Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:1274

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
16-02-2017
Datum publicatie
02-03-2017
Zaaknummer
13.751.583-16, 16/5769
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

EAB Roemenië, handhaving uitstel beslissing i.v.m. detentieomstandigheden, uitleg Muršiç (EHRM)

Vastgesteld is dat voor de opgeëiste persoon een reëel risico op onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden bestaat bij overlevering naar Roemenië, specifiek de gevangenis in Codlea. Het sterke vermoeden van onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden kan ingevolge Muršiç v. Croatia (EHRM) normaal gesproken enkel worden weerlegd wanneer overige factoren cumulatief – en dus niet in samenhang – aanwezig zijn. De factor of de periode die de gedetineerde in de cel doorbrengt voldoende kort, incidenteel en beperkt is, ziet op de gehele duur van de detentieperiode in de desbetreffende cel, in plaats van de duur van het verblijf op cel per etmaal. De overlevering van de opgeëiste persoon wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van vier jaren, waarbij hij na een vijfde van zijn straf naar de gevangenis in Codlea zou kunnen worden overgeplaatst. Alleen al om die reden is het sterke vermoeden van een schending van artikel 4 Handvest niet weerlegd. De rechtbank handhaaft de uitstel van de beslissing over de overlevering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13.751.583-16

RK nummer: 16/5769

Datum uitspraak: 16 februari 2017

BESLISSING TOT HANDHAVING UITSTELBESLISSING

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 23 augustus 2016 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 1 juni 2016 door de Rechtbank Zărneşti (Roemenië) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] (Roemenië) op [geboortedatum] 1989,

zonder vaste woon of verblijfplaats in Nederland,

thans gedetineerd in het [detentie adres] ,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is eerst behandeld op de openbare zitting van 20 oktober 2016. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. J.J.M. Asbroek. De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman mr. H.W. van Eeuwijk, advocaat te ’s-Gravenhage, en door een tolk in de Roemeense taal.

De rechtbank heeft op de zitting van 20 oktober 2016 de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak zou moeten doen met dertig dagen verlengd. De reden hiervan is gelegen in het feit dat de rechtbank er niet in slaagt binnen de in de wet bepaalde termijn uitspraak te doen.

Bij tussenuitspraak van 27 oktober 2016 heeft de rechtbank het onderzoek heropend, teneinde bij de uitvaardigende justitiële autoriteit aanvullende informatie op te laten vragen.

Op de zitting van 10 november 2016 heeft de rechtbank de behandeling voortgezet in aanwezigheid van de officier van justitie mr . R. Vorrink en de opgeëiste persoon. De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door een tolk in de Roemeense taal. De raadsman is niet verschenen. Een door hem ingediend verzoek tot aanhouding werd gemotiveerd afgewezen.

De rechtbank heeft bij tussenuitspraak van 10 november 2016 geconcludeerd dat de weigeringsgrond van artikel 12 van de OLW niet van toepassing is en dat er is voldaan aan het vereiste van dubbele strafbaarheid. Voorts heeft zij de beslissing over de overlevering uitgesteld en het onderzoek ter terechtzitting geschorst.

Op de zitting van 16 februari 2017 heeft de rechtbank de behandeling voortgezet in aanwezigheid van de officier van justitie mr. U.E.A. Weitzel, de opgeëiste persoon en diens raadsman, mr. H.W. van Eeuwijk. De opgeëiste persoon heeft zich tevens doen bijstaan door een tolk in de Roemeense taal.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Roemeense nationaliteit heeft.

3.1

Detentieomstandigheden in Roemenië: verloop tot nu toe

In haar tussenuitspraak van 27 oktober 2016 heeft de rechtbank vastgesteld dat er vanwege de algemene detentieomstandigheden in Roemenië, met name vanwege overbevolking in de gevangenissen, een reëel risico bestaat op een onmenselijke of vernederende behandeling, zoals bedoeld in artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest).

De naar aanleiding van de tussenuitspraak van 27 oktober 2016 gecorrigeerde vertaling van de brief van 18 september 2016 van de Roemeense justitiële autoriteiten houdt onder meer in dat de opgeëiste persoon eerst in de gevangenis in Rahova zal worden geplaatst gedurende een quarantaineperiode van 21 dagen. Vervolgens zal de opgeëiste persoon waarschijnlijk worden geplaatst in de gevangenis in Margineni in het ‘secure care’ regime.

Ten aanzien van deze twee gevangenissen heeft de rechtbank bij tussenuitspraak van 10 november 2016 geconstateerd dat uit informatie van de Roemeense autoriteiten blijkt dat de opgeëiste persoon in deze inrichtingen ten minste 3 m2 “personal space” ter beschikking zal staan en dat niet gebleken is van bijkomende ‘inappropriate physical conditions of detention’ die meebrengen dat het verblijf in een meermanscel waarin de opgeëiste persoon tussen 3 m2 en 4 m2 ter beschikking staat, een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 Handvest zou opleveren.

Uit de brief van 18 september 2016 bleek voorts dat de opgeëiste persoon na minimaal één vijfde van zijn straf te hebben ondergaan, in aanmerking kan komen voor plaatsing in een gevangenis met een ‘open care’ of ‘part release’ regime. Als de opgeëiste persoon inderdaad in een dergelijk regime wordt geplaatst, dan zal hij de straf waarschijnlijk in de gevangenis in Codlea ondergaan. In die gevangenis zal hem dan ten minste 2 m2 ‘personal space’ (persoonlijke ruimte) ter beschikking staan.

Gelet op artikel 52, derde lid, van het Handvest, moeten onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden in de zin van artikel 3 van het EVRM tevens als onmenselijk of vernederend in de zin van artikel 4 van het Handvest worden beschouwd.

Zoals in de tussenuitspraak van 10 november 2016 reeds is vermeld, hanteert het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) als minimummaatstaf bij de toetsing aan artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) een persoonlijke ruimte danwel ‘floor space’ (vloeroppervlakte) van 3 m2 per gedetineerde in geval van een meerpersoonscel.

Bij de tussenuitspraak van 10 november 2016 heeft de rechtbank voorts overwogen dat nu de opgeëiste persoon in de gevangenis in Codlea minder dan 3 m2 persoonlijke ruimte ter beschikking zal staan, ingevolge het arrest van de Grote Kamer van het EHRM van 20 oktober 2016, nr. 7334/13, Muršić v. Croatia, par. 124, een ‘strong presumption’ (sterk vermoeden) bestaat dat de opgeëiste persoon aldaar onder onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden zal verblijven.

Verder heeft het EHRM in par. 132 van datzelfde arrest overwogen dat dit vermoeden normaal gesproken enkel kan worden weerlegd wanneer de volgende factoren cumulatief aanwezig zijn. Deze factoren betreffen – kort gezegd – de volgende:

  1. ‘short, occasional and minor reductions of personal space’;

  2. ‘sufficient freedom of movement outside the cell and adequate out-of-cell activities’;

  3. ‘confinement in what is, when viewed generally, an appropriate detention facility’.

In voornoemde tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat er onvoldoende informatie beschikbaar was op basis waarvan kon worden vastgesteld dat deze factoren cumulatief aanwezig zijn. De rechtbank heeft daarom geconcludeerd dat voor de opgeëiste persoon een reëel risico op onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden bestaat en gelet daarop de beslissing over de overlevering uitgesteld.

3.2

Detentieomstandigheden in Roemenië: huidige stand van zaken

Naar aanleiding van de tussenuitspraak van 10 november 2016, heeft het Internationaal Rechtshulp Centrum (hierna: IRC) namens de officier van justitie op 12 december 2016 en op 13 februari 2017 nadere informatie opgevraagd bij de Roemeense justitiële autoriteiten. De rechtbank merkt op dat het IRC in haar vraagstelling aan de Roemeense justitiële autoriteiten onder meer en met name heeft geïnformeerd naar de tijdsduur die – per etmaal – in de cel door de opgeëiste persoon moet worden doorgebracht.

De Roemeense justitiële autoriteiten hebben op 3 januari 2017, 7 februari 2017 en 14 februari 2017 nadere informatie verstrekt, waarbij zij vooral zijn ingegaan op de bewegingsvrijheid en activiteiten buiten de cel en de fysieke omstandigheden in de cel. Ten aanzien van de duur die in de cel wordt doorgebracht, is vermeld dat de gedetineerden vanaf 17.30 uur tot 8.00 uur ’s ochtends in de cel doorbrengen.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich ter terechtzitting op het standpunt gesteld dat er ten aanzien van de gevangenis in Codlea, gelet op het feit dat de volgens het EHRM minimaal vereiste oppervlakte aan persoonlijke ruimte niet is geboden, sprake is van een sterk vermoeden van een schending van artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. Of dit vermoeden kan worden weerlegd door de aanwezigheid van voldoende compenserende factoren, is nog onvoldoende duidelijk. Daarbij wijst de officier van justitie op de laatste informatie op basis waarvan moet worden vastgesteld dat de gedetineerden vanaf het avondeten tot de ochtend in de cel doorbrengen. De officier van justitie heeft opgemerkt dat Roemenië tegelijkertijd concrete stappen zet om de detentieomstandigheden in Roemenië te verbeteren, waarvan binnen redelijke tijd resultaten te verwachten zijn. De officier van justitie heeft in dat verband gewezen op het plan om binnen afzienbare tijd 80 extra plaatsen binnen Codlea te realiseren. Het zou kunnen dat de opgeëiste persoon, tegen de tijd dat hij in Codlea terecht komt, een grotere vloeroppervlakte tot zijn beschikking heeft. De officier van justitie heeft de rechtbank daarom verzocht de beslissing over de overlevering opnieuw uit te stellen, om met de Roemeense justitiële autoriteiten te kunnen spreken over om algemene verbeteringen in de detentieomstandigheden, en toezeggingen in deze concrete zaak.

De officier van justitie heeft naar aanleiding van de ter terechtzitting gestelde vragen van de rechtbank aangevoerd dat de in par. 132 van Muršić v. Croatia genoemde eerste factor, gelet op de tussenuitspraak, moet worden bekeken in het licht van de ‘general appropriateness’ als bedoeld in de derde factor. Daarbij wijst de officier van justitie op de omstandigheid dat de opgeëiste persoon in dit concrete geval juist in een regime met meer vrijheid terecht komt, welke standaard onderdeel is van het ‘uitfaseren’ naar resocialisatie.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft erop gewezen dat er in de zaak van de opgeëiste persoon nog steeds niet voldoende toezeggingen zijn gedaan door de Roemeense justitiële autoriteiten. De verdediging vraagt zich af of het opnieuw opvragen van nadere informatie in dit geval wel een garantie in een onafhankelijke rapportage oplevert. Volgens de raadsman is de redelijke termijn inmiddels overschreden.

Overwegingen van de rechtbank

Allereerst overweegt de rechtbank dat, anders dat de officier van justitie heeft geconcludeerd (en op grond van de tussenuitspraak van 10 november 2016 zou kunnen worden aangenomen), de beoordeling van de aanwezigheid van de in par. 132 van Muršić v. Croatia genoemde eerste factor niet afhangt van de beoordeling van de tweede of de derde factor. Immers, in par. 132 van Muršiç v. Croatia heeft het EHRM het volgende overwogen:

“In the Court’s view, the strong presumption of a violation of Article 3 arising from the allocation of less than 3 sq. m in multi-occupancy accommodation will normally be capable of being rebutted only where the requirements are cumulatively met, namely where short, occasional and minor reductions of personal space are accompanied by sufficient freedom of movement outside the cell and adequate out-of-cell activities and confinement in what is, when viewed generally, an appropriate detention facility (...).”

De rechtbank oordeelt dat deze rechtsoverweging niet anders is te lezen dan dat sprake is van drie afzonderlijke factoren en dat het sterke vermoeden van onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden normaal gesproken enkel kan worden weerlegd wanneer deze factoren cumulatief aanwezig zijn. Of de periode die de gedetineerde in de cel doorbrengt voldoende beperkt blijft (factor 1) is een andere factor dan - en hangt dus in beginsel niet af van bijvoorbeeld - de mate van vrijheid van beweging buiten de cel (factor 2).

Voorts overweegt de rechtbank dat, anders dat de officier van justitie heeft aangevoerd (en op grond van de tussenuitspraak van 10 november 2016 zou kunnen worden aangenomen), de eerste factor niet ziet op de duur die de opgeëiste persoon per etmaal zou doorbrengen in de cel. Het EHRM heeft in par. 130 van Muršiç v. Croatia het volgende overwogen:

“(...) the length of a detention period (...), a relevant factor in assessing the gravity of suffering or humiliation caused to a detainee by the inadequate conditions of his or her detention, the relative brevity of such a period alone will not automatically remove the treatment complained of from the scope of Article 3 if other elements are sufficient to bring it within the scope of that provision.”

Het EHRM concludeerde vervolgens dat de periode van 27 aaneengesloten dagen dat de desbetreffende klager 2,62 m2 persoonlijke ruimte tot zijn beschikking had, geen ‘short and minor reduction in the required personal space’ betreft en als zodanig geen afbreuk kan doen aan het sterke vermoeden dat sprake is van een schending van artikel 3 van het EVRM. Het EHRM oordeelde dat gelet daarop, de klager gedurende deze periode is blootgesteld aan een onmenselijke behandeling in de zin van die bepaling. Aan het beoordelen van de overige factoren kwam het EHRM voor wat betreft die periode niet meer toe.

De rechtbank merkt op dat als aan één van de factoren niet is voldaan, volgens het EHRM klaarblijkelijk geen afbreuk meer kan worden gedaan aan het sterke vermoeden dat sprake is van schending van artikel 3 van het EVRM. De rechtbank beschouwt die omstandigheid als een nadere bevestiging dat cumulatief aan de afzonderlijke factoren moet worden voldaan.

Het EHRM beschouwde voorts dat periodes van respectievelijk 1 tot 8 dagen die de desbetreffende klager op oppervlaktes van 2,55 tot 2,62 m2 moest doorbrengen, wel als beperkt genoeg waren om het sterke vermoeden van een schending van artikel 3 van het EVRM mogelijk te weerspreken. Het EHRM kwam, na een beschouwing van de twee andere factoren, tot de conclusie dat de klager gedurende die periodes niet is blootgesteld aan een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM.

Het EHRM heeft in Muršiç v. Croatia, alsook in andere arresten, dus telkens overwogen hoeveel dagen de klager in een cel met beperkte persoonlijke ruimte verbleef. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt daaruit duidelijk dat de beoordeling onder de eerste factor – of de periode die de gedetineerde in de cel doorbrengt voldoende kort, incidenteel en beperkt is – ziet op de gehele duur van de detentieperiode in de desbetreffende cel, in plaats van de duur van het verblijf op cel per etmaal (zie in deze zin reeds Rb. Amsterdam 26 januari 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:414; Rb. Amsterdam 31 januari 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:837).

In dit verband wijst de rechtbank op de omstandigheid dat de overlevering van de opgeëiste persoon wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van vier jaren en dat hij na een vijfde van zijn straf te hebben ondergaan naar de gevangenis in Codlea zou kunnen worden overgeplaatst.

Alleen al om die reden is het sterke vermoeden van een schending van artikel 4 Handvest niet weerlegd.

Conclusie van de rechtbank

Overeenkomstig de standpunten van de officier van justitie en de verdediging, concludeert de rechtbank dat gelet op het voorgaande de informatie die op dit moment beschikbaar is, thans het sterke vermoeden van een schending van artikel 4 Handvest niet weerlegt. Derhalve is niet uitgesloten dat de opgeëiste persoon een reëel risico loopt op een vernederende of onmenselijke behandeling is zoals bedoeld in artikel 4 van het Handvest.

Het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ) heeft Kaderbesluit 2002/584/JBZ inzake het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten zo uitgelegd, dat de uitvoerende justitiële autoriteit in een dergelijk geval de beslissing over de tenuitvoerlegging moet uitstellen, totdat zij aanvullende gegevens verkrijgt op grond waarvan zij het bestaan van een dergelijk gevaar kan uitsluiten (Aranyosi en Câldâraru, 5 april 2016, C-404/15 en C-659/15 PPU, ECLI:EU:C:2016:198, punt 98). Bovendien volgt uit het arrest dat weigering van de overlevering vanwege een reëel gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling niet is toegestaan, dat het HvJ de omstandigheid dat sprake is van zo een reëel gevaar als een omstandigheid ziet die – in beginsel – van tijdelijke aard is en dat daarom aan de uitvaardigende lidstaat een redelijke termijn moet worden gegund om dat gevaar weg te nemen. De rechtbank is van oordeel dat die aanvullende gegevens tot op heden niet in haar bezit zijn. De in de tussenuitspraak van 10 november 2016 beslissing tot uitstel van beslissing over de overlevering zal dus worden gehandhaafd. Overigens is de rechtbank van oordeel dat de redelijke termijn waarbinnen voornoemde aanvullende gegevens moeten zijn verstrekt nog niet is verstreken.

Het voorgaande brengt mee dat de beslistermijnen als bedoeld in artikel 22 van de OLW geschorst blijven. De rechtbank wijst erop dat zij gedurende de periode van schorsing van de beslistermijnen ambtshalve, op vordering van de officier van justitie of op verzoek van de opgeëiste persoon de noodzaak van het voortduren van de overleveringsdetentie blijft toetsen (artikel 21, achtste lid, jo. artikel 64, eerste lid, van de OLW).

7 Beslissing

HANDHAAFT de beslissing tot UITSTEL van de beslissing over de overlevering.

Aldus gedaan door

mr. H.P. Kijlstra, voorzitter,

mrs. R.A.J. Hübel en A.K. Glerum, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C.E. van Diepen, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 16 februari 2017.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze tussenuitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.