Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:10595

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
18-07-2017
Datum publicatie
08-08-2018
Zaaknummer
13/654224-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Bewezen: voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, door met een schaar in het gezicht van het slachtoffer te slaan. Ontsierende littekens in het gelaat, sprake van zwaar lichamelijk letsel. Beroep op noodweer(exces) verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2018-0640
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/654224-16 (Promis)

Datum uitspraak: 18 juli 2017

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1965,

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres

[BRP-adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 4 juli 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. F. Heus en van wat verdachte en zijn raadsman mr. P. de Korte naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging op de terechtzitting van 4 juli 2017 – ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 09 december 2016 te [plaats delict] , gemeente Ouder-Amstel, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [aangever] van het leven te beroven, met dat opzet voornoemde [aangever] met een schaar, in elk geval een scherp voorwerp, in het gezicht en/of de hals en/of de nek heeft gestoken en/of geslagen en/of gesneden en/of geprikt;

subsidiair:

hij op of omstreeks 09 december 2016 te [plaats delict] , gemeente Ouder-Amstel, in elk geval in Nederland, aan [aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een (diepe) wond aan de (onder)kin), heeft toegebracht, door voornoemde [aangever] met dat opzet met een schaar, in elk geval een scherp voorwerp, in het gezicht en/of de hals en/of de nek te steken en/of te slaan en/of te snijden en/of te prikken;

meer subsidiair:

hij op of omstreeks 9 december 2016 te [plaats delict] , gemeente Ouder-Amstel, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet voornoemde [aangever] met een schaar, in elk geval een scherp voorwerp, in het gezicht en/of de hals en/of de nek heeft gestoken en/of geslagen en/of gesneden en/of geprikt terwijl de uitvoering van het voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meest subsidiair:

hij op of omstreeks 9 december 2016 te [plaats delict] , gemeente Ouder-Amstel, in elk geval in Nederland, opzettelijk mishandelend [aangever] met een schaar, in elk geval een scherp voorwerp, in het gezicht en/of de hals en/of de nek heeft gestoken en/of geslagen en/of gesneden en/of geprikt waardoor voornoemde [aangever] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2.

hij op of omstreeks 09 december 2016 te [plaats delict] , gemeente Ouder-Amstel, in elk geval in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk twee, in elk geval een of meer, canvasdoek(en), in elk geval enig()e) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [aangever] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat bewezen kan worden dat verdachte aangever opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht door hem met een schaar in het gezicht te slaan. Wanneer je met een schaar in de hand een slaande beweging maakt in de richting van aangever neem je het aanmerkelijke risico dat je daarmee zwaar lichamelijk letsel veroorzaakt. Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad met vindnummer ECLI:NL:HR:2016:2187 heeft de officier van justitie gesteld dat, nu de littekens na zeven maanden nog steeds zichtbaar, ontsierend en gevoelig zijn, sprake is van zware mishandeling. Het onder 1 subsidiair ten laste gelegde kan bewezen worden verklaard.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroep op noodweer niet kan slagen, omdat verdachte zich had moeten en kunnen onttrekken aan de aanranding. Daarnaast staat het verdedigingsmiddel niet in verhouding tot de aanranding. Ook een beroep op noodweerexces kan niet slagen omdat verdachte de confrontatie zelf heeft uitgelokt.

De officier van justitie heeft betoogd dat de onder 2 ten laste gelegde vernieling ook bewezen kan worden verklaard.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de hem onder 1 primair ten laste gelegde, poging tot doodslag. De raadsman heeft daarnaast gesteld dat het letsel, een wond aan de kin, niet is aan te merken als zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er is geen sprake van een lange herstelperiode, noodzakelijk medisch ingrijpen of blijvende pijn. Verdachte dient daarom ook van het hem onder 1 subsidiair ten laste gelegde, het toebrengen van zware mishandeling, te worden vrijgesproken, aldus de raadsman.

De raadsman heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat verdachte ten aanzien van feit 1 een beroep op noodweer(exces) toekomt en heeft verzocht verdachte om die reden te ontslaan van alle rechtsvervolging.

De raadsman heeft betoogd zich ten aanzien van een eventuele bewezenverklaring van feit 2 te refereren aan het oordeel van de rechtbank.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

Vrijspraak van het onder 1 primair ten laste gelegde

De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem onder 1 primair ten laste gelegde. Naar het oordeel van de rechtbank bevindt zich in het dossier onvoldoende bewijs dat verdachte opzet (ook niet in de voorwaardelijke vorm) had op het doden van aangever [aangever] . Verdachte wordt van dit feit vrijgesproken.

4.3.2

Het bewijs

De rechtbank acht, op grond van de in de bijlage vervatte bewijsmiddelen, bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 subsidiair ten laste gelegde, zware mishandeling en het onder 2 ten laste gelegde, vernieling.

4.3.3

Nadere overweging

Voorwaardelijk opzet

Verdachte heeft, terwijl hij een schaar in zijn hand had en hij op korte afstand stond van aangever [aangever] , die [aangever] met de punt van de schaar in het gezicht geslagen. Door aldus te handelen heeft verdachte op zijn minst genomen bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen aan [aangever] . De verklaring van verdachte, dat hij zich op het moment van slaan, niet bewust was van de schaar in zijn hand wordt als ongeloofwaardig terzijde geschoven. Verdachte heeft immers zelf verklaard dat hij kort voor het incident de schaar in handen had om brood te knippen. Op het moment dat aangever aanbelde is verdachte met de schaar in zijn hand naar de deur gelopen en heeft hij aangever daarmee geslagen. Gelet op die korte tijdspanne is het niet geloofwaardig dat verdachte zich niet meer bewust was van de schaar in zijn hand. Dienaangaande verweer wordt dan ook verworpen.

Zware mishandeling

De vraag die beantwoord dient te worden is of het toegebrachte letsel aan [aangever] gekwalificeerd kan worden als zwaar lichamelijk letsel. Artikel 82 Sr bevat een niet limitatief bedoelde opsomming van de gevallen die als zwaar lichamelijk letsel moeten worden aangemerkt. Die bepaling laat de rechter de vrijheid om ook buiten die genoemde gevallen het lichamelijk letsel als zwaar te beschouwen, wanneer dat letsel voldoende ernstig is, om naar gewoon spraakgebruik als zodanig te worden aangeduid. Daarbij dient de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel te worden betrokken. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat [aangever] twee flinke snijwonden op zijn kin heeft opgelopen waarvan er één moest worden gehecht. De andere wond is geplakt. Nu, zeven maanden na het incident heeft [aangever] twee grote littekens op zijn kin, welke hij naar verwachting zijn leven lang zal behouden. De locatie van de littekens, op de kin, brengt mee dat zij uitermate zichtbaar zijn. [aangever] heeft verklaard dat hij nog dagelijks hinder en pijn ondervindt van deze littekens op zijn kin. Dergelijke ontsierende littekens in het gelaat dienen te worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel als bedoeld in artikel 82 en 302 Sr.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4.3 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

ten aanzien van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde

op 9 december 2016 te [plaats delict] , gemeente Ouder-Amstel, aan [aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, een wond aan de kin, heeft toegebracht, door voornoemde [aangever] met dat opzet met een schaar, in het gezicht te slaan;

ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

op 9 december 2016 te [plaats delict] , gemeente Ouder-Amstel, opzettelijk en wederrechtelijk twee, canvasdoeken, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever] heeft vernield.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten

Noodweer

De raadsman heeft primair aangevoerd dat verdachte heeft gehandeld uit noodweer en daarom dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

De rechtbank stelt voorop dat indien door of namens de verdachte een beroep is gedaan op noodweer, de rechter zal moeten onderzoeken of de voorwaarden voor de aanvaarding van dat verweer zijn vervuld. Die houden in dat het begane feit was geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, waaronder onder omstandigheden mede is begrepen een onmiddellijk dreigend gevaar voor zo een aanranding. De vraag of een gedraging geboden is door de noodzakelijke verdediging - waarmee onder meer de proportionaliteitseis tot uitdrukking wordt gebracht - van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed leent zich niet voor beantwoording in algemene zin. Bij de beslissing daaromtrent komt mede betekenis toe aan de waardering van de feitelijke omstandigheden van het geval. Deze proportionaliteitseis strekt ertoe om niet ook dan een gedraging straffeloos te doen zijn indien zij - als verdedigingsmiddel - niet in redelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding (vgl. HR 24 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:773 en HR 8 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI3895).

Gedragingen van de verdachte voorafgaande aan de wederrechtelijke aanranding door het latere slachtoffer kunnen onder omstandigheden in de weg staan aan het slagen van een beroep op noodweer(exces) (vgl. HR 17 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV9062 en HR 28 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU8087).

De rechtbank stelt op grond van de processtukken en het onderzoek ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast. Daarbij tekent de rechtbank aan, dat over hetgeen er voor de deur van de woning van het slachtoffer is voorgevallen in essentie slechts twee personen verklaringen hebben afgelegd: de verdachte en aangever. Deze verklaringen stemmen deels overeen, maar lopen op onderdelen uiteen. De rechtbank is van oordeel dat het door de verdachte geschetste relaas niet enkel vanwege de op onderdelen andersluidende verklaringen van aangever als onaannemelijk terzijde geschoven kan worden. Om die reden zal de rechtbank bij zijn beoordeling van het verweer, daar waar verschillen tussen de verklaringen van de verdachte en de verklaringen van aangever bestaan, de verklaringen van de verdachte tot uitgangspunt nemen.

Verdachte was boos op aangever, zijn overbuurman, omdat verdachte meende dat deze zijn zoontje die morgen bij de lift had geduwd. De rechtbank stelt vast dat verdachte op 9 december 2016 in het halve uur voorafgaand aan het steekincident zijn woede jegens aangever reeds had geuit door twee schilderijen van aangever met een sleutel kapot te snijden. Toen aangever vervolgens aanbelde bij verdachte kwam het tot een handgemeen tussen verdachte en aangever. Volgens verdachte is hij naar de deur gelopen met een schaar in zijn hand, opende hij de deur en zag hij in de centrale hal aangever die hem meteen begon te slaan. Er was dus een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van het lijf van de verdachte.

Verdachte had er echter toen voor kunnen en moeten kiezen de deur dicht te doen en zijn huis binnen te gaan. De rechtbank is van oordeel dat verdachte hierdoor een reële en redelijke mogelijkheid had zich aan de aanranding te onttrekken. Bovendien is de rechtbank met het openbaar ministerie van oordeel dat het door de verdachte gekozen verdedigingsmiddel, slaan met een geopende schaar, niet in redelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. Van de verdachte had in redelijkheid mogen worden gevergd dat hij zich op een minder ingrijpende wijze tegen de hierboven beschreven aanranding zou hebben verdedigd. In plaats daarvan heeft hij er evenwel voor gekozen het slachtoffer met de schaar in zijn kin te steken, waarmee hij ver buiten de grenzen van een noodzakelijke verdediging is getreden.

De rechtbank verwerpt daarom het beroep op noodweer. Het bewezen verklaarde is derhalve, nu ook overigens geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid daarvan uitsluit, strafbaar.

7 De strafbaarheid van verdachte

Noodweerexces

De verdediging heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat de verdachte een beroep op noodweerexces toekomt nu hij als gevolg van een hevige gemoedsbeweging, door de aanranding veroorzaakt, de grenzen van een noodzakelijke verdediging heeft overschreden.

De rechtbank stelt in dit verband voorop dat van een verontschuldigbare overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging slechts sprake kan zijn indien:

a. de verdachte de hem verweten gedraging heeft verricht in een situatie waarin, en op een tijdstip waarop, voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, maar daarbij als onmiddellijk gevolg van een hevige door die aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging verder gaat dan geboden is, dan wel indien

b. op het tijdstip van de aan de verdachte verweten gedraging de onder a bedoelde situatie weliswaar is beëindigd en derhalve de noodzaak tot verdediging niet meer bestaat, doch niettemin deze gedraging toch het onmiddellijk gevolg is van een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding.

Voorts volgt uit het vereiste dat de gedraging het onmiddellijk gevolg moet zijn van een hevige gemoedsbeweging die is veroorzaakt door een wederrechtelijke aanranding, dat aannemelijk moet zijn dat de aldus veroorzaakte gemoedsbeweging van doorslaggevend belang is geweest voor de gedraging, maar niet dat geheel uitgesloten is dat andere factoren mede hebben bijgedragen aan het ontstaan van die hevige gemoedsbeweging. Bij de beantwoording van de vraag of in een concreet geval van een dergelijk "onmiddellijk gevolg" sprake is geweest, kan gewicht toekomen aan de mate waarin de grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn overschreden alsmede aan de aard en de intensiteit van de hevige gemoedsbeweging (vgl. HR 27 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC6794).

De verdachte heeft over zijn gemoedstoestand ten tijde van het steken tegenover de politie en tijdens het onderzoek ter terechtzitting niet veel verklaard. Hij heeft gezegd dat hij duizelig werd, niet bewust heeft geslagen en zich alleen wilde verdedigen.

Op grond van vorenstaande uitlatingen stelt de rechtbank vast dat bij de verdachte als gevolg van de aanranding weliswaar een gemoedsbeweging is teweeggebracht, maar dat deze niet als hevig valt aan te merken. Maar zelfs indien zou moeten worden aangenomen dat er wel van een hevige gemoedsbeweging sprake is geweest, komt de rechtbank tot het oordeel dat de verdachte zich niet met vrucht op de hier besproken schulduitsluitingsgrond van artikel 41, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht kan beroepen, aangezien de rechtbank, gelet op de beperkte intensiteit van de veronderstelde hevige gemoedsbeweging en gegeven de verregaande mate waarin de verdachte de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden, niet aannemelijk acht dat die gemoedsbeweging voor de gedraging van de verdachte van doorslaggevend belang is geweest en derhalve niet aannemelijk acht dat deze gedraging het onmiddellijk gevolg van de veronderstelde hevige gemoedsbeweging is geweest.

Het beroep op noodweerexces wordt derhalve eveneens verworpen.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1 subsidiair en bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 117 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf van 160 uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 80 dagen.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht bij het bepalen van de strafmaat rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en de omstandigheden waaronder het incident heeft plaatsgevonden.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zware mishandeling door met een schaar in het gezicht van het slachtoffer (zijn buurman) te slaan en daardoor wonden in de kin te hebben veroorzaakt. Door aldus te handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en heeft hij hem gezichtsontsierende wonden en blijvende littekens in zijn gezicht toegebracht. Het feit heeft, blijkens de ter terechtzitting afgelegde slachtofferverklaring, grote impact gehad op het slachtoffer. Hij ervaart nog dagelijks de gevoelens van angst en onveiligheid in zijn eigen woonomgeving. Daarnaast wordt hij door de littekens in zijn gelaat ook dagelijks herinnert aan dit feit.

Bij verwondingen met een schaar in de hals/kin regio bestaat aanzienlijk risico op het raken van vitale delen van het lichaam van het slachtoffer, zoals een slagader in de hals. Verdachte heeft op geen enkele manier inzicht getoond in de strafwaardigheid van zijn handelen.

Voorafgaand aan deze zware mishandeling heeft verdachte uit woede twee schilderijen van het slachtoffer vernield door deze met een sleutel kapot te snijden.

In het voordeel van verdachte weegt de rechtbank mee dat verdachte niet eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld. De komende verhuizing van verdachte zal ervoor zorgen dat het slachtoffer zich weer veilig kan voelen in zijn eigen woonomgeving en zal ook het recidiverisico verminderen.

Bij het bepalen van de strafmaat en de hoogte daarvan heeft de rechtbank acht geslagen op de LOVS richtlijnen en heeft daarbij als uitgangspunt gehanteerd de straffen die doorgaans worden opgelegd voor het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel door het geven van een kopstoot of schoppen en trappen tegen het hoofd, te weten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden. De rechtbank ziet in de persoonlijke omstandigheden van verdachte aanleiding om van die gevangenisstraf een deel (drie maanden) voorwaardelijk op te leggen.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden aanleiding bestaat bij de straftoemeting ten nadele van verdachte af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd.

9 De vordering van de benadeelde partij

9.1

De vordering

De benadeelde partij [aangever] vordert € 2.112,- aan materiële schadevergoeding en € 4.500,- aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering tot materiële schadevergoeding bestaat uit verschillende posten, te weten beschadigde zaken, medische kosten, vervoerskosten en parkeergeld, telefoon- en portokosten, huishoudelijke hulp en kosten zonder nut.

9.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ten aanzien van de materiële schadevergoeding het volgende aangevoerd. Ten aanzien van de gevorderde schade voor beschadigde zaken (€ 70,-), de medische kosten (€ 444,-), vervoers- en parkeerkosten (€ 120,-), huishoudelijke hulp (€ 258,-) zijn voldoende onderbouwd en zijn toewijsbaar. Met dien verstande dat de toekomstige onzekere kosten, zoals de gestelde kosten voor fysiotherapie (€ 670,-) en de EMDR therapie (€ 360,-), onvoldoende zijn onderbouwd en derhalve niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard.

De officier van justitie heeft verzocht de gevorderde kosten voor het fitnessabonnement te halveren en toe te wijzen tot een bedrag van € 45,-. De partner van de benadeelde partij heeft ook geen gebruik gemaakt van het abonnement, maar dat is geen rechtstreekse schade ten gevolge van de onderhavige feiten. De gevorderde telefoonkosten zijn onvoldoende onderbouwd en dienen niet-ontvankelijk te worden verklaard.

De officier van justitie heeft voorts verzocht de vordering tot immateriële schade tot een bedrag van € 3.500,- toe te wijzen en de benadeelde in het overige niet-ontvankelijk te verklaren.

De officier van justitie heeft verzocht het totaal toegewezen bedrag, te weten € 4.437,- te vermeerderen met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

9.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair, gelet op zijn verzoek tot vrijspraak c.q. ontslag van alle rechtsvervolging voor feit 1, verzocht de vordering te beperken tot de vergoeding van de schilderijen (feit 2) en de vordering voor het overige niet ontvankelijk te verklaren. Subsidiair heeft de raadsman verzocht er bij de beoordeling van de vordering rekening mee te houden dat aangever zichzelf ook niet onbetuigd heeft gelaten en de vordering niet ontvankelijk te verklaren, nu deze beoordeling een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

9.4

Het oordeel van de rechtbank

9.4.1

Vordering tot materiële schade

Beschadigde zaken, twee schilderijen en de jas

De rechtbank wijst de gevorderde kosten toe tot een bedrag van € 70,-, nu deze vordering voldoende is onderbouwd en deze vordering ook niet is betwist door de verdediging.

Medische kosten

De rechtbank wijst de gevorderde kosten voor het eigen risico toe tot een bedrag van € 240,-, de litteken crème tot een bedrag van € 138,-, de paracetamol tot een bedrag van € 10,-, de zonnebrandcrème tot een bedrag van € 16,- en de scheermesjes tot een bedrag van € 40,-, nu de vordering ten aanzien van die posten voldoende is onderbouwd en deze vordering ook overigens niet is betwist door de verdediging.

De rechtbank verklaart de vordering met betrekking tot de gestelde toekomstige kosten voor fysiotherapie en EMDR-therapie niet ontvankelijk, nu de vordering onvoldoende is onderbouwd.

Vervoers- en parkeerkosten

De rechtbank wijst de gevorderde kosten toe tot een bedrag van € 120,-, nu deze vordering voldoende is onderbouwd en deze vordering ook overigens niet is betwist door de verdediging.

Telefoon en portokosten

De rechtbank begroot de gemaakte telefoon- en portokosten op een bedrag van € 25,- en wijst de vordering tot dit bedrag toe.

Huishoudelijke hulp

De rechtbank verklaart de vordering tot vergoeding van kosten voor huishoudelijke hulp niet ontvankelijk, nu de beoordeling van deze post een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

Fitnessabonnement

De rechtbank wijst de vordering toe tot een bedrag van € 45,- en verklaart de vordering voor het overige niet ontvankelijk, nu deze gestelde kosten (door de partner van de benadeelde partij) niet in rechtstreeks verband staan tot het bewezen verklaarde.

Conclusie

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 1 subsidiair en 2 bewezen verklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De rechtbank concludeert dat de vordering tot materiële schadevergoeding tot een bedrag van in totaal € 704,- zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de strafbare feiten zijn gepleegd, te weten 9 december 2016. De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

9.4.2

Vordering tot immateriële schade

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen immateriële schadevergoeding aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen.

Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden opgelegd, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op € 2.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd, te weten 9 december 2016. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. De benadeelde partij kan dit deel van zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen. De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

9.4.3

Conclusie

De rechtbank concludeert dat de vordering tot vergoeding van de kosten tot een bedrag van in totaal € 2.704,- (zegge tweeduizendzevenhonderdvier euro) zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd, te weten 9 december 2016. De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 302 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

11 Beslissing

Verklaart het onder 1 primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde

zware mishandeling;

Ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 (zes) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 3 (drie) maanden, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Wijst de vordering van [aangever], toe tot € 2.704,- (zegge tweeduizendzevenhonderdvier euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten 9 december 2016, tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [aangever] , € 2.704,- (zegge tweeduizendzevenhonderdvier euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten 9 december 2016, tot aan de dag van de algehele voldoening, aan de Staat te betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting vervangen door hechtenis van 37 dagen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Heft op het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. W.M.C. van den Berg, voorzitter,

mrs. M.M.L.A.T. Doll en F.W. Pieters, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.R. Baart, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 juli 2017.

[(...)]