Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:10679

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
08-03-2017
Datum publicatie
03-03-2020
Zaaknummer
C/13/584194 / HA ZA 15-331
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Voor zover er al sprake is van onrechtmatig handelen van OPH c.s., kan Topa c.s. als aandeelhouder geen eigen schadevergoedingsactie instellen omdat onvoldoende is gesteld om aan te nemen dat OPH c.s. een specifieke zorgvuldigheidsnorm heeft geschonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OR-Updates.nl 2020-0120
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/584194 / HA ZA 15-331

Vonnis van 8 maart 2017

in de zaak van

1 [eiser sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [eiser sub 2],

wonende te [woonplaats] ,

eisers in conventie,

verweerders in (voorwaardelijke) reconventie,

advocaten mrs. P.D. Olden en F. van Buchem,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

OTIV PRIME HOLDING B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde in conventie,

eiseres in (voorwaardelijke) reconventie,

advocaten mrs. J.W. Leedekerken en P.J. de Jong Schouwenburg,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SOVEREIGN TRUST (NETHERLANDS) B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaten mrs. R.P.J.L. Tjittes en J.C. van Nass.

Eisers in conventie zullen hierna gezamenlijk en in enkelvoud met [eisers] worden aangeduid, gedaagden in conventie met OPH c.s. (en afzonderlijk met OPH en Sovereign).

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het incidentele vonnis van 30 maart 2016,

  • -

    het proces-verbaal van de op 24 november 2016 gehouden comparitie van partijen,

  • -

    de brief van 9 december 2016 van mr. B. Schim (advocaat van [eisers] ), met een reactie op het proces-verbaal.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eisers] was als aandeelhouder dan wel – ingevolge obligatoire afspraken met derden met een aandelenbezit – anderszins gerechtigd tot 100% van de aandelen in de Moldavische vennootschap AVB Prim SRL en tot 54,5% van de aandelen in de Moldavische vennootschap Victoria Asigurari SRL (hierna gezamenlijk de Vennootschappen). De Vennootschappen hielden op hun beurt 5,76% respectievelijk 3,88% van de aandelen in Victoriabank, een Moldavische financiële instelling.

2.2.

V.G. Plahotniuc (hierna: Plahotniuc) is ‘ultimate beneficial owner’ van de groep waarvan OPH deel uitmaakt, de Otiv Groep. Otiv Prime Financial B.V., thans genaamd Generashon Financial B.V. (hierna: Generashon), was een dochtermaatschappij van OPH.

2.3.

Sovereign is een Nederlands trustkantoor en statutair bestuurder van OPH.

2.4.

Het Economisch Gerecht in Moldavië heeft bij uitspraken in 2010 en 2011 geoordeeld dat de aan de (indirecte) verkrijging van de aandelen in onder meer Victoriabank door [eisers] ten grondslag liggende overeenkomsten ongeldig waren. Als gevolg van deze uitspraken is [eisers] zijn indirecte aandelenbelang in dan wel de gerechtigdheid tot

Victoriabank (deels) kwijtgeraakt.

2.5.

Generashon heeft op 11 februari 2011 een aandelenbelang van 26,75% in Victoriabank verkregen en op 24 februari 2011 een aandelenbelang van 81,70% in Victoria Asigurari SRL.

2.6.

Op 15 december 2011 heeft OPH de aandelen in Generashon aan [naam]

verkocht en geleverd voor USD 80 miljoen (hierna: de Nederlandse aandelentransactie).

2.7.

Krachtens verkregen verlof heeft [eisers] ten laste van OPH omstreeks 21 november 2014 conservatoir beslag doen leggen onder ABN AMRO Bank N.V., Staalbankiers N.V., Van Lanschot Bankiers N.V., ING Bank N.V., SNS Bank N.V. en Coöperatieve Rabobank Amsterdam en omstreken U.A.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[eisers] vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

a. te verklaren voor recht dat OPH c.s. inbreuk heeft gemaakt op artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM en/of artikel 5 EVRM, althans op zijn eigendomsrecht;

b. te verklaren voor recht dat OPH c.s. onrechtmatig heeft gehandeld jegens hem;

c. te verklaren voor recht dat OPH c.s. aansprakelijk is voor de daaruit voortvloeiende schade van [eisers] ;

d. veroordeling van OPH c.s. in de door hem geleden schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

e. veroordeling van OPH c.s. in de kosten van deze procedure, inclusief de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.2.

[eisers] legt hieraan ten grondslag dat – samengevat – OPH en (onder meer Plahotniuc) door middel van een samenstel van handelingen, waaronder het beïnvloeden van de rechtsgang in Moldavië en het bewerkstelligen van de Nederlandse aandelentransactie, de hand hebben gehad in de onrechtmatige onteigening van het (indirecte) aandelenbezit van [eisers] in Victoriabank ten faveure van (uiteindelijk) Plahotniuc (hierna: de ‘raider attacks’). Door die handelwijze heeft OPH inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van [eisers] althans opzettelijk middelen aan verhaal onttrokken. Sovereign heeft haar taak als bestuurder van OPH niet juist vervuld door mee te werken aan de Nederlandse aandelentransactie althans haar zorgplicht geschonden. Voornoemde handelwijze van OPH c.s. levert een onrechtmatige daad op jegens [eisers]

3.3.

OPH c.s. voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in (voorwaardelijke) reconventie

3.5.

Onder de voorwaarde dat uit de beslissing in conventie voortvloeit dat [eisers] geen vordering heeft tegen OPH, vordert OPH bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, opheffing van de gelegde beslagen, met hoofdelijke veroordeling van [eisers] in de proceskosten.

4 De beoordeling

in conventie

vordering onder 3.1.a (strijd met EVRM/eigendomsrecht)

4.1.

OPH c.s. heeft aangevoerd dat zij geen enkele bemoeienis heeft gehad met de door [eisers] gestelde gang van zaken in verband met de raider attacks in Moldavië.

Nu [eisers] tegenover deze betwisting zijn stellingen op dit punt niet nader heeft toegelicht of onderbouwd, zal de gevorderde verklaring voor recht dat OPH c.s. in strijd heeft gehandeld met het EVRM dan wel het eigendomsrecht van [eisers] worden afgewezen.

vorderingen onder 3.1.b, 3.1.c en 3.1.d (onrechtmatig handelen/schadevergoeding)

4.2.

Op deze vorderingen is op grond van artikel 3 lid 1 van de Wet Conflictenrecht Onrechtmatige Daad Nederlands recht van toepassing als het recht van de staat op het grondgebied waarvan de onrechtmatige daad heeft plaatsgevonden.

4.3.

OPH c.s. heeft onder meer aangevoerd dat, voor zover er al sprake is van onrechtmatig handelen, de eventueel daardoor ontstane schade niet door [eisers] maar door de Vennootschappen is geleden, zodat [eisers] geen belang heeft bij zijn vordering in de zin van artikel 3:303 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

4.4.

Dit verweer slaagt. Volgens vaste rechtspraak geldt als uitgangspunt dat aandeelhouders in geval van een door een derde jegens de vennootschap gepleegde onrechtmatige daad in beginsel geen eigen vordering tot schadevergoeding tegen die derde geldend kunnen maken indien die schade bestaat uit waardevermindering of waardeloos worden van die aandelen. Die rechtsregel vindt zijn oorsprong in het feit dat vennootschappen, met een van hun aandeelhouders afgescheiden vermogen, zelfstandig deelnemen aan het rechtsverkeer als rechtspersoon met eigen rechten en plichten.

Slechts indien wordt gesteld dat een specifieke zorgvuldigheidsnorm jegens de aandeelhouder in privé door de derde is geschonden, staat in dit soort gevallen een eigen schadevergoedingsactie van de aandeelhouder tegen de derde open. Van schending van een specifieke zorgvuldigheidsnorm jegens een aandeelhouder kan onder meer sprake zijn wanneer de vennootschap schade is berokkend met het vooropgezette doel de aandeelhouder in privé te treffen. Vereist is dan dat er sprake is van een vooropgezet doel, waarbij is beoogd ook de belangen van de aandeelhouder te schaden. De eisende partij kan in zo’n geval niet volstaan met het enkel (in algemene bewoordingen) stellen van onzorgvuldig handelen van die derde. Daartoe dienen bijkomende omstandigheden worden gesteld, zoals het opzet om de aandeelhouder aldus te benadelen (zie HR 2 december 1994, NJ 1995/288 [partijnaam] /ABP en HR 16 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ0419 Tuinbeheer/Houthoff Buruma).

4.5.

Veronderstellenderwijs ervan uitgaande dat er sprake is van onrechtmatig handelen van OPH c.s. jegens de Vennootschappen, kan [eisers] in het licht van het hiervoor onder 4.4 geformuleerde uitgangspunt het door de Vennootschappen geleden nadeel niet als eigen schade vorderen. De stellingen van [eisers] kunnen er hoogstens toe leiden dat hij, gelet op de positie waarin hij zich bevindt ten opzichte van de Vennootschappen, afgeleide schade heeft. Het lag op de weg van [eisers] om in dat geval – bijzondere – feiten en omstandigheden te stellen waaruit volgt dat in het aan OPH c.s. verweten handelen tevens een gedraging is gelegen die specifiek onzorgvuldig was jegens hem als aandeelhouder. In de door [eisers] op dit punt zeer summierlijk toegelichte stellingen, is daarvoor geen aanknopingspunt te vinden. De algemene stelling van [eisers] dat door de handelwijze van OPH c.s. en (onder meer) Plahotniuc de raider attacks tot stand zijn gekomen als gevolg waarvan hij zijn aandelenbelang (deels) is kwijtgeraakt is daartoe onvoldoende. Nu geen bijkomende omstandigheden zijn gesteld, zoals het opzet van OPH c.s. om [eisers] als aandeelhouder in privé te benadelen, kan niet worden aangenomen dat OPH c.s. dusdoende tevens een specifieke zorgvuldigheidsnorm heeft geschonden tegenover [eisers] Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [eisers] geen eigen schadevergoedingsactie tegen OPH c.s. kan instellen. Dit brengt mee dat [eisers] geen belang heeft in de zin van artikel 3:303 BW bij zijn vorderingen onder 3.1.b, 3.1.c, en 3.1.d, zodat die vorderingen worden afgewezen.

4.6.

Ten overvloede overweegt de rechtbank, dat het voorts tenminste de vraag is of de veronderstelling aan het begin van r.o. 4.5. hierboven juist is. Die aanname gaat er immers van uit, dat eventueel onrechtmatig handelen van Plahotniuc zonder meer een onrechtmatige daad van (de Nederlandse vennootschappen) OPH en Sovereign oplevert. De enkele omstandigheid dat Plahotniuc “ultimate beneficial owner” was van OPH is echter onvoldoende om een eventueel opzet van hem aan OPH toe te rekenen, terwijl voor het overige onvoldoende is gesteld om een andere conclusie te dragen.

4.7.

[eisers] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van OPH en Sovereign worden voor ieder van hen begroot op:

- griffierecht € 613,00

- salaris advocaat 904,00 (2,0 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 1.517,00

De nakosten zijn toewijsbaar zoals onder de beslissing is vermeld.

in (voorwaardelijke) reconventie

4.8.

Uit de beslissing in conventie volgt dat de voorwaarde waaronder de reconventionele vordering is ingesteld is vervuld. Verder vloeit daaruit voort dat summierlijk is gebleken van de ondeugdelijkheid van het beslag, zodat de ten laste van OPH gelegde beslagen zullen worden opgeheven als hierna onder de beslissing is vermeld.

4.9.

[eisers] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van OPH worden begroot op € 452,00 (2,0 punten x 0,5 x tarief € 452,00) aan salaris advocaat.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eisers] hoofdelijk in de proceskosten, aan de zijde van OPH tot op heden begroot op € 1.517,00,

5.3.

veroordeelt [eisers] hoofdelijk in de proceskosten, aan de zijde van Sovereign tot op heden begroot op € 1.517,00,

in reconventie

5.4.

heft op het omstreeks 21 november 2014 ten laste van OPH gelegde conservatoir beslag onder ABN AMRO Bank N.V., Staalbankiers N.V., Van Lanschot Bankiers N.V., ING Bank N.V., SNS Bank N.V. en Coöperatieve Rabobank Amsterdam en omstreken U.A.,

5.5.

veroordeelt [eisers] hoofdelijk in de proceskosten, aan de zijde van OPH tot op heden begroot op € 452,00,

in conventie en in reconventie voorts

5.6.

veroordeelt [eisers] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 205,00, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eisers] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.7.

verklaart de kostenveroordelingen en de opheffing van de beslagen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.H. Rombouts, mr. O.J. van Leeuwen en mr. W.M. de Vries, bijgestaan door mr. J.P. van der Stouwe als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 8 maart 2017.