Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:10590

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
02-08-2017
Datum publicatie
09-08-2018
Zaaknummer
13/118375-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zijn levensgezel mishandeld, door haar bij de haren te pakken, haar tegen de grond te duwen, haar te slaan en zijn hand op haar mond te drukken. Verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 40 uur waarvan 20 uur voorwaardelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummer: 13/118375-17

Datum uitspraak: 2 augustus 2017

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1974,

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres [adres 1] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

1.1.

Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 2 augustus 2017.

1.2.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M. Diependaal, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. F. Schneider, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 25 juli 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [persoon] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met dat opzet voornoemde [persoon] (met kracht) bij de haren heeft vastgepakt en/of vastgegrepen en/of aan de haren van voornoemde [persoon] heeft gerukt en/of getrokken en/of het gezicht, althans het hoofd, van voornoemde [persoon] tegen een muur heeft geslagen, althans geduwd en/of de keel van voornoemde [persoon] heeft dichtgeknepen/dichtgedrukt en/of voornoemde [persoon] eenmaal of meermalen tegen het gezicht en/of het hoofd heeft geslagen en/of gestompt en/of voornoemde [persoon] op/tegen de grond heeft geduwd en/of zijn, verdachtes, hand op/tegen de mond van voornoemde [persoon] heeft gedrukt en/of gehouden;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 25 juli 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, zijn levensgezel, [persoon] , heeft mishandeld door voornoemde [persoon] (met kracht) bij haar haren vast te pakken en/of vast te grijpen en/of door aan de haren van voornoemde [persoon] te rukken en/of te trekken en/of door het gezicht, althans het hoofd, van voornoemde [persoon] tegen een muur te slaan, althans te duwen en/of door de keel van voornoemde [persoon] dicht te knijpen/dicht te drukken en/of door voornoemde [persoon] eenmaal of meermalen tegen het gezicht en/of tegen het hoofd te slaan en/of te stompen en/of door voornoemde [persoon] op/tegen de grond te duwen en/of drukken en/of door zijn, verdachtes, hand op/tegen de mond van voornoemde [persoon] te drukken en/of houden.

3. Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Vrijspraak van het primair ten laste gelegde

De rechtbank acht, met de officier van justitie en de raadsman, niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen primair is ten laste gelegd, poging tot zware mishandeling, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

4.2.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht, ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde, bewezen dat verdachte:

op 25 juli 2016 te Amsterdam, zijn levensgezel, [persoon] , heeft mishandeld door voornoemde [persoon] (met kracht) bij haar haren vast te pakken en door het hoofd van voornoemde [persoon] tegen een muur te duwen en door voornoemde [persoon] tegen het hoofd te slaan en door voornoemde [persoon] tegen de grond te duwen en door zijn, verdachtes, hand op de mond van voornoemde [persoon] te drukken.

5 Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van het door haar subsidiair bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken, met een proeftijd van één jaar. De officier van justitie heeft daarbij gevorderd dat de bijzondere voorwaarde wordt opgelegd dat verdachte zich meldt bij reclassering Inforsa en zich houdt aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 30 uren, met bevel, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 15 dagen.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van zijn vriendin, [persoon] , door haar bij de haren te pakken, haar tegen de grond te duwen, haar te slaan en zijn hand op haar mond te drukken. De rechtbank neemt het verdachte in het bijzonder kwalijk dat de mishandeling in relationele sfeer heeft plaatsgevonden in de woning van verdachte. Aan de mishandeling is een ruzie vooraf gegaan waaraan mogelijk van beide kanten is bijgedragen, maar dit rechtvaardigt niet het toepassen van geweld.

Verdachte heeft verklaard dat hij heeft gehandeld uit paniek en machteloosheid en dat hij, voordat de situatie was geëscaleerd, zelf al de politie had gebeld. Ook heeft verdachte verklaard dat hij contact heeft opgenomen met de Jellinek voor een verslavingsbehandeling, dat hij enkele maanden geleden een detox heeft ondergaan en dat hij onder behandeling staat van een psychiater. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat de relatie met [persoon] , die ter zitting aanwezig was, nu stabiel is en heeft hij spijt betuigd. Verdachte heeft maatregelen genomen om geweldsuitbarstingen, als in de onderhavige zaak, in de toekomst te voorkomen. Deze omstandigheden weegt de rechtbank in het voordeel van verdachte mee bij het bepalen van de strafmaat en de hoogte daarvan.

Uit het uittreksel van de justitiële documentatie van verdachte van 6 juli 2017 blijkt dat hij niet eerder voor een geweldsdelict is veroordeeld.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op het reclasseringsrapport van 7 februari 2017. De reclassering schat de kans op recidive gemiddeld in zolang de relatie tussen verdachte en [persoon] voortduurt. De reclassering heeft geadviseerd om verdachte, gezien zijn verslavingsverleden en de beperkte coping vaardigheden, een reclasseringstoezicht op te leggen voor de duur van één jaar. Het toezicht kan ingezet worden om verdachte te monitoren en indien nodig om in te grijpen of hem handvatten te bieden zodat er geen terugval in verslaving of delictgedrag plaatsvindt, bijvoorbeeld door het inzetten van urinecontroles. De rechtbank neemt dit advies over.

De rechtbank acht, alles afwegende, een taakstraf van 40 uur waarvan 20 uur voorwaardelijk, met een proeftijd van één jaar, passend en geboden. De rechtbank koppelt aan het voorwaardelijk strafdeel de bijzondere voorwaarde zoals geadviseerd in voornoemd reclasseringsrapport. De rechtbank acht, anders dan de officier van justitie, het opleggen van een voorwaardelijke gevangenisstraf nog niet op zijn plaats, aangezien hij niet eerder voor geweldsfeiten is veroordeeld.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid

van 40 uren.

Beveelt, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 20 dagen.

Beveelt dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag.

Beveelt dat een gedeelte, groot 20 uren, van deze taakstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 1 (één) jaar vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet aan de volgende algemene voorwaarden houdt.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

1. zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt en

3. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarde niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarde:

Meldplicht

Veroordeelde moet zich houden aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft. Daartoe moet veroordeelde binnen zeven dagen volgend op het onherroepelijk worden van het vonnis contact opnemen met reclassering Inforsa, [adres 2] te Amsterdam. Hierna moet hij zich gedurende de door reclassering Inforsa bepaalde perioden blijven melden zo frequent als deze instelling dat gedurende deze perioden nodig acht. Voorts dient veroordeelde zich te houden aan de aanwijzingen van de reclassering, ook als dat inhoudt het meewerken aan urinecontroles.

Geeft aan genoemde instelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.P.C. Janssen, voorzitter,

mrs. A.A. Spoel en F.L. Bolkestein, rechters,

in tegenwoordigheid van mrs. M.R. Baart en D. Spaan, griffiers,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 augustus 2017.