Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:1136

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
28-02-2017
Datum publicatie
04-04-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 3301
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bestuursdwang. Fiets is buiten een voor parkeren bestemde voorziening aangetroffen. Fiets is verwijderd en opgeslagen. Begunstigingstermijn van één uur in dit geval niet onredelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 16/3301

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 februari 2017 in de zaak tussen

[de man] , te Amsterdam, eiser

(gemachtigde: [naam gemachtigde] ),

en

het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van het stadsdeel Centrum van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. R. Kramer).

Procesverloop

Bij besluit van 12 november 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder bestuursdwang toegepast door de fiets van eiser te verwijderen.

Bij besluit van 4 april 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 oktober 2016. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om partijen in de gelegenheid te stellen nadere informatie te verschaffen en stukken over te leggen. Bij brief van 12 oktober 2016 heeft verweerder stukken overgelegd. Bij brieven van 21 en 24 oktober 2016 heeft eiser stukken ingezonden en zijn standpunt nader toegelicht. De reactie van verweerder is op 11 november 2016 bij de rechtbank binnengekomen.

Nadat partijen toestemming hebben gegeven als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) om zonder nadere zitting uitspraak te doen, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.1.

De rechtbank merkt allereerst het volgende op. Bij brief van 13 september 2016 heeft de griffier van deze rechtbank eiser meegedeeld dat hij voorlopig van mening is dat eiser voldoet aan de criteria voor betalingsonmacht en dat er vooralsnog wordt afgezien van het heffen van griffierecht. Naar het oordeel van de rechtbank is echter van betalingsonmacht geen sprake. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

1.2.

In het algemeen kan worden aangenomen dat de regeling in het bestuursrecht over heffing van griffierecht, inclusief de thans daarbij behorende bedragen aan griffierecht, van dien aard is dat rechtzoekenden daarmee de toegang tot de rechter niet wordt ontnomen. Er kunnen zich echter gevallen voordoen waarin heffing van het verschuldigde griffierecht het voor de rechtzoekende onmogelijk, althans uiterst moeilijk maakt om gebruik te maken van een door de wet opengestelde rechtsgang. Van de hiervoor bedoelde situatie zal sprake zijn bij een rechtzoekende, zijnde een natuurlijke persoon, die aannemelijk maakt dat - op de datum waarop het griffierecht uiterlijk op de rekening van het gerecht moet zijn bijgeschreven dan wel ter griffie moet zijn gestort - het netto-inkomen waarover hij maandelijks kan beschikken minder bedraagt dan 90% van de voor een alleenstaande geldende (maximale) bijstandsnorm, en voorts dat hij niet beschikt over vermogen waaruit het verschuldigde griffierecht kan worden betaald. In dit verband verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State (de Afdeling) van 18 november 2015, ECLI:NL:RVS: 2015:3650.

1.3.

De rechtbank stelt vast dat eiser, geboren op [geboortedatum] 1998, ten tijde van het instellen van beroep nog geen 18 jaar was en derhalve minderjarig. Op het tijdstip waarop het griffierecht uiterlijk betaald had moeten worden, namelijk 18 augustus 2016, was eiser ook nog minderjarig. Dat betekent dat de ouders van eiser financieel verantwoordelijk zijn. Niet is gebleken, hetgeen ter zitting is bevestigd, dat de ouders het griffierecht niet kunnen betalen. Van betalingsonmacht is dan ook geen sprake. Het griffierecht is inmiddels ook voldaan. Dat eiser ten tijde van de zitting meerderjarig was, leidt niet tot een ander oordeel, nu bepalend is datum waarop het griffierecht uiterlijk op de rekening van het gerecht moet zijn bijgeschreven dan wel ter griffie moet zijn gestort.

2. Uit het dossier blijkt het volgende. Op 12 november 2015 heeft eiser zijn fiets geparkeerd op het [adres] . Volgens de opgemaakte bon heeft een medewerker van het zogenaamde Fietsknipteam geconstateerd dat de fiets van eiser buiten de fietsvoorzieningen was geplaatst. De handhaver heeft om 08.30 uur een sticker op de fiets geplakt. Om 10.36 uur is de fiets verwijderd en meegevoerd naar het fietsdepot.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Dit was ook het advies van de afdeling Juridische Zaken van 29 maart 2016. Verweerder heeft – kort samengevat – overwogen dat de fiets van eiser in strijd met artikel 4.27, vierde lid, in samenhang gelezen met het derde lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) 2008 buiten een voor parkeren bestemde voorziening is aangetroffen, dat de begunstigingstermijn voldoende is om de overtreding op te heffen en dat de fiets van eiser daarom terecht verwijderd is.

4.1.

In artikel 4.27 van de APV 2008 is, voor zover van belang, het volgende bepaald:

1. Het is verboden een fiets, bromfiets of gehandicaptenvoertuig te parkeren als daardoor:

a. op de weg de doorgang wordt gehinderd of belemmerd;

b. de veiligheid of de doorstroming van of het uitzicht voor het verkeer wordt gehinderd;

c. schade ontstaat of;

d. voor een bewoner of gebruiker van het gebouw waartegen of waarvoor de fiets, bromfiets of het gehandicaptenvoertuig staat geparkeerd de doorgang of het uitzicht wordt belemmerd.

(…)

3. Het college kan in het belang van de veiligheid en ter voorkoming van hinder een gebied aanwijzen waarin fietsen of bromfietsen uitsluitend in een daarvoor bestemde voorziening mogen worden geparkeerd.

4. Het is verboden om een fiets of bromfiets in een gebied als bedoeld in het derde lid buiten een voor parkeren bestemde voorziening te plaatsen.

4.2.

Bij besluit van verweerder van 30 juni 2015 is het Leidseplein en omgeving waaronder het [adres] aangewezen als gebied waarin fietsen en bromfietsen uitsluitend in een daarvoor bestemde voorziening mogen worden geparkeerd. Dit verbod geldt van maandag tot en met vrijdag van 08.00 uur tot 18.00 uur. Tevens is dit gebied aangewezen als gebied waarin het verboden is fietsen en bromfietsen langer dan veertien dagen zonder wezenlijke onderbreking te parkeren in de daarvoor bestemde voorzieningen. Het besluit is op 1 juli 2015 in werking getreden.

5. Eiser heeft tegen het toepassen van bestuursdwang diverse beroepsgronden aangevoerd. Ter zitting en ook uit de correspondentie na de beslissing tot schorsing is gebleken dat eiser niet alle beroepsgronden handhaaft. De voornaamste reden hiervoor is dat eiser in ieder geval een oordeel van de rechtbank wil over de duur van de begunstigingstermijn. De rechtbank zal hierna de resterende beroepsgronden van eiser bespreken.

6.1.

Eiser heeft zijn fiets op 12 november 2015 op het [adres] geparkeerd buiten een daarvoor bestemde parkeervoorziening. Er is dan ook, hetgeen ook niet in geschil is, sprake van een overtreding.

6.2.

Voor zover eiser zich nog op het standpunt stelt dat de last onder bestuursdwang niet op een geldige wijze bekend is gemaakt, deelt de rechtbank dit standpunt niet. Op grond van artikel 3:41, eerste lid, van de Awb geschiedt de bekendmaking van besluiten in beginsel door toezending of uitreiking aan een belanghebbende, in dit geval eiser. Indien een besluit niet door toezending of uitreiking kan worden bekendgemaakt, geschiedt bekendmaking ingevolge het tweede lid op een andere geschikte wijze. In een geval als hier aan de orde is de eigenaar van de fiets niet bekend bij de handhaver. Om die reden wordt er een sticker op de fiets geplaatst. Vervolgens heeft verweerder aan eiser bij het ophalen van de fiets de op schrift gestelde beslissing (“kennisgeving besluit”) uitgereikt. De rechtbank ziet, gelet op het dossier en gelet op hetgeen ter zitting is besproken, voorts geen aanleiding om aan te nemen dat deze sticker onduidelijk was. In dit verband wijst de rechtbank mede op de door eiser op 21 oktober 2016 ingezonden foto’s. Uit deze door eiser op 12 november 2015 genomen foto’s blijkt dat ook op andere fietsen een sticker was geplakt, met daarop – onder meer – de tekst “verwijdering”, “stickerdatum” en “Wordt verwijderd v.a.” Uit deze foto’s blijkt ook dat begunstigingstermijn één uur was. Er is geen reden om aan te nemen dat dat in het geval van eiser anders was.

6.3.

Gelet op het algemeen belang dat is gediend met handhaving zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Alleen onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden verlangd dit niet te doen. Verder kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie moet worden afgezien. De rechtbank noemt bij wijze van voorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 5 oktober 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BT6683.

6.4.

Artikel 5:24 van de Awb schrijft voor dat de overtreder zelf in de gelegenheid moet worden gesteld om de overtreding ongedaan te maken. Op grond van artikel 5:31, eerste lid, van de Awb is dit slechts anders indien sprake is van een zodanig spoedeisend geval dat een begunstigingstermijn niet kan worden afgewacht. Niet in geschil dat van dit laatste geen sprake is. Tussen partijen is wel in geschil de duur van de begunstigingstermijn.

6.5.

Eiser heeft in dit verband – kort samengevat – het volgende aangevoerd. Er is sprake van misbruik van bevoegdheid, nu de begunstigingstermijn van één uur uitsluitend dient ter omzeiling van het verbod om een spoedhandhaving. Eiser is voorts van mening dat een termijn van één uur geen reële mogelijkheid biedt om de overtreding ongedaan te maken. Verweerder heeft zijn stelling dat voor het publiek dat het Leidseplein en omgeving bezoekt één uur voldoende zou zijn niet onderbouwd en miskent bovendien dat een groot deel van het verkeer op het Leidseplein onder de noemer woon- werkverkeer valt, waaronder eiser – als scholier – ook valt. Voor dergelijke fietsforensen is een termijn van één uur niet voldoende. Voorts is er een niet verklaarbaar onderscheid tussen fietsen, die langer dan veertien of zes weken zijn gestald in een voorziening. In dat geval bedraagt de termijn immers respectievelijk twee en zeven dagen.

6.6.

Verweerder heeft de gehanteerde begunstigingstermijn als volgt nader toegelicht. Het verplaatsen van een fiets is een eenvoudige, direct te verrichten handeling. De overtreding is dan ook eenvoudig en snel op te heffen. Er is voorts rekening gehouden met de aard van de overtreding en het gebied Leidseplein. Overdag komt het gros van de mensen op het Leidseplein om te winkelen of om een kop koffie te drinken, waarbij de verwachting dat men binnen één uur terug kan zijn reëel is. Gelet op de druk op de openbare ruimte en de aard van het gebied is een begunstigingstermijn van één uur nodig om de toegang tot en de veiligheid van het gebied te waarborgen. Van misbruik van bevoegdheden is dan ook geen sprake. Hierbij neemt verweerder het risico van onjuist bijplaatsen van andere fietsen in acht. Slecht voorbeeld doet slecht volgen. Bij een te lange begunstigingstermijn blijft een onordelijke situatie in stand en zou het aanwijzingsbesluit zijn effect verliezen. De stelling van eiser dat er geen spoedeisend belang was en dat hij geen hinder veroorzaakte kan hem dan ook niet baten.

6.7.

De rechtbank merkt allereerst op dat in het bestreden besluit wordt uitgegaan van een begunstigingstermijn van twee uur. Uit hetgeen besproken is ter zitting heeft de rechtbank begrepen dat daarmee wordt bedoeld dat eiser feitelijk een termijn van twee uur heeft gehad om de fiets te verwijderen. Partijen gaan er echter vanuit dat verweerder een begunstigingstermijn van één uur hanteert.

6.8.

Artikel 5:24, tweede lid, van de Awb verplicht tot het gunnen van een termijn voor het beëindigen van de overtreding. Op grond van zowel de toelichting als de jurisprudentie op deze bepaling dient deze termijn redelijk te zijn. Dit betekent dat de termijn in beginsel niet langer hoeft te zijn dan noodzakelijk om de overtreding ongedaan te maken. Gelet hierop heeft het college beoordelingsruimte bij het bepalen van de lengte van een begunstigingstermijn en staat het hem vrij daar beleidsregels voor op te stellen. Het college heeft in het zogenaamde Handboek handhaving fietsparkeren van 8 maart 2016 de beleidsregels vastgesteld. In dit beleid wordt vermeld dat er sprake is van verschillende begunstigingstermijnen. Voor hinderlijk parkeren en voor parkeren buiten de parkeervoorzieningen in aangewezen gebieden geldt een begunstigingstermijn van één uur. De gemeente handhaaft dit in het belang van de veiligheid en om hinder te voorkomen. De rechtbank acht dit beleid (terughoudend toetsend), gelet op de zich in het dossier bevindende rapporten over de problemen met betrekking tot (brom-) fietsparkeren rondom het Leidseplein van 6 juni 2013 en 3 juni 2013, het verkeersbesluit van 30 juni 2015 en de door verweerder (hiervoor onder 6.6.) gegeven toelichting niet onredelijk. De termijn is weliswaar kort, maar anderzijds is het, gelet op de vele waarschuwingsborden, duidelijk dat er niet buiten de voorziening geparkeerd mag worden. Verweerders standpunt dat een langere begunstigingstermijn ertoe zal leiden dat het aantal foutparkeerders zal toenemen, acht de rechtbank niet onaannemelijk. De rechtbank acht voorts van belang dat, mede gelet op voornoemde rapporten, niet dan wel onvoldoende gebleken is dat de legale stallingsmogelijkheden zo ernstig tekortschieten dat alleen daarom al een langere begunstigingstermijn is aangewezen. Dat eiser door zijn schoolbezoek niet aan de begunstigingstermijn kan voldoen, leidt niet tot een ander oordeel. De vraag of de duur van de begunstigingstermijn voldoende is, zal immers veelal afhangen van het doel van het bezoek aan het Leidseplein en omgeving. Zoals verweerders gemachtigde ter zitting ook heeft aangevoerd kan een begunstigingstermijn in een geval als het onderhavige niet op maat worden gemaakt.

6.9.

De rechtbank merkt voorts nog het volgende op. De overtreding van eiser heeft plaatsgevonden voordat het beleid is vastgesteld. Ten tijde van het toepassen van bestuursdwang was er dan ook geen sprake van beleidsregels in de zin van artikel 1:3, vierde lid, van de Awb. Verweerder heeft verklaard dat in de periode voorafgaand aan de vaststelling van de beleidsregels een proef heeft plaatsgevonden, waarin de begunstigingstermijn, evenals in de later vastgestelde beleidsregels, op één uur is gesteld en dat er in die periode ook daadwerkelijk is gehandhaafd. Verweerder heeft in dit verband verwezen naar de mails van de teamleider Fietsknipteam. Voorheen werden fietsen, gelet op het verbod, direct verwijderd, maar deze besluiten hebben in bezwaar geen stand gehouden omdat van spoedeisend belang geen sprake was, aldus verweerder. Voor zover eiser nog heeft gesteld dat er selectief wordt gehandhaafd, namelijk alleen op buiten de voorziening geplaatste fietsen, heeft verweerder verwezen naar de mail van de (assistent) teamleider Fietsknipteam, waarin deze meedeelt dat in de periode september tot en met november 2015 119 fietsen zijn verwijderd vanwege overtreding van de maximale stallingsduur. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan te nemen dat in de periode hier van belang geen sprake was van een vaste gedragslijn om de begunstigingstermijn van één uur te hanteren en fietsen vervolgens te verwijderen. In dit verband wordt voorts verwezen naar hetgeen hiervoor onder 6.2. is overwogen.

6.10.

Voor zover eiser zich nog op het standpunt stelt dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden, merkt de rechtbank het volgende op. Niet gebleken is dat andere foutief geparkeerde fietsen niet worden verwijderd. In dit verband wijst de rechtbank ook naar hetgeen hiervoor in de laatste volzin van 6.2. is overwogen. Verweerder heeft er op gewezen dat het, gelet op het grote aantal overtredingen, niet altijd en continu mogelijk is om foutief geparkeerde fietsen te verwijderen, maar dit betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat gebleken is dat verweerder in soortgelijke gevallen in het geheel niet handhavend heeft opgetreden. Eiser heeft voorts gesteld dat scooters niet worden verwijderd. Nog daargelaten of er sprake is van vergelijkbare gevallen, is niet gebleken dat verweerder tegen foutief geparkeerde scooters niet handhavend optreedt, nu deze scooters op basis van een verkeersbesluit op kenteken worden bekeurd. Van schending van het gelijkheidsbeginsel is dan ook niet gebleken.

6.11.

Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder in dit geval van bestuursdwang had moeten afzien is niet gebleken. Verweerder heeft dan ook in redelijkheid kunnen besluiten de fiets van eiser te verwijderen.

7. Gelet op het vorenstaande zal het beroep ongegrond worden verklaard. Voor een proceskostenvergoeding of een vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.G. Schoots, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Akbuz, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 februari 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.