Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:1369

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
07-03-2017
Datum publicatie
27-03-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 6797
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Weigering omgevingsvergunning strijdig gebruik. Verweerder heeft de in bezwaar door eiseres overgelegde rapporten niet bij zijn besluitvorming betrokken omdat deze worden meegenomen bij de vaststelling van het nieuwe bestemmingsplan. Besluit op bezwaar niet zorgvuldig voorbereid en in strijd met artikel 7:11 Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/1550
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 16/6797

uitspraak van de meervoudige kamer van 7 maart 2017 in de zaak tussen

de besloten vennootschap [naam bedrijf] B.V., eiseres 1, en

de besloten vennootschap [naam bedrijf 2] B.V., eiseres 2,

beide statutair gevestigd te Amsterdam, hierna ook eiseressen

(gemachtigde: mr. J. Sinnige),

en

het algemeen bestuur van de bestuurscommissie Oost van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: [naam] LL.B).

Procesverloop

Bij besluit van 24 mei 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het wijzigen van het gebruik op de locatie [adres] te Amsterdam afgewezen.

Eiseressen hebben hiertegen bezwaar gemaakt. Bij besluit van 25 oktober 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Eiseressen hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 10 februari 2017.

Eiseressen zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigde en door [betrokkene 1] , werkzaam bij eiseres 1, en [betrokkene 2] , managing director bij eiseres 2. Eiseressen hebben ook drie deskundigen meegenomen naar de zitting, te weten [de persoon] , [de persoon 2] en [de persoon 3] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Feiten

1.1.

Eiseres 1 is eigenaar van de percelen [adres 1] te Amsterdam. Op deze percelen bevindt zich een bedrijfsgebouw van één bouwlaag met een bruto vloeroppervlak van ongeveer 800 m². De percelen liggen binnen het plangebied van het bestemmingsplan “Cruquius” en hebben de bestemming ‘Bedrijf-2’. Bovendien liggen de percelen binnen de geluidszone van het industrieterrein Cruquius.

1.2.

Eiseres 2 heeft een koopoptie op dit bedrijfsgebouw. Eiseres 2 heeft in 2014 een omgevingsvergunning aangevraagd om in plaats van het huidige bedrijfsgebouw een bedrijfsgebouw op te richten van zeven bouwlagen, waarvan één een ondergrondse parkeerkelder is. Dit bedrijfsgebouw heeft een bruto vloeroppervlak van ongeveer 5000 m². Deze vergunning is op 12 mei 2015 verleend door verweerder en inmiddels onherroepelijk geworden.

1.3.

Op 1 april 2016 heeft eiseres 2 de nu voorliggende aanvraag ingediend. Met deze aanvraag wil eiseres 2 het gebruik van het reeds vergunde bedrijfsgebouw wijzigen in wonen (69,6 %), bedrijven (15,0 %) en parkeren (15,3 %).

1.4.

Op 7 juli 2016 heeft de gemeenteraad van Amsterdam het ontwerpbestemmingsplan “ [naam bestemmingsplan] ” ter inzage gelegd. In dit ontwerp heeft het perceel de bestemming ‘Bedrijf’. Eiseressen hebben hiertegen een zienswijze ingediend.

Belanghebbendheid van eiseressen

2. Eerst moet de rechtbank beoordelen of eiseressen allebei belanghebbende zijn in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)1. De reden hiervan is dat op grond van artikel 8:1, eerste lid, van de Awb alleen een belanghebbende tegen een besluit beroep kan instellen bij de bestuursrechter.

3. Uit uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat de aanvrager om een omgevingsvergunning belanghebbende is bij een beslissing op die aanvraag, tenzij aannemelijk is dat het bouwplan nimmer kan worden verwezenlijkt2. Eiseres 2 heeft de omgevingsvergunning aangevraagd. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat het bouwplan nooit kan worden verwezenlijkt. Dit betekent dat eiseres 2 belanghebbende is bij het primaire besluit en het bestreden besluit.

4. Uit de bewoordingen van de aanvraag blijkt niet dat die mede namens eiseres 1 is ingediend. Eiseres 1 is wel eigenaar van de percelen [adres 1] , maar zij heeft alleen een afgeleid belang bij de geweigerde omgevingsvergunning. Het belang dat eiseres 1 stelt te hebben, is namelijk alleen een financieel belang op grond van de contractuele relatie die zij met eiseres 2 heeft. Dit betekent dat eiseres 1 geen belanghebbende is en dat verweerder het bezwaar van eiseres 1 niet-ontvankelijk had moeten verklaren.

5. De rechtbank verklaart het beroep van eiseres 1 dan ook gegrond en vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij het bezwaar van eiseres 1 ongegrond is verklaard. De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:72, derde lid, onder b, van de Awb zelf in de zaak voorzien door het bezwaar van eiseres 1 alsnog niet-ontvankelijk te verklaren en te bepalen dat haar uitspraak ten aanzien van eiseres 1 in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

Weigering van de omgevingsvergunning

6. Bij het primaire besluit heeft verweerder de gevraagde omgevingsvergunning voor het gebruik van gronden of bouwwerken in afwijking van het geldende bestemmingsplan met toepassing van artikel 2.1, eerste lid, onder c, in samenhang met artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) geweigerd.

7. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd wegens strijd met het geldende bestemmingsplan “Cruquius” en het toekomstige bestemmingsplan “ [naam bestemmingsplan] ”. Op grond van de geldende bestemming ‘Bedrijf-2’ zijn op de locatie [adres] geen woonfuncties toegestaan. Daarnaast ligt de locatie binnen de aanduiding ‘geluidszone - industrieterrein Cruquius’ en zijn de gronden, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het tegengaan van een te hoge geluidsbelasting vanwege het industrieterrein ‘Cruquius’ op geluidsgevoelige gebouwen en terreinen. De in de bezwaarfase door eiseressen overgelegde rapporten van Sweco Nederland B.V. en Peutz B.V. zijn tevens ingediend bij de zienswijze in het kader van het ontwerpbestemmingsplan “ [naam bestemmingsplan] ”. Het onderzoek naar deze rapporten en ook het onderzoek naar de feitelijke geluidsituatie is nog niet afgerond.

8. Volgens eiseres 2 heeft verweerder de in de bezwaarfase overgelegde rapporten ten onrechte niet betrokken in de heroverweging in bezwaar. Het bestreden besluit is om deze reden onzorgvuldig tot stand gekomen. Op de zitting is nog gesteld dat uit de wijze waarop verweerder heeft gekeken naar de rapporten die in bezwaar zijn overgelegd, blijkt dat sprake is van vooringenomenheid. In het bestreden besluit en in het verweerschrift wordt namelijk gesteld dat het bezwaarschrift van 5 juli 2016 circa 200 pagina’s aanvullende informatie bevat, terwijl het onderzoek van Peutz B.V. maar 18 pagina’s bevat.

9.1.

De rechtbank is van oordeel dat het argument van verweerder dat de rapporten van Sweco B.V. en Peutz B.V. worden meegenomen in het geluidsonderzoek voor de vaststelling van het ontwerpbestemmingsplan “ [naam bestemmingsplan] ” de weigering van de gevraagde omgevingsvergunning niet kan onderbouwen. Het klopt dat de gemeenteraad bij de afweging van belangen in het kader van de bestemmingsplanprocedure rekening moet houden met geluidhinder en dat hij in dat kader de rapporten die door eiseressen bij hun zienswijze zijn overgelegd, mee moet nemen. Dat staat echter los van de toetsing in bezwaar van de gevraagde omgevingsvergunning aan het huidige bestemmingsplan en de bestaande geluidscontouren. Omdat eiseres in bezwaar deze rapporten heeft overgelegd en de rapporten van belang zijn voor de beoordeling van de geluidsbelasting, had verweerder deze rapporten ook in het kader van de bezwaarprocedure mee moeten nemen. Dat heeft verweerder niet gedaan.

9.2.

Voor zover verweerder heeft bedoeld te stellen dat er te weinig tijd is geweest om de gevraagde omgevingsvergunning te toetsen aan het bestaande bestemmingsplan en dit voor te leggen aan de Omgevingsdienst, kan dit standpunt niet worden gevolgd. De rapporten van Sweco B.V. en Peutz B.V. van 4 juli 2016 zijn al op 6 juli 2016 door verweerder ontvangen en het bestreden besluit is pas op 25 oktober 2016 genomen. Door verweerder is niet onderbouwd dat de Omgevingsdienst voorafgaand aan het nemen van de beslissing op bezwaar te weinig tijd had om deze rapporten te beoordelen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 7:11, eerste lid, van de Awb, omdat er in bezwaar geen zorgvuldig onderzoek en geen volledige heroverweging heeft plaatsgevonden.

10. Verweerder heeft dus de verkeerde weg gekozen door de rapporten alleen in het kader van de bestemmingsplanprocedure voor te leggen aan de Omgevingsdienst en niet tevens in het kader van het bezwaar tegen de geweigerde omgevingsvergunning. Die onjuiste werkwijze is echter niet voldoende voor de conclusie dat sprake is van enige vooringenomenheid in de besluitvorming van verweerder.

11. De rechtbank verklaart het beroep van eiseres 2 eveneens gegrond en vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:11, eerste lid, van de Awb. De rechtbank ziet geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien en de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen, zoals eiseres 2 heeft gevraagd, omdat het akoestisch onderzoek nog niet is afgerond en omdat daarna nog een belangenafweging door verweerder moet plaatsvinden. De rechtbank ziet evenmin aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen. Dit betekent dat verweerder alsnog een volledige heroverweging moet verrichten en een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. Verweerder moet opnieuw beoordelen of de gevraagde omgevingsvergunning in redelijkheid is geweigerd en daarbij kenbaar de inhoud van de door eiseres overgelegde rapporten betrekken. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken. Vanwege het aantal aspecten dat nog moet worden onderzocht en de nadere besluiten die verweerder nog moet nemen, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een kortere termijn.

12. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt zij dat verweerder aan eiseressen het door hen betaalde griffierecht vergoedt.

13. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseressen gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1). Het verzoek om vergoeding van de gemaakte proceskosten in de bezwaarfase komt niet voor toewijzing in aanmerking, omdat het primaire besluit niet wordt herroepen.3 Verweerder moet bij de nieuwe beslissing op bezwaar tevens het verzoek om vergoeding van de gemaakte deskundigenkosten betrekken.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    verklaart het bezwaar van eiseres 1 niet-ontvankelijk en bepaalt dat deze uitspraak ten aanzien van eiseres 1 in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiseres 2 met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 334,- aan eiseressen te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseressen tot een bedrag van € 990,-

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Schaberg, voorzitter, mr. P.H.A. Knol en mr. B. de Vos, leden, in aanwezigheid van mr. S.M.P. Mulder, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 maart 2017.

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

Wettelijk kader

Artikel 1:2 Awb

1. Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Artikel 3:2 Awb

Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen

Artikel 7:11 Awb

1. Indien het bezwaar ontvankelijk is, vindt op grondslag daarvan een heroverweging van het bestreden besluit plaats.

Artikel 7:15 Awb

2. De kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, worden door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voorzover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

Artikel 8:1 Awb

Een belanghebbende kan tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter.

Artikel 8:72 Awb

De bestuursrechter kan bepalen dat: (…)

b. zijn uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit of het vernietigde gedeelte daarvan.

Artikel 2.1 Wabo

1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit: (…)

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan (…).

Artikel 2.12 Wabo (Externe link)

1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:

a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening: (…)

2°. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen (…).

Artikel 4 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht

Voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, komen in aanmerking:

9. het gebruiken van bouwwerken, eventueel in samenhang met bouwactiviteiten die de bebouwde oppervlakte of het bouwvolume niet vergroten, en van bij die bouwwerken aansluitend terrein, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, het uitsluitend betreft een logiesfunctie voor werknemers of de opvang van asielzoekers of andere categorieën vreemdelingen.

1 Zie de bijlage voor het wettelijk kader dat in deze zaak van toepassing is.

2 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 17 juli 2013, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder nummer ECLI:NL:RVS:2013:375.

3 Artikel 7:15, tweede lid, van de Awb.