Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:1043

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
16-02-2017
Datum publicatie
28-02-2017
Zaaknummer
13.751865-16
Rechtsgebieden
Europees strafrecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

EAB | vervolging | Tsjechië | genoegzaamheid | pleegplaats giraal betalingsverkeer

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751865-16

RK nummer: 16/7657

Datum uitspraak: 16 februari 2017

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 11 november 2016 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 25 mei 2016 door de Stedelijke Rechtbank te Praag (Tsjechië) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon]

geboren te [geboorteplaats] (Slowaakse Republiek) op [geboortedag] 1980,

verblijvend op het adres [adres te plaats] ,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 2 februari 2017. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. U.E.A. Weitzel. De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman mr. S.P.C. Wester, advocaat te Amsterdam, en door een tolk in de Slowaakse taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak zou moeten doen met dertig dagen verlengd omdat de rechtbank er niet in slaagt binnen de in de wet bepaalde termijn uitspraak te doen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Slowaakse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB en de genoegzaamheid

In het EAB wordt melding gemaakt van een arrestatiebevel van de Rechtbank van Praag van 7 januari 2016 (dossiernummer 8 To 426/2015).

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar het recht van Tsjechië strafbare feiten.

Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

De raadsman heeft ter terechtzitting betoogd dat het in het EAB genoemde feit 2 ongenoegzaam is omschreven, omdat de pleegplaats ten aanzien van de diefstal van geldbedragen van de bankrekeningen van [naam agentschap] niet is vermeld. Giraal betalingsverkeer kan vanaf elke plaats voorzien van een internetverbinding worden uitgevoerd. Overlevering dient ten aanzien van dit feit dan ook geweigerd te worden. Subsidiair heeft de raadsman betoogd dat de zaak moet worden aangehouden teneinde hieromtrent bij de Tsjechische justitiële autoriteiten nadere informatie op te vragen.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle in het EAB genoemde feiten genoegzaam zijn omschreven. Daarbij wijst de officier van justitie op het A-formulier, dat als aanvulling op het EAB mag worden beschouwd, waarin als pleegplaats uitsluitend Praag wordt genoemd.

De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens dient te bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht en het voor de rechtbank duidelijk is of het verzoek voldoet aan de in de Overleveringswet geformuleerde vereisten. Daartoe dient het EAB een beschrijving te bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Bovendien dient die bepaling de naleving van het specialiteitsbeginsel te kunnen waarborgen.

De rechtbank overweegt dat in de onderhavige zaak in het EAB – zakelijk weergegeven – staat vermeld dat de opgeëiste persoon in de genoemde periode in twee internetcafés in Praag gevestigde internetcafés met behulp van het programma ‘keylogger’ de veiligheidsmaatregelen zodanig overwon, dat hij de toegangswachtwoorden doorbrak en 6 rekeningen voor vervoerstickets betrad van de cliënten van de onderneming [naam agentschap] waarvan hij vervolgens met een medeverdachte contante bedragen opnam. Voorts is in het A-formulier, vermeld: Place(s) of offence(s): Prague/ Czech Republic. Hieruit blijkt naar het oordeel van de rechtbank voldoende dat Praag ook ten aanzien van feit 2 als pleegplaats wordt aangemerkt. Voor de opgeëiste persoon is hiermee duidelijk waarvoor de overlevering wordt verzocht en tegen welke feiten hij zich moet verdedigen. De feiten zijn genoegzaam omschreven.

Er is dan ook geen aanleiding om de uitvaardigende justitiële autoriteit om aanvullende informatie te vragen.

4 Strafbaarheid

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit deze heeft aangeduid als vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW, op deze lijst onder nummer 11, te weten:

informaticacriminaliteit

Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op naar het recht van een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

5 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 van de OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

6 Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 2, 5 en 7 van de OLW.

7 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Stedelijke Rechtbank te Praag (Tsjechië) ten behoeve van het in Tsjechië tegen hem gerichte strafrechtelijk onderzoek naar de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Aldus gedaan door

mr. C. Klomp, voorzitter,

mrs. A.K. Glerum en R.A.J. Hübel, rechters,

in tegenwoordigheid van C.E. van Diepen, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 16 februari 2017.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.