Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:10586

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
23-01-2017
Datum publicatie
07-08-2018
Zaaknummer
13/684102-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich in een periode van 3 weken als medeplichtige schuldig gemaakt aan mensenhandel tav de verstandelijk beperkte persoon door zijn woning beschikbaar te stellen. Verdachte wordt veroordeeld tot een gev van 3 dgn m.a. en ts van 240 uur

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/684102-16 (13Katwilg) en 10/081343-15 (TUL)

Datum uitspraak: 23 januari 2017

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,


geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1984,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres]

.

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 8, 9 en 12 december 2016. Het onderzoek is ter terechtzitting van 9 januari 2017 gesloten.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. S. de Klerk en van wat, waarnemend voor mr. S.C. van Paridon, gemachtigd raadsvrouw van verdachte mr. J.J.E. Stout naar voren heeft gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan mede(plegen) van mensenhandel (artikel 273f lid 1 sub 1, 4 en 6 van het Wetboek van Strafrecht (Sr)) ten aanzien van [persoon] (hierna: [persoon] ), in de periode van 24 oktober 2015 tot en met 13 november 2015, subsidiair medeplichtigheid aan mensenhandel.

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft zich – hier kort zakelijk en in haar requisitoir uitgebreid weergegeven – op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde, medeplegen van mensenhandel, nu zijn betrokkenheid bij de mensenhandel enkel bestaat uit het ter beschikking stellen van zijn woning. De subsidiair ten laste gelegde medeplichtigheid aan mensenhandel kan wel bewezen worden, aldus de officier van justitie. De officier van justitie heeft daarbij gewezen op de verklaringen van [persoon] , van verdachte en medeverdachten, alsmede de appberichten in het dossier.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich – hier kort zakelijk en in haar pleidooi uitgebreid weergegeven – op het standpunt gesteld dat de verklaringen van [persoon] dienen te worden uitgesloten van het bewijs. Gelet op de onwaarheden en tegenstrijdigheden in haar verklaring, de diverse medicatie die [persoon] gebruikt, de stoornissen waaraan ze lijdt en haar lage IQ kunnen haar verklaringen niet als betrouwbaar worden aangemerkt. Voorts heeft zij zich aangesloten bij het verweer dat de betrouwbaarheid zou zijn aangetast door te vergaande beïnvloeding door de politie. De raadsvrouw heeft gesteld dat verdachte derhalve dient te worden vrijgesproken, nu de verklaringen van [persoon] de enige bron zijn voor de verdenking jegens verdachte en hiernaast voldoende wettig bewijs ontbreekt. De raadsvrouw heeft voorts betoogd dat verdachte geen enkele bijdrage heeft geleverd aan het hem ten laste gelegde. Verdachte heeft immers enkel onderdak geboden aan [persoon] . Het dossier geeft geen enkele blijk van betrokkenheid van verdachte bij de prostitutiewerkzaamheden van [persoon] of bij de verdeling van de opbrengsten daarvan. Verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde, omdat niet is gebleken van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en diens medeverdachten. Verder heeft de raadsvrouw aangevoerd dat onvoldoende bewijs voorhanden is om tot een bewezenverklaring van medeplichtigheid aan mensenhandel te komen, nu niet bewezen kan worden dat verdachte dubbel opzet had.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

Inleiding

Op 19 oktober 2015 heeft op een politiebureau in Zeeland een informatief gesprek mensenhandel plaatsgevonden met de dan 33 jarige [persoon] . [persoon] is met haar vader naar het politiebureau gekomen. [persoon] heeft over zichzelf verklaard dat zij lijdt aan borderline, dat ze medicatie slikt tegen depressiviteit en psychoses en dat ze een IQ heeft van 75. Uit het gesprek blijkt verder dat [persoon] door haar ex-man geestelijk en lichamelijk is mishandeld en dat zij om die reden door de politie eind juni 2015 in een ‘ [verblijfadres] ’ (hierna: [verblijfadres] ) in Amsterdam is geplaatst.

[persoon] heeft in dit informatief gesprek alsmede in haar latere verhoren verder het volgende verklaard. Via Badoo heeft ze een jongen genaamd [medeverdachte 1] (zoals later blijkt te zijn: medeverdachte [medeverdachte 1] ) leren kennen. Zij heeft met [medeverdachte 1] afgesproken, is naar zijn woning toe gegaan en zij hebben daar seks met elkaar gehad en kregen een relatie. [persoon] heeft [medeverdachte 1] al bij hun eerste ontmoeting verteld dat zij bij [verblijfadres] verbleef, dat zij psychische problemen had en dat zij schulden had. [medeverdachte 1] heeft op 29 augustus 2015, een dag nadat zij elkaar hadden ontmoet, aangeboden om [persoon] te helpen en heeft haar gevraagd of zij op de Wallen wilde werken. [persoon] wilde dat niet, waarop [medeverdachte 1] aangaf, na overleg met medeverdachte [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ), dat hij ook voor een website kon zorgen. [medeverdachte 1] heeft [persoon] vervolgens voorgesteld aan [medeverdachte 2] . [medeverdachte 2] heeft voor [persoon] een advertentie aangemaakt op [website 1] en [website 2] onder de naam [naam 1] . [medeverdachte 2] heeft samen met [medeverdachte 1] naaktfoto’s gemaakt van [persoon] om bij die advertentie te plaatsen. Uit onderzoek naar de advertentie op [website 1] blijkt dat deze op 31 augustus 2015 is aangemaakt en op 3 september 2015 online is gegaan. Vanaf die dag heeft [persoon] als prostituee in de woning van [medeverdachte 2] in Amsterdam gewerkt. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] boekten klanten voor [persoon] en hielden bij wat zij verdiende. [persoon] kreeg van [medeverdachte 2] of [medeverdachte 1] te horen wanneer er een klant was en zij naar het huis van [medeverdachte 2] moest komen om de klant te ontvangen. [persoon] gaf na iedere klant via whatsapp aan [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] door wat zij had verdiend. Zij gaf vervolgens haar verdiensten uit prostitutiewerkzaamheden aan hen af. [persoon] heeft zelf nooit iets van dat geld gehouden. [persoon] was overdag in de woning van [medeverdachte 2] en meldde zich elke avond bij [verblijfadres] , alwaar zij ook de nacht doorbracht. Op 5 oktober 2015 moest [persoon] [verblijfadres] verlaten en heeft [medeverdachte 2] haar aangeboden om bij haar in te trekken. Van 5 tot 7 oktober 2015 heeft [persoon] verbleven in de woning van [medeverdachte 2] in Amsterdam. Vanwege een ruzie tussen [medeverdachte 2] en [persoon] heeft [persoon] op 7 oktober 2015 haar vader gevraagd haar in Amsterdam op te komen halen. [medeverdachte 1] heeft toen de relatie met [persoon] verbroken. Vervolgens heeft [persoon] van 7 oktober tot 23 oktober 2015 bij haar ouders in Zeeland verbleven.

Op 18 december 2015 werd [persoon] door de politie in Amsterdam uitgenodigd voor een nader verhoor. Uit dit verhoor kwam naar voren dat [persoon] weer een relatie had met [medeverdachte 1] , dat hij haar naar het verhoor in Amsterdam had gebracht en hij haar daarna weer op zou komen halen. Voorts bleek uit het verhoor dat [persoon] op dat moment werkzaam was als prostituee in Rotterdam in de woning van medeverdachte [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3] ).

Verder heeft [persoon] verklaard dat ze in de periode dat ze bij haar ouders verbleef altijd contact heeft gehad met [medeverdachte 1] via whatsapp. Op een gegeven moment heeft [medeverdachte 1] haar verteld dat hij weer een woning en werk voor haar had. Twee dagen later is [persoon] naar Rotterdam vertrokken, om een dag later naar Ridderkerk te worden gebracht. [persoon] heeft in latere verhoren over de periode in Rotterdam verklaard dat [medeverdachte 3] de woon- en werkruimte had geregeld, eerst aan de [straat 1] en later aan de [straat 2] . [medeverdachte 3] had ook de advertenties voor de sekssites [website 3] , [website 1] en [website 4] gemaakt, alsmede de foto’s voor die sites. In Rotterdam heeft [persoon] gewerkt onder de naam [naam 2] . [medeverdachte 3] waardeerde de sekssites op, maakte de afspraken met klanten en regelde lingerie en condooms voor [persoon] . [persoon] gaf na elke klant aan [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] door wat zij had verdiend en gaf het geld dat zij had verdiend met haar prostitutiewerkzaamheden aan hen af. [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] hielden dit bij in een notitieboekje.

Vervolgens werd [persoon] op 19 december 2015 nogmaals gehoord. Uit dit verhoor kwam naar voren, evenals uit de daaropvolgende verhoren van [persoon] , dat zij voorafgaand aan de periode in Rotterdam naar Ridderkerk is gebracht en daar in de woning van verdachte en medeverdachte [medeverdachte 4] (hierna [medeverdachte 4] ) als prostituee had gewerkt en verbleven, namelijk in de periode van 24 oktober 2015 tot 13 november 2015. [persoon] heeft over die periode verklaard dat [medeverdachte 4] , op verzoek van [medeverdachte 1] , de advertenties op [website 1] en [website 2] aanmaakte en deze ook opwaardeerde. [medeverdachte 4] heeft ten behoeve van die sekssites seksueel getinte foto’s van [persoon] laten maken. [persoon] werkte in Ridderkerk als prostituee onder de naam [naam 3] . Verder heeft [persoon] verklaard dat ze ook in Ridderkerk [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] na elke klant liet weten wat zij had verdiend en dat zij op hun beurt bijhielden wat de inkomsten van [persoon] waren. [persoon] deed het verdiende geld in een enveloppe en gaf dit aan verdachte. [medeverdachte 1] kwam één keer in de week het geld ophalen. [persoon] heeft verklaard dat [medeverdachte 3] van [medeverdachte 1] in Ridderkerk op haar heeft moeten passen.

Verdachte heeft tijdens zijn eerste verhoor bij de politie verklaard dat [persoon] een tijdje bij hem en [medeverdachte 4] heeft ingewoond, maar dat hij niets wist van de prostitutiewerkzaamheden van [persoon] in zijn woning.

4.3.2

Ten aanzien van het ten laste gelegde (mensenhandel t.a.v. [persoon] )

Dat [persoon] in de periode van september 2015 tot en met december 2015 achtereenvolgens in Amsterdam, Ridderkerk en Rotterdam in de prostitutie heeft gewerkt en dat verdachte en medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] hierbij in meer of mindere mate betrokken zijn geweest, staat niet ter discussie. De vraag in de onderhavige zaak is of verdachte zich, in de periode van 24 oktober 2015 tot en met 13 november 2015 in Ridderkerk, met zijn handelen al dan niet tezamen en in vereniging met een ander of anderen dan wel als medeplichtige, schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel ten aanzien van [persoon] in de zin van artikel 273f lid 1 sub 1, 4 en 6 Sr.

4.3.2.1 Overweging omtrent de betrouwbaarheid van de verklaring van [persoon]

De raadsvrouw heeft betoogd dat de verklaringen van [persoon] dienen te worden uitgesloten van het bewijs, omdat zij door de verbalisanten in de verhoren op zodanige wijze is beïnvloed en gestuurd dat deze omstandigheid, en daarnaast tegenstrijdigheden in verklaringen en diverse andere omstandigheden, waaronder de medicatie die zij gebruikt, de stoornissen waaraan zij lijdt en haar lage IQ, haar verklaringen onbetrouwbaar maken.

De rechtbank stelt voorop dat in zijn algemeenheid zorgvuldig moet worden omgegaan met verklaringen van getuigen/aangevers in strafzaken. De rechtbank is zich er van bewust dat, bij de beoordeling van de betrouwbaarheid en de waardering van de verklaringen van aangeefster, behoedzaamheid op zijn plaats is. In de onderhavige zaak houdt de rechtbank in het bijzonder voor ogen dat aangeefster een zwakbegaafde vrouw van 33 jaar is met meerdere psychische problemen en voorts dat zij in de verhoren enerzijds belastend over onder meer [medeverdachte 1] verklaart, maar anderzijds denkt een liefdesrelatie met hem te hebben en zij een schuldgevoel jegens verdachten koestert om hen, in haar ogen, te moeten verraden.

Indachtig deze uitgangspunten, acht de rechtbank de verklaringen van [persoon] betrouwbaar en geloofwaardig.

De rechtbank stelt voorop dat uit de verhoren van [persoon] bij de politie in december 2015 blijkt dat door verbalisanten stevig en dringend met [persoon] is gesproken. Dit betekent echter niet dat enkel op grond daarvan aan haar verklaringen minder waarde moet worden toegekend. Bij de toetsing van de betrouwbaarheid van de verklaringen van [persoon] neemt de rechtbank de verklaring van [persoon] afgelegd tijdens het informatieve gesprek op 19 oktober 2015 in Zeeland als uitgangspunt. In dit gesprek heeft zij in grote lijnen verklaard over de situatie waarin zij verkeerde en heeft zij reeds op dat moment een voor [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] belastende verklaring afgelegd.

Vervolgens is [persoon] op 18 december 2015 door de politie in Amsterdam gehoord en was zij in eerste instantie terughoudend in haar verklaring over de rol van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Tijdens het verhoor kwamen de verbalisanten erachter dat [medeverdachte 1] haar naar dat verhoor had gebracht, buiten stond te wachten en haar voorafgaand aan het verhoor ook had geïnstrueerd. Wetende dat [persoon] zwakbegaafd is en – zoals uit het informatieve gesprek was gebleken – dat zij een beperkt beeld heeft van wat mensenhandel inhoudt en blijkbaar nog in de ban was van en onder invloed stond van [medeverdachte 1] , hebben de verbalisanten [persoon] op dringende wijze met haar eerdere verklaring in Zeeland geconfronteerd. Dat [persoon] vervolgens overeenkomstig haar eerdere verklaring belastend heeft verklaard, wil nog niet zeggen dat die verklaring daarmee ook in strijd is met de waarheid. Toen de verbalisanten haar vervolgens vroegen of zij op dat moment nog werkzaam was in de prostitutie, vertelde zij dat zij in Rotterdam werkte en dat zij daarvoor nog in Ridderkerk had gewerkt. [persoon] legde vervolgens ook voor verdachte, [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] belastende verklaringen af. De rechtbank acht de manier van ondervragen door middel van enige pressie gelet op alle omstandigheden in dit geval niet onrechtmatig, maar eerder noodzakelijk ten dienste van de waarheidsvinding.

De enkele omstandigheid dat [persoon] op onderdelen wisselend en tegenstrijdig heeft verklaard is eveneens onvoldoende om van het gebruik van de verklaringen voor het bewijs af te zien. Immers, over de kern heeft [persoon] reeds in Zeeland een uitgebreide verklaring afgelegd. De rechtbank heeft geen enkele reden om te twijfelen aan het waarheidsgehalte van de toen door [persoon] afgelegde verklaring. In latere verklaringen heeft [persoon] vervolgens op essentiële onderdelen consistent verklaard. Daarnaast wordt haar verklaring (evenals haar latere verklaringen) op relevante onderdelen ondersteund door ander bewijs in het dossier. Zo wordt de verklaring van [persoon] onder meer ondersteund door de verklaringen van verdachte en medeverdachten en door een verscheidenheid aan appberichten in het dossier en door telefoongegevens van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] . Hieruit volgt onder meer ten aanzien van verdachte dat hij en [medeverdachte 4] [persoon] woon- en werkruimte boden. Ook had [medeverdachte 4] voor [persoon] seksadvertenties op [website 1] en [website 2] aangemaakt en deze ook steeds opgewaardeerd. Daarnaast had [medeverdachte 4] seksueel getinte foto’s van [persoon] laten maken ten behoeve van die sites en had zij afspraken gemaakt voor [persoon] .

Naar het oordeel van de rechtbank dienen deze deels objectieve gegevens ter ondersteuning van de verklaringen van [persoon] dat verdachte en zijn medeverdachten zich actief, in meer of mindere mate, bezighielden met haar prostitutiewerkzaamheden en haar verdiensten. De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van [persoon] betrouwbaar en geloofwaardig zijn en voldoende steun vinden in andere bewijsmiddelen en daarom voor het bewijs kunnen worden gebruikt. Het verweer van de raadsvrouw wordt verworpen.

4.3.2.2 Vrijspraak van het primair ten laste gelegde, mede(plegen) van mensenhandel

De rechtbank is, met de officier van justitie en de raadsvrouw, van oordeel dat verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde (mede)plegen van mensenhandel ten aanzien van [persoon] . Het dossier bevat aanwijzingen dat verdachte tezamen en in vereniging met [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] in een bepaalde mate betrokken was bij de prostitutiewerkzaamheden van [persoon] . Voor de vaststelling echter dat hierbij sprake was van de voor bewezenverklaring van ‘medeplegen’ vereiste ‘nauwe en bewuste samenwerking’ tussen verdachte enerzijds en [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] anderzijds, biedt het dossier echter onvoldoende basis. Weliswaar zijn er aanwijzingen in de appgesprekken en de verklaringen van [persoon] dat verdachte niet alleen betrokken zou zijn bij het verdelen van de opbrengsten maar ook een aandeel zou krijgen dat groter was dan een deel van de huur. Echter staan daartegenover appgesprekken waarin sprake is van een verdeling waarin hij niet lijkt voor te komen komt. De rechtbank wijst op pagina 895 waar [medeverdachte 1] tegen [medeverdachte 3] bericht van een verdeling tussen “Hij, zijn zus, die meid, ik en jij”. Verdachte kan ook niet als ‘pleger’ van het ten laste gelegde worden beschouwd. Gezien het voorgaande kan niet worden bewezen dat verdachte de mensenhandel ten aanzien van [persoon] tezamen en in vereniging met anderen heeft gepleegd en zal verdachte van dat onderdeel worden vrijgesproken.

4.3.2.3 Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde, medeplichtigheid aan mensenhandel

De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen bewezen dat [persoon] in de aan verdachte ten laste gelegde periode, van 24 oktober 2015 tot en met 13 november 2015, slachtoffer is geworden van mensenhandel, tezamen en in vereniging gepleegd door medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] . [persoon] heeft in die periode in Ridderkerk in de woning van verdachte en [medeverdachte 4] verbleven en heeft aldaar prostitutiewerkzaamheden verricht. Daarnaast blijkt uit de verklaring van [persoon] dat verdachte (financiële) afspraken maakte met [medeverdachte 1] , dat [persoon] zich daar niet mee bemoeide, dat zij haar verdiende geld in een envelop aan verdachte gaf en dat verdachte dit aan [medeverdachte 1] overhandigde. Steun hiervoor is te vinden in het whatsapp bericht van [medeverdachte 1] aan [medeverdachte 3] op 25 oktober 2015 dat verdachte het geld wekelijks bewaarde en vervolgens ‘cut’ hij het en geeft hij ieder zijn deel.

Uit de verklaring van [medeverdachte 4] , de vriendin van verdachte destijds, blijkt dat verdachte ervan op de hoogte was dat [persoon] in zijn woning prostitutiewerkzaamheden verrichtte. Hij zou volgens [medeverdachte 4] met [persoon] hebben gesproken over de reden waarom zij het prostitutiewerk deed. Zelf heeft verdachte verklaard dat [persoon] interesse toonde in het werken als prostituee, dat [persoon] ondanks haar leeftijd overkomt als een twaalfjarige. Voor wat betreft haar relatie met [medeverdachte 1] vond verdachte dat [medeverdachte 1] [persoon] gigantisch in de maling nam.

Uit deze omstandigheden volgt dat verdachte wist dat [persoon] en de mededaders zich met haar prostitutiewerkzaamheden bezighielden. Daarnaast, kan het niet anders dan dat verdachte ook wetenschap had van de uitbuitingssituatie waarin [persoon] verkeerde. Verdachte wist dat [persoon] tot over haar oren verliefd was op [medeverdachte 1] en dat er sprake was van een schijnrelatie tussen haar en [medeverdachte 1] . Hij wist van haar beperkingen en moet hebben geweten dat zij haar verdiensten niet zelf kon houden. Desondanks is verdachte doorgegaan met het beschikbaar stellen van zijn woning (en die van [medeverdachte 4] ) aan [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [persoon] , zodat [persoon] daar kon verblijven en klanten kon ontvangen.

Blijkens artikel 48 Sr is voor strafbare medeplichtigheid dubbel opzet vereist. Het opzet moet zijn gericht op het feit van hulpverlening en op het misdrijf dat hij ondersteunt. De rechtbank acht op grond van voorgaande zowel het opzet op het verlenen van de hulp als het (voorwaardelijk) opzet op de mensenhandel door de mededaders ten aanzien van [persoon] bewezen.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte:

ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde

[medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] in de periode van 24 oktober 2015 tot en met 13 november 2015, te Ridderkerk, tezamen en in vereniging met anderen, een ander, te weten [persoon] , door misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht, door misbruik van een kwetsbare positie, hebben vervoerd, gehuisvest of opgenomen, met het oogmerk van seksuele uitbuiting van voornoemde [persoon] en

voornoemde [persoon] hebben bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten van seksuele aard en

opzettelijk voordeel hebben getrokken uit de seksuele uitbuiting van voornoemde [persoon] ,

immers hebben voornoemde [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] tezamen en in vereniging met anderen, terwijl voornoemde [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 3] en/of dier mededader wisten dan wel redelijkerwijs konden vermoeden dat voornoemde [persoon] zwakbegaafd was en/of geen woonruimte meer had en/of schulden had en/of dat voornoemde [persoon] een klein sociaal netwerk had:

  • -

    met voornoemde [persoon] een relatie aangegaan en

  • -

    voornoemde [persoon] gebracht naar de woning, alwaar zij prostitutiewerkzaamheden moest verrichten en

  • -

    naaktfoto's en seksueel getinte foto's van voornoemde [persoon] gemaakt en/of laten maken en/of aangemaakt en/of aan laten maken voor plaatsing en/of geplaatst op sekssites onder de naam [naam 3] en

  • -

    klanten voor voornoemde [persoon] geboekt en

  • -

    prijsafspraken met klanten gemaakt en

  • -

    bijgehouden wat de prostitutie inkomsten waren van voornoemde [persoon] en

  • -

    voornoemde [persoon] bewogen seksuele handelingen met klanten te ondergaan en

  • -

    voornoemde [persoon] in de gaten gehouden en

  • -

    de verdiensten van voornoemde [persoon] uit de prostitutiewerkzaamheden aan voornoemde [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 3] en/of dier mededader af laten staan en/of in ontvangst genomen,

bij en tot het plegen van welk vorenomschreven misdrijf hij, verdachte, in de periode van

24 oktober 2015 tot en met 13 november 2015, te Ridderkerk, opzettelijk behulpzaam is geweest en opzettelijk gelegenheid heeft verschaft tot het plegen van voornoemd misdrijf door toen en daar in voornoemde periode zijn, verdachtes en zijn mededaders woning ter beschikking te stellen aan voornoemde [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] en dier mededader en aan voornoemde [persoon] alwaar voornoemde [persoon] dier prostitutiewerkzaamheden kon verrichten.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 Strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar subsidiair bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie dagen, met aftrek van voorarrest en een taakstraf van 240 uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem ten laste gelegde en aan hem dus geen straf of maatregel dient te worden opgelegd.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich, in een periode van drie weken, als medeplichtige schuldig gemaakt aan mensenhandel ten aanzien van de verstandelijk beperkte [persoon] door zijn woning beschikbaar te stellen. [persoon] kon in zijn woning verblijven en aldaar, haar prostitutiewerkzaamheden verrichten.

Vooropgesteld wordt dat mensenhandel een ernstig strafbaar feit is, waarmee inbreuk op de lichamelijke en geestelijke integriteit van een ander wordt gemaakt en de persoonlijke vrijheid van die ander ernstig wordt geschaad. Verdachte heeft met zijn handelen bewust bijgedragen aan de uitbuitingssituatie waarin [persoon] verkeerde.

Naar het oordeel van de rechtbank is het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf bij een feit als mensenhandel in beginsel passend, uit een oogpunt van vergelding, speciale en algemene preventie. Echter, bij het bepalen van de strafmaat houdt de rechtbank in strafmatigende zin rekening met het feit dat verdachte enkel als medeplichtige bij die mensenhandel kan worden aangemerkt. Voorts houdt de rechtbank er rekening mee dat het feit zich in een relatief korte periode, te weten drie weken, heeft afgespeeld.

De rechtbank legt aan verdachte een gevangenisstraf op gelijk aan het voorarrest, alsmede een taakstraf voor de maximale duur, te weten van 240 uur.

9 Vordering van de benadeelde partij [persoon]

De benadeelde partij, [persoon] , vordert een bedrag van € 5.500,- aan materiële schadevergoeding en € 15.000,- aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering tot materiële schade bestaat uit afgedragen inkomsten uit prostitutiewerkzaamheden over de gehele ten laste gelegde periode.

9.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij geheel toe te wijzen. De officier van justitie heeft voorts verzocht het toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij niet ontvankelijk dient te worden verklaard vanwege de bepleitte vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht om de vordering van de benadeelde partij ten aanzien van de immateriële schadevergoeding af te wijzen wegens het gebrek aan onderbouwing van die schade. De raadsvrouw heeft meer subsidiair verzocht de vordering af te wijzen, nu een causaal verband tussen de gevorderde schade en het ten laste gelegde ontbreekt. Meest subsidiair heeft de raadsvrouw zich op het standpunt dat de vordering niet ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

9.3.1

Vordering tot materiële schade

De rechtbank acht wel bewezen dat verdachte medeplichtig was aan het opzettelijk voordeel trekken uit de uitbuiting van de benadeelde partij, doch niet dat hij zelf daadwerkelijk geldelijk voordeel heeft getrokken, zodat de door de benadeelde partij geleden materiële schade, te weten afgedragen inkomsten uit prostitutiewerkzaamheden, niet aan verdachte kunnen worden toegerekend. De rechtbank wijst de vordering tot materiële schade derhalve af.

9.3.2

Vordering tot immateriële schade

De benadeelde partij zal ten aanzien van verdachte voor dit deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat niet is komen vast te staan dat verdachte in voldoende mate heeft bijgedragen aan de bij de benadeelde partij ontstane immateriële schade als gevolg van het bewezen verklaarde, waarvan in deze zaak vergoeding wordt gevorderd. Daarin acht de rechtbank de rol van verdachte, zoals deze bewezen is verklaard, te beperkt.

10 Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich de op 3 maart 2016 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam, in de zaak met parketnummer 10/081343-15, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis van 14 juli 2015 van de politierechter te Rotterdam, waarbij verdachte onder meer is veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie maanden, met bevel dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op twee jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Tevens bevindt zich bij de stukken een akte waaruit blijkt dat de kennisgeving, bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering, aan verdachte is uitgereikt.

De officier van justitie heeft verzocht de eerder voorwaardelijk aan verdachte opgelegde straf geheel ten uitvoer te leggen, nu verdachte zich binnen de proeftijd opnieuw aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

De raadsvrouw heeft verzocht de vordering tenuitvoerlegging af te wijzen en heeft daartoe aangevoerd dat de positieve ontwikkeling van verdachte wordt verstoord als de gevangenisstraf ten uitvoer wordt gelegd.

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet hierin aanleiding de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke straf te gelasten.

11 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel is gegrond op de artikelen 22c, 22d, 36f, 48, 273f van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

12 Beslissing

Verklaart het onder primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van het subsidiair bewezen verklaarde:

medeplichtigheid aan mensenhandel, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

 Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 (drie) dagen.

Beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

 Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 240 uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen.

Wijst de vordering van [persoon], deels, ten aanzien van de materiële schade, af.

Verklaart het overige deel van de vordering, ten aanzien van de immateriële schade, niet-ontvankelijk.

 Gelast de tenuitvoerlegging van de bij genoemd vonnis van 14 juli 2015 opgelegde voorwaardelijke straf, namelijk een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.M.M. Gabel, voorzitter,

mrs. A.J. Dondorp en V.V. Essenburg, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.R. Baart, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 januari 2017.

[...]