Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:10587

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
23-01-2017
Datum publicatie
07-08-2018
Zaaknummer
13/680021-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan mensenhandel tav de verstandelijk beperkte persoon en de minderjarige persoon (15 jaar). Verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 22 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2018-0637
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/680021-16 (13Katwilg)

Datum uitspraak: 23 januari 2017

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,


geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1989,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres 1]

.

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 8, 9 en 12 december 2016. Het onderzoek is ter terechtzitting van 9 januari 2017 gesloten.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. S. de Klerk en van wat verdachte en haar (gemachtigd) raadsman mr. N. Claassen naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging op de regiezitting van 16 augustus 2016 – kort gezegd – ten laste gelegd dat zij zich heeft schuldig gemaakt aan:

  1. mede(plegen) van mensenhandel (artikel 273f lid 1 sub 1, 4 en 6 van het Wetboek van Strafrecht (Sr)) ten aanzien van [persoon 1] (hierna: [persoon 1] ), in de periode van
    25 oktober 2015 tot en met 18 december 2015;

  2. mede(plegen) van mensenhandel (artikel 273f lid 1 sub 1, 4 en 6 Sr) ten aanzien van [persoon 2] (hierna: [persoon 2] ), in de periode van 1 november 2015 tot en met 31 december 2015;

  3. mede(plegen) van mensenhandel (artikel 273f lid 1 sub 1, 4, 5 en 6 Sr) ten aanzien van de minderjarige [persoon 3] (hierna: [persoon 3] ), in de periode van 1 november 2015 tot en met 31 december 2015, subsidiair de poging daartoe.

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Voorvragen

3.1

Geldigheid van de dagvaarding

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de dagvaarding voor wat betreft het in zaak B onder 2 subsidiair ten laste gelegde partieel nietig is, nu in die tenlastelegging niet alle bestanddelen voor een poging als bedoeld in artikel 45 Sr zijn opgenomen.

De rechtbank overweegt dat de raadsman in zijn betoog in het midden heeft gelaten welk specifieke onderdeel in de tenlastelegging zou ontbreken. Ook ambtshalve ziet de rechtbank geen reden de dagvaarding op dat punt nietig te verklaren, omdat de tenlastelegging naar het oordeel van de rechtbank alle vereiste bestanddelen van artikel 45 in verband met 273f Sr bevat. De tenlastelegging voldoet derhalve aan de vereisten die daaraan in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) worden gesteld. De dagvaarding is ook voor het overige geldig.

3.2

Overige voorvragen van artikel 348 Sv

Deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft zich – hier kort zakelijk en in haar requisitoir uitgebreid weergegeven – ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde op het standpunt gesteld dat bewezen kan worden dat verdachte tezamen en in vereniging met anderen [persoon 1] door misleiding, door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en door misbruik van een kwetsbare positie heeft gehuisvest en opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting. De officier van justitie heeft daarbij onder meer gewezen op de verklaringen van [persoon 1] , van verdachte en medeverdachten, alsmede de appberichten in het dossier.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat bewezen kan worden dat verdachte tezamen en in vereniging met een ander [persoon 2] door uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht heeft gehuisvest en opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting. De officier van justitie heeft ten aanzien van dit feit gewezen op de verklaringen van [persoon 2] , verdachte en medeverdachten alsmede de appberichten in het dossier.

De officier van justitie heeft ten aanzien van feit 3 betoogd dat bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde, medeplegen van mensenhandel. Voor de strafbaarheid van mensenhandel met betrekking tot een minderjarige is geen dwang nodig en is het niet noodzakelijk dat daadwerkelijk seksuele handelingen zijn verricht, aldus de officier van justitie.

4.2

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich – hier kort zakelijk en in zijn pleidooi uitgebreid weergegeven – ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken en heeft daartoe aangevoerd dat de verklaringen van [persoon 1] onbetrouwbaar en leugenachtig zijn. Uit de verhoren van [persoon 1] blijkt dat zij door de verbalisanten op zodanige wijze is beïnvloed en gestuurd dat dit haar verklaringen onbetrouwbaar maakt. Ook worden de verklaringen van [persoon 1] op diverse belastende punten niet ondersteund door de verdere inhoud van het dossier. De verklaringen van [persoon 1] dienen derhalve van het bewijs te worden uitgesloten.

Voorts heeft de raadsman betoogd dat geen sprake is van een omstandigheid die de keuzevrijheid van [persoon 1] had beperkt en bovendien was geen sprake van een bewustzijn bij verdachte van een eventueel voortvloeiend overwicht dan wel misbruik van een kwetsbare positie. In het dossier bevinden zich, behoudens de verklaringen van [persoon 1] , geen bewijsmiddelen waaruit dit blijkt. Uit het dossier blijkt ook niet dat verdachte opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van [persoon 1] , aldus de raadsman. De raadsman heeft daarnaast betoogd dat verdachte niet kan worden aangemerkt als medepleger van mensenhandel, nu de rol van verdachte louter beperkt was tot het in contact brengen van medeverdachte [medeverdachte 1] met een ander die woonruimte beschikbaar had.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsman betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken, nu niet bewezen kan worden dat verdachte enig aandeel heeft gehad in de ten laste gelegde handelingen en middelen, dan wel dat verdachte opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van [persoon 2] .

De raadsman heeft ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde aangevoerd dat verdachte ook van dit feit dient te worden vrijgesproken, nu niet bewezen kan worden dat verdachte enig aandeel heeft gehad in de ten laste gelegde handelingen en middelen, dan wel dat verdachte opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van [persoon 3] . De raadsman heeft daarnaast bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken omdat geen sprake is van een voltooid delict, nu [persoon 3] niet daadwerkelijk als prostituee heeft gewerkt. Voorts kan de poging tot mensenhandel niet bewezen worden, nu er geen plannen zijn gemaakt dan wel handelingen zijn verricht om de plannen om [persoon 3] in de prostitutie te laten werken, uit te gaan voeren, aldus de raadsman.

4.3

Oordeel van de rechtbank

4.3.1

Inleiding

Op 19 oktober 2015 heeft op een politiebureau in Zeeland een informatief gesprek mensenhandel plaatsgevonden met de dan 33 jarige [persoon 1] . [persoon 1] is met haar vader naar het politiebureau gekomen. [persoon 1] heeft over zichzelf verklaard dat zij lijdt aan borderline, dat ze medicatie slikt tegen depressiviteit en psychoses en dat ze een IQ heeft van 75. Uit het gesprek blijkt verder dat [persoon 1] door haar ex-man geestelijk en lichamelijk is mishandeld en dat zij om die reden door de politie eind juni 2015 in een ‘ [verblijfadres] ’ (hierna: [verblijfadres] ) in Amsterdam is geplaatst.

[persoon 1] heeft in dit informatief gesprek alsmede in haar latere verhoren verder het volgende verklaard. Via Badoo heeft ze een jongen genaamd [medeverdachte 1] (zoals later blijkt te zijn: medeverdachte [medeverdachte 1] ) leren kennen. Zij heeft met [medeverdachte 1] afgesproken, is naar zijn woning toe gegaan, zij hebben daar seks met elkaar gehad en kregen een relatie. [persoon 1] heeft [medeverdachte 1] al bij hun eerste ontmoeting verteld dat zij bij [verblijfadres] verbleef, dat zij psychische problemen had en dat zij schulden had. [medeverdachte 1] heeft op 29 augustus 2015, een dag nadat zij elkaar hadden ontmoet, aangeboden om [persoon 1] te helpen en heeft haar gevraagd of zij op de Wallen wilde werken. [persoon 1] wilde dat niet waarop [medeverdachte 1] aangaf, na overleg met medeverdachte [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) dat hij ook voor een website kon zorgen. [medeverdachte 1] heeft [persoon 1] vervolgens voorgesteld aan [medeverdachte 2] . [medeverdachte 2] heeft voor [persoon 1] een advertentie aangemaakt op [website 1] en [website 2] onder de naam [naam 1] . [medeverdachte 2] heeft samen met [medeverdachte 1] naaktfoto’s gemaakt van [persoon 1] om bij die advertentie te plaatsen. Uit onderzoek naar de advertentie op [website 1] blijkt dat deze op 31 augustus 2015 is aangemaakt en op 3 september 2015 online is gegaan. Vanaf die dag heeft [persoon 1] als prostituee in de woning van [medeverdachte 2] in Amsterdam gewerkt. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] boekten klanten voor [persoon 1] en hielden bij wat zij verdiende. [persoon 1] kreeg van [medeverdachte 2] of [medeverdachte 1] te horen wanneer er een klant was en zij naar het huis van [medeverdachte 2] moest komen om de klant te ontvangen. [persoon 1] gaf via whatsapp na iedere klant aan [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] door wat zij had verdiend en gaf haar verdiensten uit prostitutiewerkzaamheden vervolgens aan hen af. [persoon 1] heeft zelf nooit iets van dat geld gehouden. [persoon 1] was overdag in de woning van [medeverdachte 2] en meldde zich elke avond bij [verblijfadres] , alwaar zij ook de nacht doorbracht. Op 5 oktober 2015 moest [persoon 1] [verblijfadres] verlaten en heeft [medeverdachte 2] haar aangeboden om bij haar in te trekken. Van 5 tot 7 oktober 2015 heeft [persoon 1] verbleven in de woning van [medeverdachte 2] in Amsterdam. Vanwege een ruzie tussen [medeverdachte 2] en [persoon 1] heeft [persoon 1] op 7 oktober 2015 haar vader gevraagd haar in Amsterdam op te komen halen. [medeverdachte 1] heeft toen de relatie met [persoon 1] verbroken. Vervolgens heeft [persoon 1] van 7 oktober tot 23 oktober 2015 bij haar ouders in Zeeland verbleven.

Op 18 december 2015 werd [persoon 1] door de politie in Amsterdam uitgenodigd voor een nader verhoor. Uit dit verhoor kwam naar voren dat [persoon 1] weer een relatie had met [medeverdachte 1] , dat hij haar naar het verhoor in Amsterdam had gebracht en hij haar daarna weer op zou komen halen. Voorts bleek uit het verhoor dat [persoon 1] op dat moment werkzaam was als prostituee in Rotterdam in de woning van verdachte. Verder heeft [persoon 1] verklaard dat ze in de periode dat ze bij haar ouders verbleef altijd contact heeft gehad met [medeverdachte 1] via whatsapp. Op een gegeven moment heeft [medeverdachte 1] haar verteld dat hij weer een woning en werk voor haar had. Twee dagen later is [persoon 1] naar Rotterdam vertrokken, om een dag later naar Ridderkerk te worden gebracht. [persoon 1] heeft in latere verhoren over de periode in Rotterdam verklaard dat verdachte de woon- en werkruimte had geregeld, eerst aan de [straat 1] en later aan de [straat 2] . Verdachte had de advertenties voor de sekssites [website 3] , [website 1] en [website 4] gemaakt, alsmede de foto’s voor die sites. In Rotterdam heeft [persoon 1] gewerkt onder de naam [naam 2] . Verdachte waardeerde de sekssites op, maakte de afspraken met klanten en regelde lingerie en condooms voor [persoon 1] . [persoon 1] gaf na elke klant aan verdachte en [medeverdachte 1] door wat zij had verdiend en gaf het geld dat zij had verdiend met haar prostitutiewerkzaamheden aan hen af. Verdachte en [medeverdachte 1] hielden dit bij in een notitieboekje.

Vervolgens werd [persoon 1] op 19 december 2015 nogmaals gehoord. Uit dit verhoor kwam naar voren, evenals uit de daaropvolgende verhoren van [persoon 1] , dat zij voorafgaand aan Rotterdam ook in Ridderkerk had verbleven en als prostituee had gewerkt in de woning van medeverdachten [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3] ) en [medeverdachte 4] (hierna [medeverdachte 4] ), namelijk in de periode van 24 oktober 2015 tot 13 november 2015. [persoon 1] heeft over die periode verklaard dat [medeverdachte 3] , op verzoek van [medeverdachte 1] , de advertenties op [website 1] en [website 2] aanmaakte en deze ook opwaardeerde. [medeverdachte 3] heeft ten behoeve van die sekssites seksueel getinte foto’s van [persoon 1] laten maken. [persoon 1] werkte in Ridderkerk als prostituee onder de naam [naam 3] . Verder heeft [persoon 1] verklaard dat ze ook in Ridderkerk verdachte en [medeverdachte 1] na elke klant liet weten wat zij had verdiend en dat zij op hun beurt bijhielden wat de inkomsten van [persoon 1] waren. [persoon 1] deed het verdiende geld in een enveloppe en gaf dit aan [medeverdachte 4] . [medeverdachte 1] kwam één keer in de week het geld ophalen. [persoon 1] heeft verklaard dat verdachte van [medeverdachte 1] in Ridderkerk op haar heeft moeten passen.

Over een foto op de website [website 1] waar [persoon 1] met twee andere meisjes op staat afgebeeld heeft zij verklaard dat dit [naam 4] en [naam 5] zijn en dat zij ook voor verdachte en [medeverdachte 1] werkten.

Uit onderzoek blijkt dat [naam 4] de 18 jarige [persoon 2] is. [persoon 2] heeft verklaard dat zij eind november 2015 is begonnen met het werken in de prostitutie in Rotterdam en dat zij dit deed voor een oude vriend van haar, genaamd [naam 6] , omdat hij geld nodig had. Zij moest werken in de woning van verdachte en moest de opbrengsten uit de prostitutiewerkzaamheden delen met verdachte en [naam 6] . [persoon 2] heeft verklaard het werk in de prostitutie in eerste instantie niet te willen doen, maar dat zij bang was dat [naam 6] het dreigement zou uitvoeren om het filmpje, dat is gemaakt toen [persoon 2] slachtoffer werd van een groepsverkrachting, anders op internet zou plaatsen. Verdachte heeft de advertentie op de website [website 3] onder de naam [naam 4] aangemaakt, alsmede de foto’s voor die site, aldus [persoon 2] .

Uit onderzoek blijkt dat [naam 5] de dan 15 jarige [persoon 3] betreft. [persoon 3] heeft verklaard dat verdachte en [persoon 1] de werknaam [naam 5] voor haar hadden bedacht, maar dat ze niet daadwerkelijk als prostituee werkzaamheden heeft verricht. Op verzoek van verdachte is [persoon 3] samen met [persoon 2] naar een penthouse in Rotterdam gegaan alwaar verdachte van [persoon 3] , [persoon 2] en [persoon 1] seksueel getinte foto’s heeft gemaakt.

Verdachte heeft tijdens haar verhoren bij de politie verklaard niets te weten van de prostitutiewerkzaamheden van [persoon 1] . Tijdens het onderzoek ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat zij wel op de hoogte was van het werk dat [persoon 1] deed, dat zij een woning had geregeld voor [medeverdachte 1] en [persoon 1] , maar dat zij verder niets te maken heeft gehad met de prostitutiewerkzaamheden van [persoon 1] .

4.3.2

Vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde (mensenhandel t.a.v. [persoon 2] )

De rechtbank is – met de raadsman en anders dan de officier van justitie – van oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het haar onder 2 ten laste gelegde en overweegt daartoe als volgt. Verdachte wordt ten aanzien van [persoon 2] (mede)plegen van mensenhandel verweten. Uit de beschikbare bewijsmiddelen blijkt dat verdachte wist dat [persoon 2] als prostituee werkzaam was in haar woning. Ook is uit de bewijsmiddelen af te leiden dat verdachte en [medeverdachte 1] zich bemoeiden met de klanten van [persoon 2] en de verdeling van haar inkomsten uit de prostitutie. Echter blijkt daaruit niet zonder meer dat verdachte als dader of mededader tegen [persoon 2] één van de in de tenlastelegging genoemde dwangmiddelen heeft gebruikt. Evenmin is uit het dossier af te leiden dat verdachte opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van [persoon 2] , nu niet blijkt dat verdachte een deel van de inkomsten van [persoon 2] uit prostitutiewerkzaamheden heeft ontvangen. Het dossier bevat voor een en ander onvoldoende aanknopingspunten. Verdachte wordt daarom van dit feit vrijgesproken.

4.3.3

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde (mensenhandel t.a.v. [persoon 1] )

Dat [persoon 1] in de periode van 1 september 2015 tot en met 18 december 2015 achtereenvolgens in Amsterdam, Ridderkerk en Rotterdam in de prostitutie heeft gewerkt en dat verdachte en medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] hierbij in meer of mindere mate betrokken zijn geweest, staat niet ter discussie. De vraag in de onderhavige zaak is of verdachte zich, in de periode van 20 oktober 2015 tot en met 18 december 2015 (in Ridderkerk en Rotterdam), met haar handelen al dan niet tezamen en in vereniging met een ander of anderen, ook schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel ten aanzien van [persoon 1] in de zin van artikel 273f lid 1 sub 1, 4 en 6 Sr.

4.3.3.1 Overweging omtrent de betrouwbaarheid van de verklaring van [persoon 1]

De raadsman heeft primair betoogd dat de verklaringen van [persoon 1] dienen te worden uitgesloten van het bewijs, omdat zij door de verbalisanten in de verhoren op zodanige wijze is beïnvloed en gestuurd dat haar verklaringen onbetrouwbaar zijn.

De rechtbank stelt voorop dat in zijn algemeenheid zorgvuldig moet worden omgegaan met verklaringen van getuigen/aangevers in strafzaken. De rechtbank is zich er van bewust dat, bij de beoordeling van de betrouwbaarheid en de waardering van de verklaringen van aangeefster, behoedzaamheid op zijn plaats is.

In de onderhavige zaak houdt de rechtbank in het bijzonder voor ogen dat aangeefster een zwakbegaafde vrouw van 33 jaar is met meerdere psychische problemen en voorts dat zij in de verhoren enerzijds belastend over verdachte en haar medeverdachten verklaart, maar anderzijds denkt een liefdesrelatie met [medeverdachte 1] te hebben en zij een schuldgevoel jegens verdachten koestert om hen, in haar ogen, te moeten verraden.

Indachtig deze uitgangspunten, acht de rechtbank de verklaringen van [persoon 1] betrouwbaar en geloofwaardig.

De rechtbank stelt voorop dat uit de verhoren van [persoon 1] bij de politie in december 2015 blijkt dat door verbalisanten stevig en dringend met [persoon 1] is gesproken. Dit betekent echter niet dat enkel op grond daarvan aan haar verklaringen minder waarde moet worden toegekend. Bij de toetsing van de betrouwbaarheid van de verklaringen van [persoon 1] neemt de rechtbank de verklaring van [persoon 1] afgelegd tijdens het informatieve gesprek op 19 oktober 2015 in Zeeland als uitgangspunt. In dit gesprek heeft zij in grote lijnen verklaard over de situatie waarin zij verkeerde en heeft zij reeds op dat moment een voor [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] belastende verklaring afgelegd.

Vervolgens is [persoon 1] op 18 december 2015 door de politie in Amsterdam gehoord en was zij in eerste instantie terughoudend in haar verklaring over de rol van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Tijdens het verhoor kwamen de verbalisanten erachter dat [medeverdachte 1] haar naar dat verhoor had gebracht, buiten stond te wachten en haar voorafgaand aan het verhoor ook had geïnstrueerd. Wetende dat [persoon 1] zwakbegaafd is en – zoals uit het informatieve gesprek was gebleken – dat zij een beperkt beeld heeft van wat mensenhandel inhoudt en blijkbaar nog in de ban was en onder invloed stond van [medeverdachte 1] , hebben de verbalisanten [persoon 1] op dringende wijze met haar eerdere verklaring in Zeeland geconfronteerd. Dat [persoon 1] vervolgens overeenkomstig haar eerdere verklaring belastend heeft verklaard, wil nog niet zeggen dat die verklaring daarmee ook in strijd is met de waarheid. Toen de verbalisanten haar vervolgens vroegen of zij op dat moment nog werkzaam was in de prostitutie, vertelde zij dat zij in Rotterdam werkte en dat zij daarvoor nog in Ridderkerk had gewerkt. [persoon 1] legde vervolgens ook voor verdachte, [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] belastende verklaringen af. De rechtbank acht de manier van ondervragen door middel van enige pressie, gelet op alle omstandigheden in dit geval niet onrechtmatig, maar eerder noodzakelijk ten dienste van de waarheidsvinding.

De enkele omstandigheid dat [persoon 1] op onderdelen wisselend en tegenstrijdig heeft verklaard is eveneens onvoldoende om van het gebruik van de verklaringen voor het bewijs af te zien. Immers, over de kern heeft [persoon 1] reeds in Zeeland een uitgebreide verklaring afgelegd. De rechtbank heeft geen enkele reden om te twijfelen aan het waarheidsgehalte van de hoofdlijn van de toen door [persoon 1] afgelegde verklaring. In latere verklaringen heeft [persoon 1] vervolgens op essentiële onderdelen consistent verklaard. Daarnaast wordt haar verklaring (evenals haar latere verklaringen) op relevante onderdelen ondersteund door objectief bewijs in het dossier. Zo wordt de verklaring van [persoon 1] onder meer ondersteund door de verklaringen van medeverdachten, door de verklaring van [persoon 2] , door een verscheidenheid aan appberichten in het dossier, zowel tussen [persoon 1] en [medeverdachte 1] , tussen (mede)verdachte(n) met anderen, als tussen verdachten onderling en door telefoongegevens van verdachte en [medeverdachte 2] .

Hieruit volgt onder meer ten aanzien van verdachte dat zij voor [persoon 1] werk- en woonruimte had geregeld, dat zij afspraken maakte voor [persoon 1] met klanten, dat verdachte zich door [persoon 1] op de hoogte liet houden van hetgeen zij verdiende en dat zij zich bezighield met het plaatsen en opwaarderen van seksadvertenties voor [persoon 1] . Daarnaast heeft verdachte, zoals blijkt uit appberichten, [medeverdachte 1] gemotiveerd zijn schijnrelatie met [persoon 1] te onderhouden om te voorkomen dat zij zou weggaan.

De verklaring van [persoon 2] ondersteunt de verklaring van [persoon 1] in die zin dat daaruit blijkt dat [persoon 1] in Rotterdam heel veel klanten op een dag had en achter elkaar door moest werken, dat verdachte de condooms regelde en dat verdachte in een boekje bijhield wat [persoon 1] verdiende.

Naar het oordeel van de rechtbank dienen deze deels objectieve gegevens ter ondersteuning van de verklaringen van [persoon 1] dat verdachte en haar medeverdachten zich actief, in meer of mindere mate, bezighielden met haar prostitutiewerkzaamheden en haar verdiensten. De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van [persoon 1] derhalve betrouwbaar en geloofwaardig zijn en daarom voor het bewijs kunnen worden gebruikt. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

4.3.3.2 Bewijs

De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel ten aanzien van [persoon 1] in de periode van 20 oktober 2015 tot en met 18 december 2015 (in Ridderkerk en Rotterdam), met dien verstande dat zij zich tezamen en in vereniging met een ander en anderen schuldig heeft gemaakt aan het bepaalde in artikel 273f, eerste lid, sub 1, 4 en 6 Sr. De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen verklaarde feit heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen zijn vervat.

4.3.3.3 Nadere bewijsoverwegingen ten aanzien van artikel 273f Sr

Artikel 273f, eerste lid, sub 1 Sr

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte zich jegens [persoon 1] bediend van de onder artikel 273f, eerste lid, sub 1 Sr genoemde middelen misleiding, misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en misbruik van een kwetsbare positie.

Misleiding

Bij misleiding gaat het erom dat de verdachte het slachtoffer een doelbewust foute voorstelling van zaken geeft. De rechtbank is van oordeel dat hiervan in het onderhavige geval sprake is. [medeverdachte 1] en verdachte lieten [persoon 1] geloven dat zij een liefdesrelatie had met [medeverdachte 1] en een vriendschappelijke relatie met verdachte. Zij hielden [persoon 1] voor dat zij het beste met haar voorhadden en haar wilden helpen. [persoon 1] vertrouwde hen volledig.

Dat verdachte en haar medeverdachten andere plannen hadden met [persoon 1] en zij haar dus ‘een foute voorstelling van zaken’ hebben gegeven, blijkt naar het oordeel van de rechtbank onder meer uit de appgesprekken die zich in het dossier bevinden. Hieruit blijkt onder meer dat [medeverdachte 1] [persoon 1] , in de periode dat zij bij haar ouders verbleef, had voorgehouden dat hij het weer met haar wilde proberen en hij een woning en werk (in Ridderkerk bij [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] ) voor haar had. Verdachte had dit voor [medeverdachte 1] en [persoon 1] geregeld. Het plan was wederom om [persoon 1] in de prostitutie te laten werken. De kwade intenties van verdachte en [medeverdachte 1] blijken ook uit hun onderlinge appberichten. Ook hielden zij elkaar steeds op de hoogte van hoeveel [persoon 1] had verdiend en noteerden zij dat in een boekje. [persoon 1] heeft haar verdiensten aan verdachte en [medeverdachte 1] afgestaan, maar heeft daar nooit meer iets van teruggezien. Ook is er geen cent van haar schulden afbetaald of een bedrag voor haar gespaard. Verder hebben verdachte en [medeverdachte 1] [persoon 1] aangemoedigd meer te werken, hebben zij klanten voor haar geboekt en zelfs zonder overleg met [persoon 1] een ‘gangbang’ voor haar geregeld. Verdachte heeft [medeverdachte 1] gemotiveerd om zijn rol in de schijnrelatie met [persoon 1] goed te spelen om te voorkomen dat [persoon 1] weg zou gaan. Verdachte en [medeverdachte 1] hebben [persoon 1] op enig moment weggehaald uit de woning van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] in Ridderkerk en voor haar een andere woning geregeld in Rotterdam. In een appbericht heeft verdachte tegen [medeverdachte 1] gezegd dat ze “die osso bijna hebben” en dat “zij dan geen kosten meer hebben aan [medeverdachte 3] ” (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 3] ). In de woning in Rotterdam gingen verdachte en [medeverdachte 1] vervolgens op dezelfde voet verder.

Uit het voorgaande kan naar het oordeel van de rechtbank worden afgeleid, dat verdachte niet de vriendin was die [persoon 1] dacht dat ze voor haar was en dat zij niet het beste met [persoon 1] voorhad, zoals zij voorwendde. Vanaf het begin was het plan van [medeverdachte 1] om [persoon 1] in de prostitutie te laten werken, haar veel geld te laten verdienen en zichzelf uit die opbrengsten daarvan te bevoordelen en verdachte heeft daaraan met dezelfde intentie meegedaan in de haar ten laste gelegde periode.

Misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht

Bij misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht gaat het om een geobjectiveerd bestanddeel waardoor bescherming wordt geboden aan hen die in een uitbuitingssituatie werkzaam zijn. De rechtbank neemt als uitgangspunt dat aan dit bestanddeel is voldaan indien de prostituee verkeert of komt te verkeren in een situatie die niet gelijk is aan de omstandigheden waarin een ‘mondige prostituee’ in Nederland pleegt te verkeren.

In de onderhavige zaak is hiervan sprake geweest. Een eerste omstandigheid is dat [persoon 1] zodanig verliefd was op [medeverdachte 1] (zij zag hem als ‘een engel gestuurd door God’) en alles geloofde wat hij haar vertelde, dat zij daardoor kennelijk bereid was naar de uitdrukkelijke wens van verdachte, te (blijven) werken in de prostitutie en het door haar verdiende geld aan hem en (mede)verdachte(n) af te staan en door hen te laten beheren. Een tweede omstandigheid is dat [persoon 1] zwakbegaafd is en dus beïnvloedbaar. [persoon 1] wilde [medeverdachte 1] bovendien niet kwijt als haar vriend en deed daarom alles om te voorkomen dat hij haar zou verlaten. Verdachte en [medeverdachte 1] waren regelmatig boos op [persoon 1] en ontevreden over de door haar verdiende hoeveelheid geld. [persoon 1] werkte daarom vaak langer door en tegen haar zin in. Een derde omstandigheid is dat [persoon 1] van verdachte en [medeverdachte 1] geen contacten mocht onderhouden buiten hun eigen kring en met haar ouders en zij dus een klein sociaal netwerk had. Deze omstandigheden tezamen genomen, levert een uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht op, waaraan [persoon 1] geen weerstand kon bieden. Verdachte was op de hoogte van het overwicht dat zij en [medeverdachte 1] op [persoon 1] hadden en heeft daar misbruik van gemaakt.

Misbruik van een kwetsbare positie

Met een kwetsbare positie wordt een situatie bedoeld waarin de betrokkene geen andere werkelijke of aanvaardbare keuze heeft dan het misbruik te ondergaan. De keuzemogelijkheden voor het slachtoffer ontbreken of zijn verminderd. Ook hiervan is naar het oordeel van de rechtbank sprake geweest. [persoon 1] is zoals gezegd zwakbegaafd, ze was verliefd op [medeverdachte 1] , zag verdachte als haar beste vriendin en vertrouwde hen volledig. Zij wilde geld verdienen om haar schulden af te betalen en een toekomst met [medeverdachte 1] op te bouwen. Ook de omstandigheid dat zij niet over een eigen woonruimte beschikte en zij een klein sociaal netwerk had, dragen bij aan het oordeel dat [persoon 1] zich in een kwetsbare positie bevond ten aanzien van verdachte en [medeverdachte 1] . Verdachte heeft bewust misbruik gemaakt van deze omstandigheden.

Handelingen

De rechtbank is van oordeel dat uit het hiervoor overwogene tevens volgt dat verdachte met voornoemde middelen [persoon 1] heeft vervoerd, gehuisvest en opgenomen.

Oogmerk van uitbuiting van [persoon 1]

Mensenhandel is gericht op uitbuiting. In relatie tot de seksindustrie spreken de wetgever en de Hoge Raad van een uitbuitingssituatie indien de betrokkene in een situatie verkeert die niet gelijk is aan de omstandigheden waarin een mondige prostituee in Nederland pleegt te verkeren (Vergelijk: HR 5 februari 2002, LJN AD5235).

Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat het oogmerk van uitbuiting kan worden bewezen en dat [persoon 1] zich in een uitbuitingssituatie bevond. Zoals hier is overwogen kan op grond van de bewijsmiddelen worden vastgesteld dat verdachte door misleiding, misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en door misbruik van een kwetsbare positie [persoon 1] heeft geworven, vervoerd, gehuisvest en opgenomen. Van omstandigheden vergelijkbaar met de situatie waarin een mondig prostituee verkeert is dus geen sprake. Daarnaast heeft [persoon 1] niets van haar verdiensten overgehouden nu dit in de hier relevante periode onder verdachte en [medeverdachte 1] werd verdeeld. [persoon 1] kreeg af en toe wat zakgeld om iets voor zichzelf te kopen, maar moest hierom vragen en kon zelf dus niet vrijelijk over haar geld beschikken. Verdachte heeft ook daadwerkelijk geld ontvangen afkomstig van de door [persoon 1] uitgevoerde prostitutiewerkzaamheden. Dat [persoon 1] heeft ingestemd met het werk in de prostitutie, doet volgens vaste jurisprudentie aan de strafbaarheid van een en ander niet af.

Artikel 273f, eerste lid, sub 4 Sr

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit het hiervoor overwogene niet alleen dat [persoon 1] in een uitbuitingssituatie heeft verkeerd, maar ook, dat verdachtes oogmerk is geweest [persoon 1] in die situatie te brengen en te houden en voorts dat haar opzet erop was gericht zichzelf uit die uitbuiting te bevoordelen. Die handelswijze van verdachte levert gezien de aard van die handelingen uitbuiting op. Hoewel het bestanddeel uitbuiting geen deel uitmaakt van de delictsomschrijving van artikel 273f, eerste lid, sub 4 Sr, dient dit bestanddeel daar in te worden gelezen. Ook dit (impliciete) bestanddeel wordt bewezen geacht.

Artikel 273f, eerste lid, sub 6 Sr

De rechtbank is van oordeel dat uit de hiervoor omschreven gedragingen van verdachte volgt dat zij opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de seksuele uitbuiting van [persoon 1] .

4.3.3.4 Medeplegen

Bij de beantwoording van de vraag wanneer de samenwerking tussen verdachten zo nauw en bewust is geweest dat van medeplegen kan worden gesproken moeten de concrete omstandigheden van het geval worden beoordeeld. Het accent ligt daarbij op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht. De kwalificatie medeplegen is slechts dan gerechtvaardigd als de bewezen verklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is. Dat geldt in vergelijkbare zin indien het medeplegen – bijvoorbeeld in de vorm van "in vereniging" – een bestanddeel vormt van de delictsomschrijving.

Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. (Vergelijk: HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390).

Toegepast op deze zaak komt de rechtbank tot de volgende beoordeling.

Periode Ridderkerk

Ten aanzien van de samenwerking tussen verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] gedurende de periode Ridderkerk) leidt de rechtbank meer specifiek uit de bewijsmiddelen af en de handelingen beschreven onder 4.3.1 dat verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] ervoor hebben gezorgd dat [persoon 1] in Ridderkerk, in de woning van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] , kon verblijven en zij daar haar prostitutiewerkzaamheden weer kon oppakken. De rechtbank is van oordeel dat uit het voorgaande blijkt dat verdachte op zodanige wijze met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] heeft samengewerkt dat sprake is van medeplegen. Er is immers sprake van een intensieve samenwerking tussen verdachten, waarbij een duidelijke taakverdeling bestond. [medeverdachte 1] en verdachte hadden plannen gemaakt om [persoon 1] uit te buiten in de prostitutie en ook [medeverdachte 3] had een belangrijke faciliterende rol bij de uitvoering en het in stand houden daarvan.

Periode Rotterdam

Ten aanzien van de samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte 1] in Rotterdam overweegt de rechtbank als volgt. Toen verdachte en [medeverdachte 1] merkten dat [persoon 1] ook maar enigszins begon te twijfelen aan haar werk als prostituee, haar liefde voor [medeverdachte 1] en zijn liefde voor haar, haalden verdachte en [medeverdachte 1] haar weg uit Ridderkerk en lieten ze haar verblijven en werken in de woning van verdachte in Rotterdam. Verdachte en [medeverdachte 1] hielden haar daar in de gaten en noteerden haar gewerkte uren. [persoon 1] heeft al haar verdiensten ook daar aan verdachte en [medeverdachte 1] moeten afstaan en hield er zelf vrijwel niets aan over. De rechtbank leidt uit het voorgaande, de beschreven handelingen onder 4.3.1 en de bewijsmiddelen af dat verdachte en [medeverdachte 1] samen een vooropgezet plan hadden om de verstandelijk beperkte [persoon 1] , van welke beperking zij beiden op de hoogte waren, in de prostitutie te laten werken en zichzelf uit de opbrengsten daarvan te bevoordelen.

Verdachte en [medeverdachte 1] hebben beiden ook daadwerkelijk voordeel getrokken uit de uitbuiting van [persoon 1] .

Conclusie

Verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] vervulden aldus ieder een eigen, elkaar over en weer aanvullende rol bij het tot stand brengen en houden van de uitbuitingssituatie van [persoon 1] . Op basis van de hiervoor geformuleerde uitgangspunten komt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte, en medeverdachten allen in zodanige mate aan de uitbuitingssituatie hebben bijgedragen, dat van een bewuste en nauwe samenwerking – in de zin van medeplegen – sprake is. Verdachte en [medeverdachte 1] in de periode Ridderkerk en Rotterdam. Voor [medeverdachte 3] geldt dit alleen de periode Ridderkerk.

4.3.4

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde (mensenhandel t.a.v. [persoon 3] )

De vraag in deze zaak is of verdachte zich al dan niet tezamen en in vereniging met een ander ( [medeverdachte 1] ) schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel ten aanzien van de minderjarige [persoon 3] in de zin van artikel 273f Sr.

4.3.4.1 Partiele vrijspraak ten aanzien van artikel 273f lid 1, 4 en 6 Sr

De rechtbank is van oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het haar onder 3 ten laste gelegde, ten aanzien van sub 1, 4 en 6 en overweegt daartoe als volgt. Uit het dossier blijkt niet zonder meer dat verdachte als dader of als mededader tegen [persoon 3] één van de in de tenlastelegging genoemde dwangmiddelen heeft gebruikt. Evenmin is uit het dossier af te leiden dat verdachte opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van [persoon 3] , nu niet blijkt dat [persoon 3] daadwerkelijk werkzaamheden in de prostitutie heeft verricht en daaruit inkomsten heeft gegenereerd. Het dossier bevat voor een en ander onvoldoende aanknopingspunten. Verdachte wordt daarom van dit feit partieel vrijgesproken.

4.3.4.2 Bewijs

De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde, mensenhandel ten aanzien van [persoon 3] , met dien verstande dat zij zich tezamen en in vereniging met [medeverdachte 1] schuldig heeft gemaakt aan het bepaalde in artikel 273f, eerste lid, sub 5 Sr. De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen verklaarde feit heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen zijn vervat.

4.3.4.3 Nadere bewijsoverwegingen

Artikel 273f, eerste lid, sub 5 Sr

Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat verdachte samen met [medeverdachte 1] [persoon 3] ertoe heeft gebracht zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met en/of voor een derde tegen betaling, terwijl die [persoon 3] de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt. Voor een bewezenverklaring van sub 5 is het niet noodzakelijk dat het slachtoffer al in de prostitutie heeft gewerkt of daadwerkelijk is uitgebuit. Bepalend voor sub 5 is dat het slachtoffer zich door beïnvloeding daarvoor beschikbaar heeft gesteld. Minderjarigheid vormt een geobjectiveerd bestanddeel. Aan de wil van de minderjarige en daarmee de instemming komt geen betekenis toe. Evenmin doet ter zake of verdachte bekend was met de minderjarigheid van het slachtoffer.

De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een voltooid delict en overweegt daartoe het volgende. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte en [medeverdachte 1] [persoon 3] hebben bewogen om mee te komen naar de woning in Rotterdam, alwaar prostitutiewerkzaamheden werden verricht door [persoon 1] en [persoon 2] , teneinde [persoon 3] vertrouwd te laten worden met de omgeving van het prostitutiewerk. Voorts blijkt uit de bewijsmiddelen dat verdachte de werknaam [naam 5] voor [persoon 3] had verzonnen en seksueel getinte foto’s van [persoon 3] had gemaakt voor plaatsing op een of meer sekssites. Eén van de foto’s van [persoon 3] , waarop ook [persoon 1] en [persoon 2] stonden afgebeeld, is ook daadwerkelijk op een sekssite geplaatst met de titel ‘meidenavond’.

Uit de verklaring van [persoon 2] blijkt dat verdachte advertenties van haar en [naam 5] op sekssites probeerde te zetten, maar dat dat niet lukte omdat ze er te jong uitzagen. Ook heeft zij verklaard dat verdachte [naam 5] daarom webcamseks wilde laten doen. [persoon 3] heeft in haar verhoor verklaard dat zij met verdachte heeft gesproken over werken in de prostitutie. Verdachte heeft haar gezegd dat zij haar kon helpen. [medeverdachte 1] had haar gevraagd of ze kon blijven slapen, omdat het in de nachten en in de ochtend vroeg beter verdiende.

Uit de appberichten in het dossier blijkt daarnaast het volgende. Op 6 november 2015 heeft verdachte naar [medeverdachte 1] geappt dat ze “snel meer meiden nodig hebben”. [medeverdachte 1] lachte en zei: “ik ben geen pimp, maar zal mijn best doen”. Op 16 november 2015 kreeg [medeverdachte 1] een appbericht binnen van een NNman die aangaf dat “die meid online is gezet ( [naam 4] )” en [medeverdachte 1] “nog een andere moest fixen”. Kort daarna appte NNman naar [medeverdachte 1] dat het “lichte meisje ook kan komen, maar dat zij niet kan blijven slapen”. Over dit lichte meisje heeft verdachte ter terechtzitting verklaard dat hiermee [persoon 3] wordt bedoeld. [medeverdachte 1] heeft naar NNman geappt dat “ze geld mislopen als de lichte er niet is”. De NNman heeft hierop gereageerd dat [naam 4] er toch is, waarop [medeverdachte 1] reageerde dat ze samen een klant hadden.

De rechtbank maakt uit het hiervoor overwogene op dat verdachte en [medeverdachte 1] (en een andere persoon) het opzet hadden op het tewerkstellen van [persoon 3] in de prostitutie. Voorts volgt uit een en ander dat [persoon 3] zich ook daadwerkelijk voor prostitutiewerkzaamheden al dan niet via webcam beschikbaar heeft gesteld. Daarmee is de delictsomschrijving vervuld en sprake van een voltooid delict. Dat niet is gebleken dat daadwerkelijk seksuele handelingen met of voor een derde zijn verricht maakt dit niet anders en is slechts voor de strafmaat van belang.

4.3.4.4 Medeplegen

Wat betreft de algemene overwegingen ten aanzien van het leerstuk van het medeplegen, verwijst de rechtbank naar het onder 4.3.3.4 overwogene. Toegepast op deze zaak komt de rechtbank tot de volgende beoordeling.

Op basis van het onder 4.3.4.3 overwogene komt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte en [medeverdachte 1] in zodanige mate aan de bewezen verklaarde mensenhandel jegens [persoon 3] hebben bijgedragen, dat van een bewuste en nauwe samenwerking – in de zin van medeplegen – sprake is.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte:

ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

in de periode van 20 oktober 2015 tot en met 18 december 2015 te Rotterdam en/of Ridderkerk, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, een ander, te weten [persoon 1] , door misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht, door misbruik van een kwetsbare positie, heeft geworven, vervoerd, gehuisvest of opgenomen, met het oogmerk van seksuele uitbuiting van voornoemde [persoon 1] en

voornoemde [persoon 1] heeft bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten van seksuele aard en

opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de seksuele uitbuiting van voornoemde [persoon 1] ,

immers heeft, zij verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, terwijl zij, verdachte en/of haar mededader(s) wisten dan wel redelijkerwijs konden vermoeden dat voornoemde [persoon 1] zwakbegaafd was en/of geen woonruimte meer had en/of schulden had en/of dat voornoemde [persoon 1] een klein sociaal netwerk had:

  • -

    met voornoemde [persoon 1] een relatie is aangegaan en/of

  • -

    naaktfoto's en seksueel getinte foto's en/of één of meer advertentie(s) van voornoemde [persoon 1] aangemaakt en geplaatst op één of meer sekssite(s) onder de naam [naam 2] , en

  • -

    een woning geregeld voor voornoemde [persoon 1] alwaar zij de prostitutiewerkzaamheden kon verrichten en

  • -

    voornoemde [persoon 1] gebracht naar de woning van haar, verdachte en/of haar mededader(s) en

  • -

    voornoemde [persoon 1] bewogen bij ziekte te werken in de prostitutie en

  • -

    voor voornoemde [persoon 1] eten en kleding en lingerie en condooms geregeld en

  • -

    klanten voor voornoemde [persoon 1] geboekt en

  • -

    prijsafspraken met klanten gemaakt en

  • -

    voornoemde [persoon 1] bewogen seksuele handelingen met klanten te ondergaan en

  • -

    voornoemde [persoon 1] in de gaten gehouden en

  • -

    haar verdiensten uit de (prostitutie)werkzaamheden aan haar, verdachte en/of haar mededader(s) af laten staan

  • -

    tegen voornoemde [persoon 1] gezegd dat zij een gangbang moest doen

  • -

    dat zij moest werken in de prostitutie om haar schulden te betalen en om samen in een huis te kunnen gaan wonen;

ten aanzien van het onder 3 primair ten laste gelegde

in de periode van 1 november 2015 tot en met 31 december 2015 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, een ander, te weten [persoon 3] ,

ertoe heeft gebracht zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met en/of voor een derde tegen betaling, terwijl die [persoon 3] de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt,

immers heeft, hij verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen:

  • -

    voornoemde [persoon 3] bewogen mee te komen naar een woning, alwaar prostitutiewerkzaamheden werd bedreven, teneinde die [persoon 3] vertrouwd te laten maken met de omgeving en

  • -

    seksueel getinte foto's aan voornoemde [persoon 3] aangemaakt voor plaatsing op een of meer sekssites onder de naam [naam 5] en

  • -

    aan voornoemde [persoon 3] gevraagd of zij webcamseks wilde verrichten.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf

8.1.

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1, 2 en 3 primair bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. De officier van justitie heeft verzocht de bijzondere voorwaarden op te leggen zoals geadviseerd in het reclasseringsrapport van 4 mei 2016.

8.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht, indien de rechtbank voorbij gaat aan de bepleitte vrijspraak, rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en het geringe aandeel van verdachte in het ten laste gelegde. De raadsman heeft aangevoerd dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf tot destabilisatie van de leefsituatie van verdachte zou leiden, de ingezette trajecten worden beëindigd, verdachte kan haar betalingsregelingen niet meer nakomen en haar zoon zou in een pleeggezin geplaatst worden. De raadsman heeft verzocht de onvoorwaardelijke gevangenisstraf te beperken tot de tijd van het voorarrest, met oplegging van de maximale taakstraf.

8.3.

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Mensenhandel waarbij iemand in de prostitutie wordt gebracht is een vergaande en ontluisterende manier van uitbuiting, waarbij de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer, een in de nationale en in de internationale rechtsorde vastgelegd fundamenteel recht, ondergeschikt wordt gemaakt aan de zucht naar geldelijk gewin van de uitbuiters. Daarmee is de ernst van het door verdachte gepleegde misdrijf gegeven. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van uitbuiting in de prostitutie doorgaans nog lange tijd de psychische gevolgen hiervan ondervinden.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mensenhandel ten aanzien van twee slachtoffers. Bij de beoordeling van de ernst heeft de rechtbank ook rekening gehouden met de omstandigheden waaronder het feit is begaan, waaronder de duur van het feit en de mate van uitbuiting, de leeftijd en kwetsbare positie van de slachtoffers en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Verdachte heeft zich, in een periode van twee maanden, telkens samen met een ander of anderen schuldig gemaakt aan mensenhandel ten aanzien van de verstandelijk beperkte [persoon 1] . De kern van het handelen van verdachte en medeverdachten was de misleiding van [persoon 1] , het maken van misbruik van de kwetsbare positie waarin zij verkeerde èn het overwicht dat verdachte en haar medeverdachten op haar hadden. [persoon 1] heeft een verstandelijke beperking en psychische problemen, had geen eigen woning, had schulden, een klein sociaal netwerk en was smoorverliefd op [medeverdachte 1] . Verdachten hebben telkens op een respectloze wijze samengewerkt om [persoon 1] aan het werk in de prostitutie te krijgen dan wel te houden. Verdachte is met [persoon 1] een vriendschappelijke relatie aangegaan en deed haar geloven dat zij het beste met haar voor had. [persoon 1] vertrouwde verdachte en [medeverdachte 1] volledig. Zij boden haar onderdak, een plek om te werken en gaven haar te eten. Verdachte en haar medeverdachten hebben [persoon 1] onder deze omstandigheden opzettelijk uitgebuit in de prostitutie en verdachte en [medeverdachte 1] hebben daar ook voordeel uit getrokken. Verdachte heeft bij de uitbuiting van [persoon 1] niet de hoofdrol maar wel een voorname, faciliterende rol gespeeld.

Daarnaast heeft verdachte zich, in een periode van anderhalve maand, samen met een ander, schuldig gemaakt aan mensenhandel ten aanzien van de (ruim) minderjarige [persoon 3] (toen 15 jaar). Verdachte heeft samen met medeverdachte [medeverdachte 1] [persoon 3] ertoe gebracht dat zij zich beschikbaar heeft gesteld voor het verrichten van prostitutiewerkzaamheden, met derden dan wel via een webcam. Zij hebben [persoon 3] vertrouwd gemaakt met de omgeving waarin prostitutiewerk werd verricht door haar mee te nemen naar de woning in Rotterdam, haar te laten helpen met het boeken van klanten voor [persoon 1] en haar te laten zien hoe het er in de woning aan toe ging. Er is een werknaam voor [persoon 3] bedacht ( [naam 5] ), er zijn seksueel getinte foto’s van haar gemaakt, en er is een advertentie aangemaakt. Ten aanzien van [persoon 3] waardeert de rechtbank de rollen van verdachte en [medeverdachte 1] als gelijkwaardig.

De rechtbank heeft rekening gehouden met de volgende omstandigheden die de persoon van verdachte betreffen.

De rechtbank heeft kennis genomen van hetgeen over de persoonlijke omstandigheden van verdachte ter terechtzitting is besproken.

Uit het reclasseringsrapport van 4 mei 2016 blijkt dat verdachte met haar zoontje op een nieuw adres woont in Gouda, dat zij schulden heeft en zij moeite heeft om haar leven weer op orde te krijgen. Verdachte heeft een verleden waarin zij zowel (in haar kindertijd) door haar moeder als door haar partner werd mishandeld. Verdachte lijkt haar psychische problemen niet te erkennen. De reclassering sluit een relatie tussen haar financiële positie, haar instabiele woonsituatie en psychische problematiek en het delict niet uit. De reclassering acht het van belang dat een diagnose wordt gesteld en dat verdachte wordt behandeld bij De Waag of een soortgelijke instelling. Uit het reclasseringsrapport van 22 september 2016 blijkt dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf grote negatieve consequenties voor verdachte zal hebben.

Hoewel een onvoorwaardelijke straf (opnieuw) tot destabilisatie van het leven van verdachte zal leiden, is de rechtbank, anders dan de raadsman, van oordeel dat gelet op het bewezenverklaarde een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur op zijn plaats is uit een oogpunt van vergelding, speciale en algemene preventie. Echter, ziet de rechtbank aanleiding bij het bepalen van de strafmaat en de vaststelling van de hoogte daarvan, rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en aan verdachte een deel van de straf voorwaardelijk op te leggen, met toepassing van de in voornoemd advies genoemde voorwaarden.

De rechtbank zal, nu zij anders dan de officier van justitie verdachte vrijspreekt van het haar onder 2 ten laste gelegde, in matigende zin afwijken van de strafeis en aan verdachte een gevangenisstraf opleggen van 22 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

9 Beslag

De officier van justitie heeft gevorderd de in beslag genomen goederen onder 6 en 7, op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst, verbeurd te verklaren, de in beslag genomen goederen onder 1 t/m 4 en 8 t/m 13 terug te geven aan verdachte en het goed onder 5 te bewaren ten behoeve van de rechthebbende, te weten [persoon 1] .

De raadsman heeft verzocht de in beslag goederen, met uitzondering van het goed onder 5, te retourneren aan verdachte.

De rechtbank oordeelt als volgt.

Het in beslag genomen goed onder 5 op de beslaglijst zal worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende, te weten [persoon 1] .

De onder 6 en 7 in beslag genomen goederen, die aan verdachte toebehoren, worden verbeurd verklaard en zijn daarvoor vatbaar, nu met behulp van dit goed de bewezen geachte feiten zijn begaan.

Ten aanzien van de in beslag genomen goederen onder 1 t/m 4 en 8 t/m 13 op de beslaglijst zal een last worden gegeven tot teruggave aan verdachte.

10 Vordering van de benadeelde partij [persoon 1] (feit 1)

De benadeelde partij, [persoon 1] , vordert een bedrag van € 5.500,- aan materiële schadevergoeding en € 15.000,- aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering tot materiële schade bestaat uit afgedragen inkomsten uit prostitutiewerkzaamheden over de gehele ten laste gelegde periode.

10.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij geheel toe te wijzen. De officier van justitie heeft voorts verzocht het toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

10.2

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij dient te worden afgewezen vanwege de bepleitte vrijspraak. De raadsman heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat de vordering niet ontvankelijk dient te worden verklaard, nu de behandeling van die vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De raadsman heeft daarnaast ten aanzien van de gevorderde immateriële schadevergoeding betoogd dat een causaal verband tussen de gevorderde schade en het ten laste gelegde ontbreekt en dat de vordering derhalve niet ontvankelijk dient te worden verklaard.

10.3

Oordeel van de rechtbank

10.3.1

Inleiding

Uit het onderzoek ter terechtzitting is de rechtbank voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit rechtstreeks materiële en immateriële schade heeft geleden. De vordering is – anders dan gesteld door de raadsman – voldoende onderbouwd en de behandeling van de vordering levert niet een onevenredige belasting van het strafgeding op.

De schade kan op na te melden wijze worden gewaardeerd.

De rechtbank gaat bij het bepalen van de door de benadeelde partij geleden materiële en immateriële schade uit van de volgende drie periodes. Hoewel er aanwijzingen zijn dat op meer dagen is gewerkt gaat de rechtbank schattenderwijs uit van 5 werkdagen per week.

Periodes

- de periode in Amsterdam van 29 augustus 2015 tot en met 7 oktober 2015 (afgerond 5 weken). Het aantal door de benadeelde partij gewerkte dagen wordt door de rechtbank, uitgaande van 5 werkdagen per week, geschat op 25 dagen;

- de periode in Ridderkerk van 24 oktober 2015 tot en met 13 november 2015 (3 weken). Het aantal door de benadeelde partij gewerkte dagen wordt door de rechtbank, uitgaande van 5 werkdagen per week, geschat op 15 dagen en

- de periode in Rotterdam van 14 november 2015 tot en met 18 december 2015 (5 weken). Het aantal door de benadeelde partij gewerkte dagen wordt door de rechtbank, uitgaande van 5 werkdagen per week, geschat op 25 dagen.

Medeschuld en hoofdelijkheid

In dit geval is sprake van medeschuld, hetgeen betekent dat ook de medeverdachten (deels) aansprakelijk zijn voor deze schade. De onderlinge draagplicht tussen de mededaders ten aanzien van de schade wordt, in de volgende paragrafen, vastgesteld in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen. De benadeelde partij kan zowel verdachte als de medeverdachten aanspreken voor een (hierna nader te bepalen) gedeelte van de schade, met dien verstande dat wanneer één van hen betaalt, de anderen jegens de benadeelde partij zijn bevrijd.

10.3.2

Vordering tot materiële schade

In de vordering tot materiële schadevergoeding wordt ervan uitgegaan dat de benadeelde partij per dag een minimumbedrag van € 100,- moet hebben verdiend. De rechtbank sluit zich hierbij aan en benadrukt dat het gevorderde bedrag van € 100,- per dag een schatting is op het minimum en dat zij ervan uitgaat dat de benadeelde partij meer inkomsten uit prostitutie moet hebben gegenereerd. De vordering is voor het maken van deze schatting voldoende onderbouwd.

Voor de periode in Amsterdam betekent dit dat de benadeelde partij 25 (dagen) x € 100,- =

€ 2.500,- heeft verdiend en dat zij deze verdiensten aan [medeverdachte 1] en zijn mededaders heeft afgestaan.

Voor de periode in Ridderkerk betekent dit dat de benadeelde partij 15 (dagen) x € 100,- =

€ 1.500,- heeft verdiend en dat zij deze verdiensten aan verdachte en haar mededaders heeft afgestaan.

En voor de periode in Rotterdam betekent dit dat de benadeelde partij 25 (dagen) x € 100,- =

€ 2.500,- heeft verdiend en dat zij deze verdiensten aan verdachte en haar mededaders heeft afgestaan.

Uitgaande van voornoemde berekening heeft de benadeelde partij in totaal over de gehele periode € 6.500,- verdiend en aan verdachten afgestaan. Nu dit bedrag uitkomt boven het totaal gevorderde bedrag, te weten € 5.500,-, zal de rechtbank de gehele vordering van de benadeelde partij, dus tot een bedrag van € 5.500,- toewijzen. Het verschil van € 1.000,- wordt op navolgende wijze, in evenredigheid van de in de verschillende periodes gewerkte dagen, van het totaal gevorderde bedrag afgetrokken.

Voor de periode in Amsterdam geldt dat 5/13 van € 1.000,- (zijnde € 385,-) wordt afgetrokken van € 2.500,-. € 2.500,- minus 385,- = € 2.115,-. De rechtbank heeft bewezen verklaard dat [medeverdachte 1] in deze periode samen met [medeverdachte 2] voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting. De rechtbank acht derhalve zowel [medeverdachte 1] als [medeverdachte 2] hoofdelijk aansprakelijk voor een bedrag van € 2.115,-. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade (in elk geval) is geleden, te weten 7 oktober 2015.

Voor de periode in Ridderkerk geldt dat 3/13 van € 1.000,- (zijnde € 230,-) wordt afgetrokken van € 2.500,-. € 2.500,- minus 385,- = € 1.270,-. De rechtbank heeft bewezen verklaard dat verdachte in deze periode samen met [medeverdachte 1] voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting. De rechtbank acht derhalve zowel verdachte als [medeverdachte 1] hoofdelijk aansprakelijk voor een bedrag van € 1.270,-. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade (in elk geval) is geleden, te weten 13 november 2015.

Voor de periode in Rotterdam geldt dat 5/13 van € 1.000,- (zijnde € 385,-) wordt afgetrokken van € 2.500,-. € 2.500,- minus 385,- = € 2.115,-. De rechtbank heeft bewezen verklaard dat verdachte in deze periode samen met [medeverdachte 1] voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting. De rechtbank acht derhalve zowel verdachte als [medeverdachte 1] hoofdelijk aansprakelijk voor een bedrag van € 2.115,-. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade (in elk geval) is geleden, te weten 18 december 2015.

Conclusie vordering materiële schade

Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank, deels schattenderwijs, ten aanzien van verdachte, de materiële schade met betrekking tot het in het onderhavige vonnis bewezen verklaarde vast op een bedrag van € 3.385,-, vermeerderd met de wettelijke rente, zoals hierboven beschreven. De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen. Verdachte is hoofdelijk aansprakelijk voor het gehele bedrag, te weten € 3.385,-. De rechtbank zal verdachte veroordelen tot betaling van het toegewezen bedrag aan de benadeelde partij, behalve voor zover deze vordering reeds door of namens een ander of anderen is betaald.

10.3.3

Vordering tot immateriële schade

De benadeelde partij heeft € 15.000,- aan immateriële schade gevorderd. De vordering is naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd. Rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden opgelegd, acht de rechtbank de vordering ook billijk en derhalve geheel voor toewijzing vatbaar.

Uitgaande van de hiervoor onder 10.3.1 gehanteerde periodes komt de rechtbank tot de volgende verdeling.

Voor de periode in Amsterdam geldt dat 5/13 van € 15.000,-, zijnde € 5.769,23 voor toewijzing vatbaar is. De rechtbank heeft bewezen verklaard dat [medeverdachte 1] zich in deze periode samen met [medeverdachte 2] schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel. De rechtbank acht derhalve zowel [medeverdachte 1] als [medeverdachte 2] hoofdelijk aansprakelijk voor dit bedrag van € 5.769,23. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade (in elk geval) is geleden, te weten 7 oktober 2015.

Voor de periode in Ridderkerk geldt dat 3/13 van € 15.000,-, zijnde € 3.461,54 voor toewijzing vatbaar is. De rechtbank heeft bewezen verklaard dat verdachte zich in deze periode samen met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel. De rechtbank acht derhalve zowel verdachte als [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] hoofdelijk aansprakelijk voor een bedrag van € 3.461,54. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade (in elk geval) is geleden, te weten 13 november 2015.

Voor de periode in Rotterdam geldt dat 5/13 van € 15.000,-, zijnde € 5.769,23 voor toewijzing vatbaar is. De rechtbank heeft bewezen verklaard dat verdachte zich in deze periode samen met [medeverdachte 1] schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel. De rechtbank acht derhalve zowel verdachte als [medeverdachte 1] hoofdelijk aansprakelijk voor een bedrag van € 5.769,23. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade (in elk geval) is geleden, te weten 18 december 2015.

Conclusie vordering immateriële schade

Verdachte is aansprakelijk voor twee periodes, namelijk in Ridderkerk en Rotterdam. Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank, ten aanzien van verdachte, de immateriële schade met betrekking tot het in het onderhavige vonnis bewezen verklaarde vast op een bedrag van

€ 9.230,77, vermeerderd met de wettelijke rente, zoals hierboven beschreven. De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen. Verdachte is hoofdelijk aansprakelijk voor het gehele bedrag, te weten € 9.230,77. Deze hoofdelijkheid betreft voor de verschillende periodes verschillende mededaders, zoals hierboven weergegeven. De rechtbank zal verdachte veroordelen tot betaling van het toegewezen bedrag aan de benadeelde partij, behalve voor zover deze vordering reeds door of namens een ander of anderen is betaald.

10.3.4

Conclusie gehele vordering

De rechtbank stelt het totaal toe te wijzen schadevergoedingsbedrag vast op € 12.615,77. Verdachte is hiervoor hoofdelijk aansprakelijk met mededaders, zoals hierboven is weergegeven.

11 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 33, 33a, 36f, 57 en 273f van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

12 Beslissing

Verklaart het onder 2 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en 3 primair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde:

mensenhandel, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

ten aanzien van het onder 3 primair bewezen verklaarde:

mensenhandel jegens een persoon beneden de achttien jaren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 22 (tweeëntwintig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 6 (zes) maanden, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet aan de volgende algemene voorwaarden houdt.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde

1. zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt en

3. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

Meldplicht

De veroordeelde moet zich na uitnodiging melden bij een nader aan te wijzen reclasseringsorganisatie. Hierna moet zij zich blijven melden zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht en zich houden aan de aanwijzingen die haar door de reclassering worden gegeven.

Behandelverplichting - Ambulante behandeling

De veroordeelde wordt verplicht om zich te laten behandelen bij de Waag of een soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij betrokkene zich zal houden aan de aanwijzingen die haar in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven.

Contactverbod

De veroordeelde wordt verboden contact te (laten) leggen met de heer [medeverdachte 1] en mevrouw [persoon 1] , zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

Geeft aan genoemde instelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Verklaart verbeurd:

de onder 6 en 7 in beslag genomen goederen op de beslaglijst.

Gelast de teruggave aan [verdachte] van:

de in beslag genomen goederen onder 1 t/m 4 en 8 t/m 13 op de beslaglijst.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende, [persoon 1] , van:

het in beslag genomen goed onder 5 op de beslaglijst.

Ten aanzien van de vordering benadeelde partij:

Wijst de vordering van [persoon 1], domicilie kiezende ten kantore van haar raadsvrouw, mr. A. Koopsen op het adres [adres 2] , toe tot

€ 12.615,77 (zegge twaalfduizend zeshonderdvijftien euro en zevenenzeventig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening, zoals hieronder ten aanzien van de verschillende periodes is vastgelegd.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [persoon 1] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander of anderen is betaald, zoals dit meer specifiek hieronder is vastgelegd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [persoon 1] aan de Staat € 12.615,77 (zegge twaalfduizend zeshonderdvijftien euro en zevenenzeventig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening, zoals hieronder ten aanzien van de verschillende periodes is vastgelegd, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 98 dagen. De toepassing van die hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte of een ander of anderen aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Berekening hoofdelijkheid

De rechtbank gaat bij het bepalen van de door de benadeelde partij geleden materiële en immateriële schade uit van de volgende drie periodes.

Periodes

- de periode in Amsterdam van 29 augustus 2015 tot en met 7 oktober 2015 (afgerond 5 weken). Het aantal door de benadeelde partij gewerkte dagen wordt door de rechtbank, uitgaande van 5 werkdagen per week, geschat op 25 dagen;

- de periode in Ridderkerk van 24 oktober 2015 tot en met 13 november 2015 (3 weken). Het aantal door de benadeelde partij gewerkte dagen wordt door de rechtbank, uitgaande van 5 werkdagen per week, geschat op 15 dagen en

- de periode in Rotterdam van 14 november 2015 tot en met 18 december 2015 (5 weken). Het aantal door de benadeelde partij gewerkte dagen wordt door de rechtbank, uitgaande van 5 werkdagen per week, geschat op 25 dagen.

Medeschuld en hoofdelijkheid

In dit geval is sprake van medeschuld, hetgeen betekent dat ook de medeverdachten (deels) aansprakelijk zijn voor deze schade. De onderlinge draagplicht tussen de mededaders ten aanzien van de schade wordt, in de volgende paragrafen, vastgesteld in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen. De benadeelde partij kan zowel verdachte als de medeverdachten aanspreken voor een (hierna nader te bepalen) gedeelte van de schade, met dien verstande dat wanneer één van hen betaalt, de anderen jegens de benadeelde partij zijn bevrijd.

Vordering tot materiële schade

Voor de periode in Amsterdam heeft de benadeelde partij 25 (dagen) x € 100,- =

€ 2.500,- verdiend en heeft zij deze verdiensten aan [medeverdachte 1] en zijn mededaders afgestaan.

Voor de periode in Ridderkerk heeft de benadeelde partij 15 (dagen) x € 100,- =

€ 1.500,- verdiend en heeft zij deze verdiensten aan verdachte en haar mededaders afgestaan.

En voor de periode in Rotterdam heeft de benadeelde partij 25 (dagen) x € 100,- =

€ 2.500,- verdiend en heeft zij deze verdiensten aan verdachte en haar mededaders afgestaan.

Uitgaande van voornoemde berekening heeft de benadeelde partij in totaal over de gehele periode € 6.500,- verdiend en aan verdachten afgestaan. Nu dit bedrag uitkomt boven het totaal gevorderde bedrag, te weten € 5.500,-, zal de rechtbank de gehele vordering van de benadeelde partij, dus tot een bedrag van € 5.500,- toewijzen. Het verschil van € 1.000,- wordt op navolgende wijze, in evenredigheid van de in de verschillende periodes gewerkte dagen, van het totaal gevorderde bedrag afgetrokken.

Voor de periode in Amsterdam geldt dat 5/13 van € 1.000,- (zijnde € 385,-) wordt afgetrokken van € 2.500,-. € 2.500,- minus 385,- = € 2.115,-. De rechtbank heeft bewezen verklaard dat [medeverdachte 1] in deze periode samen met [medeverdachte 2] voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting. De rechtbank acht derhalve zowel [medeverdachte 1] als [medeverdachte 2] hoofdelijk aansprakelijk voor een bedrag van € 2.115,-. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade (in elk geval) is geleden, te weten 7 oktober 2015.

Voor de periode in Ridderkerk geldt dat 3/13 van € 1.000,- (zijnde € 230,-) wordt afgetrokken van € 2.500,-. € 2.500,- minus 385,- = € 1.270,-. De rechtbank heeft bewezen verklaard dat verdachte in deze periode samen met [medeverdachte 1] voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting. De rechtbank acht derhalve zowel verdachte als [medeverdachte 1] hoofdelijk aansprakelijk voor een bedrag van € 1.270,-. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade (in elk geval) is geleden, te weten 13 november 2015.

Voor de periode in Rotterdam geldt dat 5/13 van € 1.000,- (zijnde € 385,-) wordt afgetrokken van € 2.500,-. € 2.500,- minus 385,- = € 2.115,-. De rechtbank heeft bewezen verklaard dat verdachte in deze periode samen met [medeverdachte 1] voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting. De rechtbank acht derhalve zowel verdachte als [medeverdachte 1] hoofdelijk aansprakelijk voor een bedrag van € 2.115,-. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade (in elk geval) is geleden, te weten 18 december 2015.

Conclusie vordering materiële schade

De rechtbank stelt, ten aanzien van verdachte, de materiële schade vast op een bedrag van

€ 3.385,-, vermeerderd met de wettelijke rente, zoals hierboven beschreven. De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen. Verdachte is hoofdelijk aansprakelijk voor het gehele bedrag, te weten € 3.385,-. De rechtbank zal verdachte veroordelen tot betaling van het toegewezen bedrag aan de benadeelde partij, behalve voor zover deze vordering reeds door of namens een ander of anderen is betaald.

Vordering tot immateriële schade

De benadeelde partij heeft € 15.000,- aan immateriële schade gevorderd. De rechtbank acht de vordering billijk en derhalve geheel voor toewijzing vatbaar.

Uitgaande van de hiervoor gehanteerde periodes komt de rechtbank tot de volgende verdeling.

Voor de periode in Amsterdam geldt dat 5/13 van € 15.000,-, zijnde € 5.769,23 voor toewijzing vatbaar is. De rechtbank heeft bewezen verklaard dat [medeverdachte 1] zich in deze periode samen met [medeverdachte 2] schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel. De rechtbank acht derhalve zowel [medeverdachte 1] als [medeverdachte 2] hoofdelijk aansprakelijk voor dit bedrag van € 5.769,23. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade (in elk geval) is geleden, te weten 7 oktober 2015.

Voor de periode in Ridderkerk geldt dat 3/13 van € 15.000,-, zijnde € 3.461,54 voor toewijzing vatbaar is. De rechtbank heeft bewezen verklaard dat verdachte zich in deze periode samen met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel. De rechtbank acht derhalve zowel verdachte als [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] hoofdelijk aansprakelijk voor een bedrag van € 3.461,54. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade (in elk geval) is geleden, te weten 13 november 2015.

Voor de periode in Rotterdam geldt dat 5/13 van € 15.000,-, zijnde € 5.769,23 voor toewijzing vatbaar is. De rechtbank heeft bewezen verklaard dat verdachte zich in deze periode samen met [medeverdachte 1] schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel. De rechtbank acht derhalve zowel verdachte als [medeverdachte 1] hoofdelijk aansprakelijk voor een bedrag van € 5.769,23. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade (in elk geval) is geleden, te weten 18 december 2015.

Conclusie vordering immateriële schade

Verdachte is aansprakelijk voor twee periodes, namelijk in Ridderkerk en Rotterdam. Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank, ten aanzien van verdachte, de immateriële schade met betrekking tot het in het onderhavige vonnis bewezen verklaarde vast op een bedrag van

€ 9.230,77, vermeerderd met de wettelijke rente, zoals hierboven beschreven. De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen. Verdachte is hoofdelijk aansprakelijk voor het gehele bedrag, te weten € 9.230,77. Deze hoofdelijkheid betreft voor de verschillende periodes verschillende mededaders, zoals hierboven weergegeven. De rechtbank zal verdachte veroordelen tot betaling van het toegewezen bedrag aan de benadeelde partij, behalve voor zover deze vordering reeds door of namens een ander of anderen is betaald.

Conclusie gehele vordering

De rechtbank stelt het totaal toe te wijzen schadevergoedingsbedrag vast op € 12.615,77. Verdachte is hiervoor hoofdelijk aansprakelijk met mededaders, zoals hierboven is weergegeven.

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.M.M. Gabel, voorzitter,

mrs. A.J. Dondorp en V.V. Essenburg, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.R. Baart, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 januari 2017.

[...]

[...]