Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:1223

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
15-03-2017
Datum publicatie
20-03-2017
Zaaknummer
C/13/616864 / HA ZA 16-1043
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vervoersovereenkomst met postkoerier. Onmiddellijke beëindiging wegens beschuldiging verduistering goederen.

Vordering (im)materiële schadevergoeding ogv wanprestatie en onrechtmatige daad.

Verjaring vordering ogv wanprestatie ex art. 8:1711 jo 1716 BW.

Aangifte bij politie niet onrechtmatig. Opname in intern registratiesysteem evenmin.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2017/77
AR 2017/1418
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/616864 / HA ZA 16-1043

Vonnis van 15 maart 2017

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [plaats] ,

eiser,

advocaat mr. M.J. op 't Ende te Rotterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

POSTNL PAKKETTEN BENELUX B.V.,

gevestigd te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer,

gedaagde,

advocaat mr. F. Diepraam te Haarlem.

Partijen zullen hierna [eiser] en Postnl genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 14 december 2016 waarbij een comparitie van partijen is bepaald,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 1 februari 2017 en de daarin vermelde stukken,

  • -

    de brief van mr. Diepraam van 7 februari 2017 in reactie op het proces-verbaal.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op 2 november 2006 hebben (een rechtsvoorganger van) Postnl en [eiser] een vervoersovereenkomst voor onbepaalde tijd gesloten (hierna: de overeenkomst).

2.2.

Artikel 9 van de op de overeenkomst toepasselijke Algemene Voorwaarden (hierna: AV) bepaalt dat alle vorderingen in verband met “de Diensten” verjaren door het enkele verloop van 12 maanden. In artikel 1 AV is “de Dienst” gedefinieerd als binnenlands vervoer van zendingen door Postnl in het kader van door Postnl aangenomen opdrachten van klanten, inclusief alle bijkomende werkzaamheden die noodzakelijk zijn om een opdracht tot vervoer van een klant uit te voeren.

2.3.

Postnl heeft de overeenkomst met onmiddellijke ingang beëindigd op 25 oktober 2012.

2.4.

Bij brief van 26 oktober 2012 heeft Postnl aan [eiser] meegedeeld dat “u per heden wegens ongewenst gedrag bent opgenomen in het NOR registratiesysteem van Postnl. Deze registratie heeft tot gevolg dat u niet meer werkzaam zult kunnen zijn voor enig onderdeel van Postnl. (…) Reden van registratie: Verduistering.”

2.5.

In een e-mail van 21 november 2012 heeft Postnl aan de raadsman van [eiser] meegedeeld dat Postnl zich tot de onmiddellijke beëindiging van de overeenkomst genoodzaakt zag vanwege “het feit dat uw cliënt het uitvoeren van zijn verplichtingen onder de vervoersovereenkomst niet conform de gemaakte afspraken nakwam. Meer specifiek heeft uw cliënt zich schuldig gemaakt aan het wegnemen van goederen. (…) Tot slot bericht ik u dat Post nl wel aangifte van diefstal bij de politie heeft gedaan”.

2.6.

Bij brief aan Postnl van 16 november 2012 heeft de raadsman van [eiser] betwist dat er een gegronde reden is voor de beëindiging van de overeenkomst.

2.7.

Blijkens een brief van Politie Rotterdam-Rijnmond aan [eiser] van 1 maart 2013 is strafvervolging tegen hem ingesteld wegens verdenking van “verduistering (in dienstbetrekking)”.

2.8.

Blijkens een “Aantekening mondeling vonnis” van rechtbank Rotterdam is [eiser] op 30 juli 2014 door de politierechter vrijgesproken van een strafzaak met [parketnummer] .

2.9.

De raadsman van [eiser] heeft bij brief van 20 april 2015 Postnl aansprakelijk gesteld voor de schade van [eiser] als gevolg van door hem gestelde tekortkomingen en onrechtmatige handelingen van Postnl.

2.10.

Postnl heeft bij brief van 1 mei 2015 deze gestelde aansprakelijkheid van de hand gewezen.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert samengevat -

1.te verklaren voor recht dat Postnl toerekenbaar tekortgeschoten is in de nakoming van haar uit de overeenkomst voortvloeiende verplichtingen, althans dat Postnl onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld;

2.te verklaren voor recht dat Postnl schadeplichtig is jegens [eiser] , en Postnl te veroordelen tot betaling van primair € 90.000 en subsidiair € 52.308,90 voor materiële schade, alsmede € 10.000 voor immateriële schade, vermeerderd met (handels)rente en kosten, alsmede € 7.586,58 aan buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met rente, een en ander met veroordeling van Postnl in de kosten van het geding.

3.2.

[eiser] verwijt Postnl - samengevat - dat zij op grond van onterechte, ongefundeerde en onbewezen beschuldigingen de overeenkomst met onmiddellijke ingang heeft beëindigd, aangifte bij de politie heeft gedaan en hem heeft geregistreerd in haar NOR systeem, waardoor hij materiële en immateriële schade heeft geleden. [eiser] stelt dat hij zich niet schuldig heeft gemaakt aan de hem verweten gedragingen en dat hij daarvan strafrechtelijk is vrijgesproken.

3.3.

Postnl heeft, eerst ter zitting, een verjaringsverweer gevoerd op grond van artikel 9 van de Algemene Voorwaarden van de overeenkomst (AV) en op grond van artikel 8:1711 juncto 8:1716 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Tevens betwist zij de vorderingen inhoudelijk.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De rechtbank merkt voor de goede orde op dat de in het proces-verbaal van comparitie genoemde akte aanvullende producties is overgelegd aan de zijde van gedaagde in plaats van, als vermeld in het proces-verbaal, eiser. De rechtbank verenigt zich met de inhoud van de onder rechtsoverweging (r.o.) 1.1 genoemde brief van mr. Diepraam.

rechtsgrond wanprestatie / verjaringsverweer

4.2.

Allereerst vordert [eiser] schadevergoeding op grond van wanprestatie, te weten de onmiddellijke beëindiging van de overeenkomst op grond van onterechte en ongefundeerde beschuldigingen van het plegen van misdrijven, waarbij bovendien geen rekening is gehouden met enige opzeggingstermijn.

[eiser] heeft ter zitting kennisgenomen van het verjaringsverweer aan de zijde van Postnl en dit verweer vervolgens niet betwist.

De rechtbank is van oordeel dat het verjaringsverweer, anders dan Postnl stelt, niet kan worden gebaseerd op artikel 9 AV. De onderhavige vordering ziet immers niet op “Diensten”, als bedoeld in artikel 9 en 1 AV, maar op de onmiddellijke beëindiging door Postnl van de contractuele relatie tussen Postnl en [eiser] en de door [eiser] gestelde schade als gevolg daarvan.

Wel slaagt het verjaringsverweer op de door Postnl aangevoerde grondslag van artikel 8:1711 juncto 8:1716 BW. De overeenkomst betreft een vervoersovereenkomst ex artikel 8:1710 aanhef, onder a, juncto 8:20 BW. Op grond van genoemde artikelen verjaart de onderhavige vordering door verloop van één jaar, met aanvang van de dag volgende op de dag dat de overeenkomst eindigt. De verjaringstermijn is op basis daarvan dus aangevangen op 26 oktober 2012. Postnl acht de verjaring gestuit bij de brief van 16 november 2012, zie r.o. 2.6. Vervolgens heeft Postnl pas weer voor het eerst van [eiser] vernomen bij brief van 20 april 2015 (r.o. 2.9). Dit betekent dat de stuiting geen effect heeft gesorteerd. De verjaringstermijn is voltooid. Dus is de vordering voor zover gegrond op wanprestatie verjaard.

rechtsgrond onrechtmatige daad

4.3.

Niradjan stelt dat de onmiddellijke beëindiging van de overeenkomst bovendien leidt tot een onrechtmatige daad. Postnl had haar toerekenbare tekortkoming in de nakoming van haar uit de overeenkomst voortvloeiende verplichtingen behoren te vermijden en ook kunnen vermijden doordat haar andere wegen openstonden. Zij had grondiger onderzoek kunnen verrichten naar de feiten en andere mogelijkheden voor de (beweerdelijke) vermissing. Dat heeft Postnl nagelaten, zodat de opzegging zonder opzegtermijn onrechtmatig is en aan haar kan worden toegerekend, waardoor zij schadeplichtig is. Aldus [eiser] , betwist door Postnl.

4.4.

De rechtbank is van oordeel dat indien deze gestelde schending van Postnl’s zorgvuldigheidsplicht zou komen vast te staan, deze tevens een schending oplevert van de in r.o. 4.2. bedoelde nakomingsverplichting van Postnl uit hoofde van de overeenkomst. [eiser] heeft geen gedragingen gesteld die onafhankelijk van de gestelde schending van die verbintenis een onrechtmatige daad opleveren. Hieruit volgt dat de vordering in zoverre wegens gebrek aan zelfstandige onderbouwing faalt.

4.5.

Met betrekking tot de stelling van [eiser] dat de aangifte bij de politie door Postnl onrechtmatig is jegens hem, overweegt de rechtbank als volgt.

Het doen van een strafrechtelijke aangifte kan in beginsel alleen dan jegens de betrokkene onrechtmatig kan zijn als degene die aangifte deed, wist of redelijkerwijze behoorde te weten dat de beschuldiging ongegrond was of als het doen van aangifte wordt gebruikt voor een doel waartoe dit middel niet behoort te strekken of als het door de wijze waarop of de omstandigheden waaronder het wordt gebruikt anderszins onbetamelijk of onzorgvuldig is jegens degene die het betreft.

Postnl heeft, met overlegging van een onderzoeksrapport van haar bedrijfsrecherche, een scanlijst van gescande zendingen met barcode en foto’s van videobeelden, aangevoerd dat een zending met een bepaalde barcode door [eiser] uit de container is gehaald en in zijn autobus is geladen zonder deze te scannen, dat deze zending ook niet voorkomt op de scanlijst, en dat deze zending vervolgens is verdwenen. [eiser] betwist dat deze zending de vermiste zending betrof, dat hij de zending niet heeft gescand en dat hij de (vermiste) zending heeft ontvreemd. [eiser] betwist niet dat hij te zien is op de videobeelden.

In het licht van hetgeen Postnl heeft aangevoerd heeft [eiser] naar het oordeel van de rechtbank te weinig gesteld om te kunnen oordelen dat Postnl ten tijde van het doen van de aangifte wist of redelijkerwijze behoorde te weten dat de beschuldiging ongegrond was. Ook indien aannemelijk is dat [eiser] , zoals hij stelt en Postnl betwist, nadien is vrijgesproken van de onderhavige beschuldiging door de politierechter, doet dit aan dit oordeel niet af. [eiser] heeft ook anderszins in het licht van de gemotiveerde betwisting door Postnl te weinig gesteld om te kunnen vaststellen dat de aangifte door Postnl onrechtmatig jegens hem is geweest. Ook deze onderbouwing van de vordering kan dus niet slagen.

4.6.

Voor zover [eiser] beoogt te stellen dat Postnl onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door de registratie in het NOR systeem van Postnl, overweegt de rechtbank als volgt. Vaststaat dat deze registratie heeft plaatsgevonden na de beëindiging van de overeenkomst. Postnl heeft aangevoerd dat de NOR registratie geen verdergaande consequentie heeft dan dat Postnl in het vervolg geen opdrachten meer aan [eiser] zal verstrekken en hem geen toegang meer tot haar terreinen zal verschaffen, alsmede dat het NOR systeem niet openbaar is en dus voor derden niet toegankelijk.

Onder deze, door [eiser] niet weersproken, omstandigheden, heeft [eiser] naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd dat hij als gevolg van deze registratie in zijn eer en goede naam is aangetast. Ook deze onderbouwing van de vordering faalt derhalve.

conclusie

4.7.

Concluderend bestaat er geen rechtsgrond voor de vorderingen. Bij deze stand van zaken komt de rechtbank aan een verdere beoordeling van de geschilpunten niet toe. De vorderingen zullen integraal worden afgewezen.

4.8.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Postnl worden begroot op:

- griffierecht 3.903,00

- salaris advocaat 2.842,00 (2 punten × tarief € 1.421,00)

Totaal € 6.745,00

4.9.

De nakosten worden ambtshalve begroot en zijn toewijsbaar op de wijze als in het dictum vermeld.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van Postnl tot op heden begroot op € 6.745,00,

5.3.

veroordeelt [eiser] tot betaling van een bedrag van € 131,00 aan nasalaris, te verhogen met een bedrag van € 68,00 onder de voorwaarde dat betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden en [eiser] niet binnen 14 dagen na aanschrijving vrijwillig aan het vonnis heeft voldaan;

5.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.J. van Eekeren en in het openbaar uitgesproken op 15 maart 2017.1

1 type: PJvE coll: FW