rekeningnummer [rekeningnummer 2] (te weten een geldbedrag van 55.000 euro) en/of naar de rekening t.n.v. [naam BV 3] met rekeningnummer [rekeningnummer 3] (te weten een geldbedrag van 33.000 euro);

- op 7 januari 2015 een geldbedrag van in totaal 10.000 euro, welk geldbedrag contant is gestort op de rekening t.n.v. [naam bedrijf] met rekeningnummer [rekeningnummer 5] ;

- op 7 januari 2015 een geldbedrag van in totaal 10.000 euro (aangetroffen bij de aanhouding van verdachte);

- op 7 januari 2015 een geldbedrag van in totaal 50.000 euro (aangetroffen in de auto van verdachte);

zulks terwijl hij en zijn mededader wisten, dat die voorwerpen - geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.

De rechtbank beschouwt “de rekening t.n.v. [naam BV 2] met rekeningnummer [rekeningnummer 4] ” als een kennelijke verschrijving van [rekeningnummer 2] en leest dit verbeterd. In het licht van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is er geen enkele twijfel geweest over welke rekening het betrof. Door verbeterde lezing van het rekeningnummer wordt verdachte dan ook niet in zijn verdediging geschaad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten

In deze zaak is er geen concrete aanleiding om te denken dat de gelden die verdachte voorhanden heeft gehad uit zijn eigen misdrijf zouden zijn verkregen. De rechtbank acht de kwalificatie-uitsluitingsgrond (ook ten aanzien van het bedrag van € 10.000,- in de zak van verdachte) niet van toepassing.

De bewezen geachte feiten zijn dan ook volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Strafoplegging

Verdachte heeft zich meerdere keren schuldig gemaakt aan medeplegen van witwassen. Immers heeft hij tweemaal samen met [medeverdachte] en tweemaal alleen grote contante geldbedragen gestort (en vervolgens overgeboekt) of in bezit gehad. Op die manier is bijna vier ton euro witgewassen.

8.1.

Strafeis en strafmaatverweer

Het Openbaar Ministerie heeft gevorderd dat verdachte voor het door hem bewezen geachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van veertien maanden.

De verdediging heeft verzocht – bij enige bewezenverklaring – aan verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, omdat dit de voortzetting van zijn overgebleven onderneming zal doorkruisen. Met een taakstraf en/of voorwaardelijke gevangenisstraf is verdachte voldoende gestraft, aldus de raadsman.

8.2.

Overwegingen van de rechtbank

De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf allereerst gekeken naar de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is gepleegd. Witwassen is een zeer ernstig feit omdat daarmee het (vertrouwen in het) economisch verkeer wordt geschaad en omdat het bijdraagt aan de instandhouding van criminaliteit. Witwassen dekt namelijk onderliggende strafbare feiten af en realiseert de mogelijkheid van geldelijke beloning voor die strafbare feiten.

Er is geen specifiek LOVS-oriëntatiepunt met betrekking tot witwassen oriëntatiepunt Fraude is van toepassing verklaard op witwassen, indien dit in een frauduleuze context heeft plaatsgevonden. Hoewel bij witwassen niet (direct) kan worden gesproken van een benadelingsbedrag zoals bij fraudedelicten, ziet de rechtbank toch aanleiding om aan te haken bij het oriëntatiepunt Fraude. Witwassen wordt immers, net als fraudedelicten, ernstiger en stafwaardiger naarmate de bedragen waar het om gaat hoger worden, en de maximale strafbedreiging op witwassen (ten tijde van het bewezen verklaarde vier dan wel zes jaar) is zelfs hoger dan die bij de meeste fraudedelicten (bijvoorbeeld vier jaar bij oplichting, verduistering in dienstbetrekking, en schending van de plicht tot gegevensverstrekking aan uitkeringsinstanties). De gedachte dat de als uitganspunt op te leggen straffen voor het witwassen van een geldbedrag en het door fraude verkrijgen van hetzelfde geldbedrag in dezelfde orde van grootte moeten liggen, vindt ook steun in de praktijk in Engeland, waar een gedetailleerd systeem aan straftoemetingsrichtlijnen bestaat, en de tabellen met de als uitgangspunt op te leggen straffen voor witwassen en fraude identiek zijn, voor zover de bedragen overeenstemmen.

In het geval van verdachte, die zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het witwassen van ruim 400.000 euro, is op basis van het LOVS-oriëntatiepunt Fraude als uitgangspunt een straf in de orde van grootte van 16 maanden geïndiceerd.

Er is sprake van strafverzwarende omstandigheden. Verdachte heeft niet enkel zijn bedrijf laten gebruiken door [medeverdachte] , maar is zelf ook direct betrokken geweest bij het storten van bundels crimineel geld. Verder is van belang dat ondanks dat het strafbare feit “slechts” een periode van vier dagen besloeg en de rechtbank het bestanddeel gewoonte niet bewezen heeft verklaard, de wijze van handelen (vier dagen achter elkaar, telkens grote bedragen) wel duidt op een min of meer structureel karakter.

Ten slotte zou de proceshouding van verdachte een strafverzwarend effect moeten hebben. Verdachte heeft aanhoudend ontkend en dus geen verantwoordelijkheid genomen voor of inzicht getoond in de strafwaardigheid van zijn handelen. Hoewel op basis van het voorgaande een gevangenisstraf van meer dan 16 maanden in de rede ligt, zal de rechtbank, gegeven de lagere eis, en in het bijzonder gegeven het feit dat verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is vervolgd of veroordeeld, conform de eis van de officier van justitie een gevangenisstraf van veertien maanden opleggen.

Overschrijding van de redelijke termijn

De redelijke termijn van berechting vangt aan vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Gelet op de gang van zaken is dat in dit deze zaak 7 januari 2015, de datum van het eerste verhoor van verdachte. De rechtbank doet uitspraak in deze zaak op 6 maart 2017 ofwel twee jaren en bijna twee maanden na aanvang van de redelijke termijn. De rechtbank acht de overschrijding van de redelijke termijn zo beperkt dat daaraan geen ander gevolg hoeft te worden verbonden dan constatering van de overschrijding.

9 Beslag

Onder verdachte is – blijkens de beslaglijst die ter terechtzitting is overgelegd – het volgende in beslag genomen.

 4905597 4905597 Geld (4x 20) € 80,-

 4905597 4903418 Geld (1500x 20) € 30.000,-

 4905597 4903272 Geld (1000x 20) € 20.000,-

De officier van justitie heeft gevorderd dat een bedrag van € 50.000,- zal worden verbeurd verklaard en dat een bedrag van € 80,- aan verdachte zal worden geretourneerd.

De rechtbank constateert dat alle geldbedragen aan verdachte toebehoren.

Nu het bewezen geachte met betrekking tot de geldbedragen van € 20.000,- en € 30.000,- is begaan, zullen deze worden verbeurd verklaard.

Van het bedrag van € 80,- is niet vast komen te staan dat dit op enigerlei wijze betrokken is bij een strafbaar feit. Dat bedrag dient dan ook aan verdachte te worden geretourneerd.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 33, 33a, 47, 57 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

11 Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5.2. is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 14 (veertien) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Verklaart verbeurd € 30.000,- en € 20.000,- (goednummers 4903418 en 4903272).

Gelast de teruggave van € 80,- (goednummer 4905597) aan [verdachte] .

Heft op het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. N.A.J. Purcell, voorzitter,

mrs. M. Vaandrager en R.K. Pijpers, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. E.R.E. Evans, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 6 maart 2017.