Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:10490

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
02-11-2017
Datum publicatie
11-04-2018
Zaaknummer
C/13/636556 / KG ZA 17-1103
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gebod verwijdering BKR-registratie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel

zaaknummer / rolnummer: C/13/636556 / KG ZA 17-1103 MvdV/AB

Vonnis in kort geding van 2 november 2017

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [plaats] ,

eiser bij dagvaarding van 11 oktober 2017,

advocaat mr. H.F.A. Notenboom te Zoetermeer,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VESTING FINANCE SERVICING B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mr. J.A. Trimbach te De Meern.

Partijen zullen hierna [eiser] en Vesting Finance worden genoemd.

1 De procedure

Ter terechtzitting van 19 oktober 2017 heeft [eiser] gesteld en gevorderd overeenkomstig de in kopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. Vesting Finance heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorzieningen. Beide partijen hebben producties en een pleitnota in het geding gebracht. Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen.

Ter zitting waren aanwezig:

[eiser] , zijn ouders, met mr. Notenboom en aan de zijde van Vesting Finance: mr. R. Zieltjens (bedrijfsjurist bij Vesting Finance) en mr. Trimbach.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is een man van bijna 30 jaar, die kampt met een verstandelijke achterstand en dyslexie. Tevens is bij hem een vorm van autisme gediagnostiseerd. Op dit moment woont [eiser] nog bij zijn ouders in [plaats] . [eiser] is werkzaam op een sociale werkplek en heeft een inkomen van circa € 1.500,- per maand. Vanwege zijn inkomen komt hij ter niet in aanmerking voor een sociale huurwoning of begeleid wonen. Sinds 2009 staat [eiser] zonder succes op de wachtlijst ter verkrijging van een huurwoning.

2.2.

Op 8 juli 2017 heeft [eiser] een koopovereenkomst gesloten voor de woning aan het [adres] te [plaats] (hierna: de woning) onder voorbehoud van financiering. Voor financiering van de koopprijs wilde [eiser] een combinatiehypotheek afsluiten, inhoudende dat de financiering deels wordt verkregen middels een starterslening en deels middels een hypothecair krediet. De benodigde hypotheek bedraagt € 80.581,-, het overige gedeelte van de koopsom wordt gefinancierd met een starterslening en eigen vermogen. De leveringsdatum is vastgesteld op 1 oktober 2017.

2.3.

Bij brief van 3 augustus 2017 heeft de gemeente [plaats] aan [eiser] meegedeeld dat het niet mogelijk is om een starterslening af te sluiten omdat er een achterstandscodering bij Stichting Bureau Kredietregistratie (het BKR) is.

2.4.

[eiser] heeft vervolgens contact gezocht met een Vesting Finance. Bij brief van 7 augustus 2017 heeft [eiser] van Vesting Finance vernomen hij een betalingsachterstand had van € 746,52 inclusief rente en kosten inzake een door Vesting Finance aan Neckermann gecedeerde vordering. [eiser] heeft diezelfde dag het volledig openstaande bedrag aan Vesting Finance overgemaakt.

2.5.

Voorts is gebleken dat [eiser] een negatieve BKR-registratie had als gevolg van de betalingsachterstand bij Neckermann. De BKR-codering betreft contractnummer [contractnummer] met achterstands-codering A (met ingang van 24-03-2011) en bijzonderheidscode 2 (met ingang van 24-03-2011), hetgeen inhoudt dat hij een betalingsachterstand heeft gehad en dat de vordering volledig opeisbaar is geworden.

2.6.

Bij brief van 1 september 2017 heeft [eiser] Vesting Finance verzocht om op grond van artikel 35 van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) informatie te verstrekken over welke gegevens Vesting Finance namens Neckermann ten aanzien van hem heeft verwerkt.

2.7.

Bij brief van 4 september 2017 heeft Vesting Finance de door [eiser] verzochte informatie verstrekt.

2.8.

[eiser] heeft Vesting Finance c.s. bij brief van 4 september 2017 verzocht om de A-2 codering van [eiser] te verwijderen uit het Centraal Krediet Informatiesysteem (het CKI) dat door het BKR in stand wordt gehouden. Bij brief van 8 september 2017 heeft Vesting Finance medegedeeld niet te zullen overgaan tot verwijdering van de registratie. Hierop is namens [eiser] een aanvullende toelichting gegeven op zijn verzoek. Bij e-mail van 15 september 2017 heeft Vesting Finance nogmaals aangegeven hieraan geen gehoor te zullen geven.

2.9.

Bij e-mail van 26 september 2017 heeft de makelaar aan [eiser] laten weten dat de verkoper hem uitstel heeft verleend tot 7 november 2017 om de financiering van de woning rond te krijgen, waarna de koop zal worden ontbonden.

2.10.

Bij e-mail van 5 oktober 2017 heeft de Rabobank [eiser] laten weten dat het niet mogelijk is om een hypothecaire geldlening af te sluiten indien er een A-2 codering in het CKI van het BKR aanwezig is.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert – op straffe van verbeurte van een dwangsom – primair Vesting Finance te veroordelen na het wijzen van dit vonnis de bijzonderheidscoderingen A en 2 in het CKI met contractnummer [contractnummer] te (laten) verwijderen, subsidiair Vesting Finance te veroordelen de einddatum van deze bijzonderheidscoderingen te bepalen op 8 augustus 2019 en meer subsidiair een beslissing te nemen als de voorzieningenrechter geraden voorkomt. Ten slotte vordert [eiser] om Vesting Finance in de proceskosten en nakosten te veroordelen.

3.2.

Vesting Finance voert gemotiveerd verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hieronder voor zover relevant ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

In geschil is of Vesting Finance het BKR opdracht dient te geven de registratie van [eiser] in het CKI van het BKR te verwijderen.

4.2.

Het spoedeisend belang bij de vordering is gegeven, aangezien de verkoper van de nieuwe woning aan [eiser] een laatste uitstel tot 7 november 2017 heeft verleend om de financiering van de koopprijs rond te krijgen. De door [eiser] overgelegde – door respectievelijk de gemeente [plaats] en de Rabobank – afgewezen aanvragen van de starterslening en de NHG-hypotheek alsmede de reglementen voor hypotheekverstrekking van verschillende financiers maken voorshands voldoende aannemelijk dat een negatieve registratie bij het BKR meebrengt dat niet of slechts zeer moeilijk bij banken een hypothecaire geldlening verkregen kan worden.

4.3.

Voorop staat dat de registratie van persoonsgegevens en latere handhaving van die registratie in het Centraal Krediet Informatiesysteem van het BKR onder de werking van de Wet bescherming persoonsgegevens valt. Dit betekent dat bij een dergelijke registratie, en de handhaving daarvan bij latere wijziging van omstandigheden, moet zijn voldaan aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit zodanig dat de inbreuk op de belangen van de bij de verwerking van persoonsgegevens betrokkene niet onevenredig mag zijn in verhouding tot het met de verwerking te dienen doel (proportionaliteitsbeginsel) en dat het doel waarvoor de persoonsgegevens worden verwerkt in redelijkheid niet op een andere, voor de bij de verwerking van persoonsgegevens betrokkene minder nadelige wijze kan worden verwezenlijkt (subsidiariteitsbeginsel) (HR 9 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ8097).

4.4.

De kredietregistratie van de persoonsgegevens heeft tot doel het bevorderen van een maatschappelijk verantwoorde dienstverlening op financieel gebied, waarbij onder andere wordt beoogd het beperken van krediet en betalingsrisico’s voor deelnemers en het voorkomen van overcreditering en andere problematische schuldsituaties bij de betrokkenen. Het belang van [eiser] bij verwijdering van de registratie dient te worden afgewogen tegen het belang van Vesting Finance om aan deze doelstelling bij te dragen, zoals van haar als financiële instelling mag worden verwacht. Het belang van [eiser] is thans gelegen in het verkrijgen van een starterslening/hypothecaire geldlening voor de door hem gekochte woning. [eiser] stelt dat hij door de registratie bij het BKR geen hypothecaire financiering voor de woning kan verkrijgen.

4.5.

Bij de beoordeling van dit geschil wordt voorts uitgegaan van de toepasselijkheid van het Algemeen Reglement BKR van april 2010, nu de bijzonderheidscodes zijn geregistreerd in 2011. In artikel 30 lid 3 van dit reglement is opgenomen dat een deelnemer verplicht is om de consument, als zich een achterstand dreigt voor te doen, tijdig en schriftelijk te waarschuwen dat verder uitstel van betaling zal leiden tot een registratie bij het BKR. Door het versturen van deze zogenoemde vooraankondiging heeft de consument nog de mogelijkheid de BKR-registratie te voorkomen door de achterstand geheel te voldoen. [eiser] heeft betwist deze vooraankondiging te hebben ontvangen. Vesting Finance heeft geen stukken van Neckermann uit 2011 over de vooraankondiging, en kan dus niet bewijzen dat Neckerman deze vooraankondiging wél heeft verzonden, laat staan dat deze door [eiser] is ontvangen. Aan de stelling van Vesting Finance dat zij geen reden heeft te veronderstellen dat Neckermann zich destijds niet heeft gehouden aan de bepalingen van het Algemeen Reglement komt onvoldoende gewicht toe, omdat dit fouten aan de zijde van Neckermann niet uitsluit. Bovendien is het mogelijk dat de post niet bij [eiser] is aangekomen, gelet op zijn stelling dat de post vaker verkeerd wordt bezorgd omdat de postbode eerst door een brandgang moet lopen voordat hij bij de brievenbussen komt.

Vastgesteld wordt dat in het Algemeen Reglement BKR 2010 geen sanctie is opgenomen voor het geval de vooraankondiging niet is verstuurd of niet is ontvangen. Aannemelijk is dat de enkele omstandigheid dat de vooraankondiging [eiser] niet heeft bereikt op zichzelf niet tot nietigheid van de registratie leidt. Voor de beantwoording van de vraag of verwijdering van de geregistreerde gegevens in het CKI als sanctie dient te volgen, dient onder meer het belang van de vooraankondiging, het doel en de strekking van het CKI en de aan de Wbp ten grondslag liggende beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit bij de te maken belangenafweging te worden betrokken.

4.6.

Wat betreft die belangenafweging geldt het volgende. Vast staat dat [eiser] in het verleden iets van Neckermann heeft gekocht. Hij heeft betwist dat hij op de hoogte was van het feit dat er in 2011 een betalingsachterstand bij Neckermann is ontstaan. Vesting Finance heeft in dit kader – onder verwijzing naar het door haar als productie 1 in het geding gebrachte Logboek – gesteld dat [eiser] in ieder geval op 22 augustus 2011 op de hoogte was van voornoemde openstaande vordering, aangezien op die dag telefonisch contact heeft plaatsgevonden met [eiser] . Ook in oktober 2014 is er volgens Vesting Finance telefonisch contact opgenomen met de moeder van [eiser] . Ter terechtzitting heeft de raadsvrouw van [eiser] de betrouwbaarheid van het Logboek in twijfel getrokken, aangezien de data van de door Vesting Finance overgelegde aanmaningsbrieven niet overeenkomen met de gegevens in het Logboek. De moeder van [eiser] heeft ter zitting verklaard nooit telefonisch te zijn benaderd over voornoemde vordering. Onder meer gelet op deze betwistingen kan zonder onderzoek naar de feiten, waarvoor een kort geding zich niet leent, niet worden uitgegaan van de juistheid van de informatie in het Logboek.
Voorshands is onvoldoende aannemelijk dat [eiser] tijdig een aanmaning heeft ontvangen. Hiervoor is al overwogen dat [eiser] evenmin een vooraankondiging heeft ontvangen. Was dit anders geweest dan had de achterstandsmelding vermeden kunnen worden door betaling van het relatief geringe openstaande bedrag. Terstond nadat hij bekend werd met de achterstand heeft [eiser] die achterstand ook in zijn geheel, inclusief rente en kosten € 746,52, voldaan.
Van een reëel risico voor de financiële sector, zoals Vesting Finance heeft betoogd, is onvoldoende gebleken aangezien [eiser] een vast inkomen heeft en geen andere schulden. Hij wordt door zijn ouders begeleid. Van overkreditering of misbruik is geen sprake. [eiser] heeft verder voldoende aannemelijk gemaakt dat hij door de achterstandsmelding thans geen financiering voor de door hem gekochte woning kan verkrijgen. Zoals hiervoor onder 4.2 is overwogen maken de door hem overgelegde – door respectievelijk de gemeente [plaats] en de Rabobank afgewezen – aanvragen van de starterslening en de NHG-hypotheek, alsmede de reglementen voor hypotheekverstrekking van verschillende financiers dat voorshands voldoende aannemelijk. Indien deze codering niet wordt verwijderd, gaat de aankoop van de nieuwe woning niet door en zal [eiser] nóg langer bij zijn ouders thuis moeten wonen, aangezien het kennelijk heel moeilijk is om binnen een aanvaardbare termijn voor een passende huurwoning in aanmerking te komen.
De conclusie is dat de belangen van [eiser] in dit geval zwaarder wegen dan de kredietregistratiebelangen.

4.7.

Gelet op het vorenstaande wordt het primair gevorderde toegewezen als na te melden. Om er zeker van te zijn dat Vesting Finance aan deze veroordeling uitvoering zal geven wordt de door [eiser] gevorderde dwangsom toegewezen. De gevorderde dwangsom zal worden gemaximeerd als in het dictum van dit vonnis vermeld.

4.8.

Vesting Finance zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding € 103,11

- griffierecht 78,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 997,11

4.9.

De nakosten zullen op de navolgende wijze worden toegewezen.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

veroordeelt Vesting Finance om zo spoedig mogelijk, doch binnen uiterlijk drie dagen na betekening van dit vonnis, opdracht te geven aan het BKR om de genoemde (bijzonderheids)coderingen A en 2 in het CKI met contractnummer [contractnummer] te verwijderen, onder verbeurte van een dwangsom van € 5.000,00 voor iedere dag dat zij in gebreke blijven hieraan te voldoen, met een maximum van € 50.000,00,

5.2.

veroordeelt Vesting Finance in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 997,11

5.3.

veroordeelt Vesting Finance in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 voor salaris advocaat, te vermeerderen met € 68,00 en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit vonnis plaatsvindt,

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.W. van der Veen, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. A. Bank-Buijs, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 2 november 2017.1

1 type: AB coll: TF