Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:1286

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
01-03-2017
Datum publicatie
09-03-2017
Zaaknummer
C/13/608994 / HA ZA 16-537
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaarnemingsovereenkomst kluisje/safeloket. Zorgplicht bank. Overbrenging spullen naar nieuw kluisje. Artikelen 157 lid 2, 159 lid 2 Rv. Deskundigenbericht voorgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/608994 / HA ZA 16-537

Vonnis van 1 maart 2017

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. T. Spronk te Amsterdam,

tegen

de naamloze vennootschap

ABN AMRO BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mr. J.W. Achterberg te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] en de bank genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 20 mei 2016, met producties,

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties,

  • -

    het tussenvonnis van 27 juli 2016,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 12 januari 2017, met de daarin genoemde processtukken.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] huurde vanaf 1992 een safeloket (hierna: kluisje) bij de bank, in het filiaal aan de [adres] (hierna: het filiaal), met nummer [kluisnummer] . [eiser] betaalde maandelijks voor de huur van het kluisje een bedrag van NLG 65,00 (plus NLG 11,38 btw). Tussen 1998 en 2005 is er geen geld afgeschreven van [eiser] rekening voor de huur van het kluisje, vanaf 2005 weer wel.

2.2.

Op de overeenkomst tot bewaarneming die partijen hebben gesloten ten behoeve van de huur van het kluisje (hierna: de bewaarnemingsovereenkomst) zijn de Algemene voorwaarden van de bank (versie 1987) en de Voorwaarden Safeloket van toepassing.

2.3.

Artikel 1 van de Voorwaarden Safeloket luidt, voor zover van belang, als volgt:

“De bank houdt zich tegenover de huurder tot een bedrag van ten hoogste f 50.000,- per geval, per loket aansprakelijk voor alle redelijkerwijs aangetoonde schade -anders dan immateriële schade-welke voor de huurder mocht ontstaan door verlies van of schade aan de in het loket geborgen inhoud (…).”

Artikel 7 van de Voorwaarden Safeloket luidt, voor zover van belang, als volgt:

“Het loket wordt afgesloten door de huurder onder medewerking van de bank en kan slechts door de huurder en de bank gezamenlijk worden geopend.”

Artikel 8 van de Voorwaarden Safeloket luidt als volgt:

“De huurder of diens gemachtigde dient voor elk bezoek aan het loket zijn handtekening te plaatsen op een daartoe bestemde kaart of in een daarvoor bestemd register.”

2.4.

Artikel 2 van de Algemene voorwaarden van de bank (versie 1987) luidt als volgt:

2. Zorgplicht

De bank dient bij de uitvoering van opdrachten van de cliënt en bij de uitvoering van andere overeenkomsten met de cliënt de nodige zorgvuldigheid in acht te nemen en daarbij naar beste vermogen met de belangen van de cliënt rekening te houden. Ook overigens dient de bank in het verkeer met de cliënt de nodige zorgvuldigheid in acht te nemen.

De bank is aansprakelijk indien een tekortkoming in de uitvoering van de hiervoor bedoelde opdrachten en andere overeenkomsten of een tekortkoming in de nakoming van enige ander verplichting jegens de cliënt, te wijten is aan schuld van de bank. Geen van de hierna volgende artikelen kan aan dit beginsel afbreuk doen.”

2.5.

Op 23 januari 1998 is er bij het filiaal ingebroken en is een aantal van de verhuurde kluisjes opengebroken en leeggehaald door de inbrekers.

2.6.

De bank heeft na de inbraak, in de loop van 1998, zowel de kluisjes die door de inbrekers waren opengebroken als de kluisjes die niet waren opengebroken, vervangen door nieuwe kluisjes. In een interne notitie van de bank van 8 mei 1998 staat over het omwisselen van de kluisjes onder meer het volgende:

” (…) Ad 1 Omwisseling safeloketten.

Voor wat betreft de omwisseling van de safeloketten is de status als volgt. Voor gedupeerde klanten zijn nieuwe loketten toegewezen. (overigens nog niet allemaal “ingericht”.) Van de niet gedupeerde klanten zijn 300 loketten omgeruild. Nog ongeveer 400 loketten moeten worden omgewisseld.

Het omwisselen van loketten van niet gedupeerde klanten is nog niet gestructureerd opgepakt. Het aantal spontane aanmeldingen voor omwisseling was voldoende. Thans loopt het aantal spontane omwisselingen terug. Om grip te houden op de doorlooptijd van het totale traject, is het zaak nu klanten actief te gaan benaderen met betrekking tot omwisseling van loketten.

Uitgaande van 16 omwisselingen per dag is daar 5 weken voor nodig.

Daarna blijven dan nog over, klanten die niet reageren en klanten die niet bereikbaar zijn. Voorts zijn er nog in het buitenland woonachtige lokethouders die niet vooreind juni naar Nederland komen,.c.q. wel bereid zijn te komen, mits de Bank de reiskosten betaald.”

2.7.

De inhoud van de kluisjes die niet waren opengebroken is naar nieuwe kluisjes overgebracht. Dit is gebeurd door de huurders van de oude kluisjes zelf ofwel – in de gevallen waarin de huurders zich niet (spontaan of op uitnodiging) hebben gemeld bij de bank – door de bank, in het bijzijn van een notaris. In laatstgenoemde gevallen zijn de kluisjes open geboord (in het bijzijn van een notaris) en is de inhoud ervan overgebracht naar een nieuw kluisje. Dit proces is door de notaris vastgelegd in een proces-verbaal.

2.8.

Het kluisje van [eiser] is ook op enig moment vervangen door een nieuw kluisje, met nummer [kluisnummer] .

2.9.

[eiser] is na 1998 naar Egypte gegaan en heeft daarna deels in Egypte, deels in Nederland verbleven.

2.10.

[eiser] is rondom 2005 weer bij de bank gekomen, voor onder meer het openen van een zakelijke rekening.

2.11.

In 2013 heeft een aantal gesprekken tussen [eiser] en de bank plaatsgevonden over het kluisje van [eiser] . Op 23 mei 2013 heeft de bank het (nieuwe) kluisje van [eiser] in aanwezigheid van [eiser] open geboord. In het kluisje werd niets aangetroffen.

2.12.

Bij brief van 30 juli 2013 heeft de bank gereageerd op een door [eiser] ingediende klacht over zijn kluisje en op een verzoek tot schadevergoeding. De bank heeft het verzoek tot schadevergoeding afgewezen omdat volgens haar het kluisje van [eiser] tijdens de inbraak in het filiaal in januari 1998 niet is opengebroken.

2.13.

[eiser] heeft zich vervolgens gewend tot het Klachteninstituut Financiële Dienstverlening (hierna: KiFiD). Bij brief van 13 september 2013 heeft de Ombudsman van het KiFiD de klacht van [eiser] ongegrond verklaard.

2.14.

Bij brieven van 22 mei 2015, 26 juni 2015 en 14 augustus 2015 heeft [eiser] informatie bij de bank opgevraagd over zowel het oude als het nieuwe kluisje. De bank heeft bij brieven van 2 juni 2015, 3 juli 2015 en 18 augustus 2015 geantwoord en [eiser] bij de brief van 3 juli 2015 een deel van een lijst van niet-gedupeerden gestuurd, waarop de naam van [eiser] voorkomt.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

  • -

    voor recht verklaart dat de bank toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de tussen partijen bestaande dan wel bestaand hebbende bewaarnemingsovereenkomst en dat de bank gehouden is de daaruit voor [eiser] voortvloeiende schade te vergoeden, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet; en

  • -

    de bank veroordeelt tot betaling van de proceskosten.

3.2.

De bank voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[eiser] stelt dat hij schade heeft geleden als gevolg van een tekortkoming van de bank in de nakoming van de bewaarnemingsovereenkomst en schending van de daarmee samenhangende zorgplicht van de bank.

4.2.

Primair stelt [eiser] dat zijn kluisje tijdens de inbraak in het filiaal in 1998 is opengebroken en leeggehaald. De bank heeft niet de nodige maatregelen genomen ter voorkoming van de inbraak in zijn kluisje en de bank heeft nagelaten [eiser] vervolgens te compenseren voor de waardevolle spullen die uit zijn kluisje zijn gestolen. Andere gedupeerden hebben destijds wel een vergoeding van de bank ontvangen. [eiser] stelt dat hij in zijn kluisje spullen had liggen met een hoge waarde, waaronder een paar horloges, contant geld, diamanten en bewijzen van koopopties voor door hem in Egypte gehuurde grond. Hij stelt dat hij in 1998 na de inbraak een brief van de bank heeft ontvangen met de mededeling dat zijn kluis was opengebroken en dat hij vervolgens een gesprek met de bank heeft gehad om een oplossing te bespreken. De brief heeft hij in 1998 aan de bank gegeven. Na 1998, tot 2013, heeft hij echter nooit meer iets van de bank gehoord over de diefstal, aldus steeds [eiser] .

4.3.

De bank heeft gemotiveerd betwist dat het kluisje van [eiser] is opengebroken en leeggeroofd tijdens de inbraak in het filiaal in 1998. De bank heeft een overzicht overgelegd waarop alle niet-gedupeerde kluishuurders, dat wil zeggen de huurders van wie de kluisjes niet zijn opengebroken tijdens de inbraak, staan vermeld en daarop staan ook de naam en het kluisnummer van [eiser] . De bank heeft voorts betwist dat er in 1998 een brief naar [eiser] is gestuurd waarin staat dat zijn kluisje was opengebroken en de bank heeft betwist dat er een gesprek met [eiser] heeft plaatsgevonden over een oplossing. [eiser] is in 1998 wel bij de bank geweest, maar dat was voor het verkrijgen van een nieuw kluisje, dat hij later dat jaar nogmaals heeft bezocht, aldus de bank. [eiser] heeft hier vervolgens niets tegenovergesteld, terwijl dat wel op zijn weg had gelegen. Zo heeft hij bijvoorbeeld niet een proces-verbaal van aangifte van de diefstal overgelegd of de door hem genoemde brief van de bank. De stelling van [eiser] dat hij de bewuste brief in 1998 aan de bank heeft gegeven, wordt weersproken door de bank die – zoals hierboven al is vermeld – betwist een dergelijke brief te hebben gestuurd aan [eiser] . De rechtbank zal, nu [eiser] zijn stellingen onvoldoende nader heeft onderbouwd, in de verdere beoordeling dan ook als vaststaand aannemen dat, zoals de bank heeft aangevoerd, het kluisje van [eiser] niet is opengebroken en leeggeroofd tijdens de inbraak in het filiaal in 1998 alsmede dat er in dat jaar geen gesprek met de bank heeft plaatsgehad om een oplossing te vinden voor de door [eiser] gestelde schade.

4.4.

[eiser] stelt subsidiair dat hij er pas in 2013 achter kwam dat hij een nieuw kluisje had, namelijk op het moment dat het kluisje in zijn bijzijn werd open geboord, alsmede dat hij toen pas ontdekte dat hij schade had doordat alles uit zijn kluisje was verdwenen. Hij stelt dat hij in 1998 geen nieuw contract heeft getekend voor het nieuwe kluisje en dat hij vóór 2013 ook nooit bij het nieuwe kluisje is geweest. In de periode 1998-2005 is er geen huur afgeschreven van zijn rekening voor zijn kluisje, dus het is onduidelijk wat er in die periode met zijn kluisje is gebeurd. Hij is in 1998 niet naar zijn kluisje gaan kijken. De bank heeft na de inbraak in het filiaal in 1998 kennelijk op enig moment zijn spullen van zijn oude kluisje naar een nieuw kluisje overgebracht. Dat is onzorgvuldig gegaan, omdat onduidelijk is hoe dat precies is gegaan en omdat is gebleken dat de kluis op 23 mei 2013 leeg was. Daarmee heeft de bank haar zorgplicht geschonden. Tevens heeft de bank als bewaarnemer niet aan haar verplichting tot teruggave van de inhoud van het kluisje voldaan en is daarmee tekortgeschoten in de nakoming van de bewaarnemingsovereenkomst, aldus steeds [eiser] .

4.5.

De bank betwist de stellingen van [eiser] . [eiser] heeft volgens de bank in het kader van het project ‘omwisseling safeloketten en opwaarderen safeloketten’ in 1998 een nieuw kluisje toegewezen gekregen en vervolgens zelf de inhoud van zijn kluisje overgebracht naar het nieuwe kluisje. Hij is na de inbraak in 1998 bij het filiaal langs geweest en heeft op 20 april 1998 een contract getekend voor het nieuwe kluisje en hij heeft toen ook de nieuwe handtekeningenkaart getekend, behorende bij het nieuwe kluisje. Het kluisje van [eiser] komt ook niet voor in het proces-verbaal van de notaris dat is opgemaakt ten tijde van de vervangingsoperatie van de kluisjes. Dat proces-verbaal is immers alleen opgemaakt voor de kluisjes van huurders die zich na de inbraak in het filiaal niet spontaan hebben gemeld en van wie de kluisjes zonder hun aanwezigheid zijn open geboord. Op 3 augustus 1998 is [eiser] nog bij zijn (nieuwe) kluisje geweest, hetgeen blijkt uit de handtekeningenkaart en [eiser] handtekening daarop. Daarna is [eiser] noch de bank meer bij het kluisje geweest, tot mei 2013. Voor zover [eiser] stelt dat de bank niet aan haar teruggaveverplichting heeft voldaan, omdat er in mei 2013 niets in het kluisje van [eiser] bleek te zitten, betwist de bank dat dat een gevolg is van een tekortkoming van de bank. [eiser] heeft immers zelf alles overgebracht naar zijn nieuwe kluisje. De bank heeft in mei 2013 aan haar teruggaveverplichting voldaan; zij heeft immers de inhoud, die nihil was, aan [eiser] overgedragen. De stelling van [eiser] is dat er nog wel iets in de kluis had behoren te zitten, maar hij kan van alles roepen. De bank is er immers niet bij als een huurder kijkt wat er in het kluisje zit, aldus steeds de bank. Subsidiair stelt de bank dat de vordering van [eiser] is verjaard. De verjaringstermijn van artikel 3:310 lid 1 BW is in april, althans in augustus 1998 gaan lopen, aldus de bank. [eiser] was toen al bekend met het lot van de zaken die zich destijds volgens hem in het oude kluisje bevonden en dus ook met de vermeende schade. Hij heeft toen immers een contract afgesloten voor het nieuwe kluisje en hij heeft op 3 augustus 1998 voor het laatst in het kluisje gekeken. [eiser] is wel bij de bank geweest tussen 2005 en 2013 voor andere zaken, maar is toen nooit over het kluisje begonnen. Op het moment van zijn verzoek tot schadevergoeding in 2013 was de verjaringstermijn van vijf jaar ruimschoots verstreken. Tevens heeft [eiser] zijn klachtplicht op grond van artikel 6:89 BW geschonden, omdat hij niet binnen bekwame tijd nadat hij het gebrek heeft ontdekt, heeft geklaagd bij de bank, aldus steeds de bank.

4.6.

De rechtbank overweegt dat zowel voor de beoordeling van het verjaringsverweer van de bank als voor de beoordeling van de stellingen van [eiser] dat sprake is van (kort gezegd) een tekortkoming van de bank, van belang is om vast te stellen of [eiser] wel of niet in 1998 bij de bank is geweest voor een nieuw kluisje en dit kluisje in augustus 1998 heeft bezocht. De bank heeft de stelling van [eiser] dat hij in 1998 niet bij de bank is geweest voor een nieuw kluisje, gemotiveerd betwist door het overleggen van stukken zoals het contract en de handtekeningenkaart met daarop handtekeningen waarvan de bank stelt dat deze door [eiser] op de stukken zijn geplaatst. De bank heeft ter zitting verklaard in het bezit te zijn van de originele exemplaren van deze stukken. Deze stukken kunnen worden aangemerkt als onderhandse akten in de zin van artikel 156 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), die op grond van artikel 157 lid 2 Rv tussen partijen in beginsel dwingend bewijs opleveren. [eiser] heeft echter betwist dat de handtekeningen op deze stukken van hem afkomstig zijn. Hij heeft daarbij onder meer verwezen naar de handtekening op zijn paspoort, die volgens hem duidelijk afwijkt van de handtekeningen op de stukken van de bank. Bovendien stelt hij in april noch in augustus 1998 bij de bank geweest te zijn voor een bezoek aan zijn kluisje. Gelet op de voldoende stellige ontkenning van [eiser] dat de handtekeningen van hem afkomstig zijn, leveren de stukken van de bank – op grond van artikel 159 lid 2 Rv – geen bewijs op, zolang niet bewezen is van wie de ondertekening afkomstig is.

4.7.

De rechtbank acht het gelet op hetgeen hiervoor is overwogen voorshands nodig omtrent de echtheid van de handtekeningen een deskundigenbericht in te winnen. Voordat daartoe wordt overgegaan, zal de rechtbank partijen in de gelegenheid stellen zich uit te laten over de wenselijkheid van een deskundigenbericht, over het aantal en het specialisme van de te benoemen deskundige(n) en over de aan de deskundige(n) voor te leggen vragen. Indien partijen zich wensen uit te laten over de persoon van de te benoemen deskundige(n), dienen zij daarbij aan te geven over welke deskundige(n) zij het eens zijn, dan wel tegen wie zij gemotiveerd bezwaar hebben. De rechtbank zal de zaak hiertoe naar de rol verwijzen.

4.8.

De rechtbank is voorlopig van oordeel dat kan worden volstaan met de benoeming van één deskundige, zijnde een handschriftdeskundige, en dat de navolgende vragen dienen te worden voorgelegd met betrekking tot de eerder genoemde stukken (waarin overigens in plaats van de naam [eiser] de naam [eiser] staat):

  1. Is naar uw oordeel de handtekening onder het kopje “ [eiser] ” op het “safeloket-huurcontract” (productie 3 bij de conclusie van antwoord) afkomstig van [eiser] ?

  2. Is naar uw oordeel de handtekening onder het kopje “Handtekening(en) huurder(s): [eiser] ” op de handtekeningenkaart (productie 5 bij de conclusie van antwoord) afkomstig van [eiser] ?

  3. Is naar uw oordeel de handtekening die is geplaatst naast het (lege) vak “Legitimatiebewijs:” onder het kopje “Handtekening:” op de handtekeningenkaart (productie 5 bij de conclusie van antwoord) afkomstig van [eiser] ?

  4. Is naar uw oordeel de handtekening die is geplaatst naast de datum 3/8/98 onder het kopje “Handtekening:” op de handtekeningenkaart (productie 5 bij de conclusie van antwoord) afkomstig van [eiser] ?

  5. Indien al of niet met volledige zekerheid kan worden vastgesteld of ieder van de hiervoor bedoelde handtekeningen al dan niet van [eiser] afkomstig is, met welke mate van waarschijnlijkheid kan hierover dan een uitspraak worden gedaan? (Zou u uw antwoord voor ieder van de handtekeningen willen toelichten?)

  6. Zijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen waarvan de rechter volgens u kennis dient te nemen bij de verdere beoordeling?

4.9.

De bewijslast voor wat betreft de echtheid van een handtekening rust bij een onderhandse akte op degene die de akte als bewijsstuk gebruikt of zich daarop beroept. Nu de bank zich op de akten beroept, rust op haar de bewijslast. De rechtbank ziet daarom aanleiding om te bepalen dat het voorschot op de kosten van de deskundige(n) door de bank moet worden gedeponeerd.

4.10.

Vooruitlopend op het deskundigenonderzoek luidt het voorlopig oordeel van de rechtbank als volgt.

4.11.

Indien door de rechtbank als vaststaand moet worden beschouwd dat de handtekeningen afkomstig zijn van [eiser] , staat daarmee vast, gelet op het bepaalde in artikel 157 lid 2 Rv, dat [eiser] op 20 april 1998 bij de bank is geweest voor een nieuw kluisje, op die datum een contract voor dat kluisje heeft getekend en eveneens zijn handtekening op die datum op de handtekeningenkaart heeft gezet. Bij gebreke van een voldoende betwisting moet dan ook als vaststaand worden beschouwd dat [eiser] zijn spullen op 20 april 1998 van zijn oude naar het nieuwe kluisje heeft overgebracht en op 3 augustus 1998 het kluisje nog heeft bezocht. Dit betekent dat hij, zoals de bank stelt in het kader van het verjaringsverweer, in 1998 reeds bekend moet zijn geworden met het lot van de spullen die zich destijds, naar hij stelt, in het oude kluisje bevonden. Tussen partijen staat immers vast dat [eiser] – in de periode na 3 augustus 1998 tot 23 mei 2013 toen de bank het (nieuwe) kluisje van [eiser] in aanwezigheid van [eiser] heeft open geboord – niet meer bij het kluisje is geweest, terwijl [eiser] niets heeft aangevoerd waaruit volgt dat het kluisje in de periode na 1998 door een handelen of nalaten dat de bank kan worden toegerekend leeg is geraakt. Als er in 1998 al sprake was van schade aan zijn spullen – als gevolg van de gang van zaken in 1998 bij de bank – had [eiser] dat op dat moment derhalve al kunnen constateren en had [eiser] de verjaring van zijn rechtsvordering tot schadevergoeding moeten stuiten, in ieder geval binnen vijf jaar. Dit heeft hij niet gedaan. Pas in 2013 heeft [eiser] voor het eerst geklaagd. Dit is te laat. Zijn vordering is dan – op grond van artikel 3:310 lid 1 BW – verjaard, en zal om die reden worden afgewezen.

4.12.

Indien door de rechtbank niet als vaststaand kan worden beschouwd dat de handtekeningen afkomstig zijn van [eiser] , komt daarmee niet vast staan dat [eiser] in 1998 zelf de spullen van zijn oude naar zijn nieuwe kluisje heeft overgebracht of de kluis in augustus 1998 nog heeft bezocht. In dat geval slaagt het beroep op verjaring van de bank niet. In dat geval kan immers niet worden vastgesteld dat [eiser] in 1998 al had kunnen constateren dat sprake was van schade aan zijn spullen. Ook is in dat geval de betwisting van de bank van de stellingen van [eiser] over de schending van de zorgplicht en de teruggaveverplichting onvoldoende onderbouwd. Immers, het contract en de handtekeningenkaart kunnen dan niet tot bewijs dienen van de stelling van de bank dat [eiser] zelf de spullen naar het nieuwe kluisje heeft overgebracht. De bank heeft ter zitting verklaard dat het proces-verbaal van de notaris, waaruit zou kunnen blijken dat het kluisje van [eiser] destijds niet is open geboord en dus behoorde tot de kluisjes waarvan de huurder zelf de spullen heeft overgebracht, niet meer kan worden gereproduceerd. Deze onduidelijkheid komt voor rekening en risico van de bank, nu zij op grond van haar zorgplicht de vervangingsoperatie van de kluisjes in 1998 goed had moeten documenteren. In dat geval zal derhalve als vaststaand moeten worden beschouwd dat de bank zelf de spullen van [eiser] uit het oude naar het nieuwe kluisje heeft overgebracht en dat daarbij iets is misgegaan. De bank kon in 2013 als gevolg daarvan toerekenbaar niet aan haar teruggaveverplichting voldoen, zodat de bank in beginsel de door [eiser] geleden schade zal dienen te vergoeden.

4.13.

[eiser] vraagt de rechtbank een veroordeling tot schadevergoeding uit te spreken, op te maken bij staat. Begroting van de schade in een vonnis is in deze zaak echter mogelijk, zodat de rechtbank voornemens is een veroordeling tot schadevergoeding uit te spreken (overeenkomstig het bepaalde in artikel 612 Rv) ingeval [eiser] aanspraak heeft op schadevergoeding. Het voorlopig oordeel van de rechtbank daarover luidt als volgt.

4.14.

Tussen partijen is niet in geschil dat [eiser] vanaf het moment dat hij het kluisje huurde een aantal spullen in zijn kluisje bewaarde. De bank heeft de stelling van [eiser] dat er in 1998 waardevolle zaken in zijn kluisje lagen niet voldoende gemotiveerd weersproken, zodat de rechtbank daarvan uit moet gaan. Op 23 mei 2013 lag er niets meer in het kluisje, zodat aangenomen moet worden dat [eiser] daadwerkelijk schade heeft geleden.

4.15.

[eiser] heeft gesteld dat alleen al het contante geld dat hij vanaf 1992 in het kluisje bewaarde een waarde van NLG 180.000,00 had en dat inmiddels de totale waarde van alle spullen tot in de miljoenen is opgelopen. De bank heeft echter gesteld dat op grond van artikel 1 van de Voorwaarden Safeloket maximaal een bedrag van NLG 50.000,00 kan worden uitgekeerd. De aansprakelijkheidsbeperking heeft onderdeel uitgemaakt van hetgeen ter zitting is besproken en de toepasselijkheid van deze beperking is zijdens [eiser] toen niet (voldoende gemotiveerd) bestreden. Dat betekent dat de rechtbank als vaststaand moet beschouwen dat de in de algemene voorwaarden opgenomen aansprakelijkheidsbeperking geldt. Aan partijen wordt de gelegenheid geboden zich er in hun akte over uit te laten wat dit betekent voor de schade waarvan [eiser] vergoeding vordert.

4.16.

Partijen wordt in overweging gegeven hun aktes (zie onder 4.7, 4.8 en 4.15) zoveel mogelijk tevoren uit te wisselen, zodat zij op elkaars standpunten kunnen reageren.

4.17.

De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 29 maart 2017 voor het nemen van een akte door beide partijen als bedoeld onder 4.7, 4.8 en 4.15, met inachtneming van hetgeen onder 4.16 is overwogen,

5.2.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Korsten - Krijnen, rechter, bijgestaan door mr. J.M. Breimer, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 1 maart 2017.