Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:10386

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
12-12-2017
Datum publicatie
30-03-2018
Zaaknummer
6425739 KK EXPL 17-1154
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Concurrentiebeding pre WWZ blijft in stand. Werkgever heeft belang bij handhaving. Werkgever en beoogde nieuwe werkgever zijn directe concurrenten. Werknemer heeft toegang gehad tot belangrijke bedrijfsinformatie en voor het niveau van werknemer volstaat een geheimhoudingsbeding niet. nu werknemer elders een baan moet kunnen vinden, geen vergoeding voor de duur van het beding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2018-0392
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht - team kanton

zaaknummer: 6425739 KK EXPL 17-1154

vonnis van: 12 december 2017

func.: 245

Kort geding vonnis van de kantonrechter

i n z a k e

[eiser]

wonende te [woonplaats]

eiser, nader te noemen: [eiser]

gemachtigde: mr. A.E.M. de Ruijter

t e g e n

de besloten vennootschap Accenture B.V.

gevestigd te Amsterdam

gedaagde, nader te noemen: Accenture

gemachtigde: mr. P.W.H.M. Willems

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Bij dagvaarding van 2 november 2017 heeft [eiser] een voorziening gevorderd. Voorafgaand aan de zitting heeft Accenture stukken ingezonden en [eiser] heeft een akte eiswijziging met overlegging productie genomen.

Ter terechtzitting van 30 november 2017 is de zaak mondeling behandeld. [eiser] is verschenen, vergezeld door zijn gemachtigde en mr. S.M.J. Heeren. Accenture is verschenen bij [naam 1] en [naam 2] , vergezeld door de gemachtigde en mr E.J. ter Hart.

Beide partijen hebben een toelichting verstrekt, deels aan de hand van de overgelegde pleitnotities. De kantonrechter heeft vragen gesteld.

Na verder debat is vonnis bepaald op heden.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

1. Als uitgangspunt in dit kort geding geldt het navolgende:

1.1.

Accenture is een organisatieadviesbureau en verricht activiteiten op het gebied van informatietechnologie.

1.2.

[eiser] is op 1 april 2015 bij Accenture in dienst getreden. Na meerdere promoties vervulde [eiser] sinds september 2013 de positie van senior manager . Zijn salaris bedroeg € 7.902,- bruto per maand (€ 88.859 bruto per jaar). [eiser] is geboren op [geboortedatum] 1978 en thans 39 jaar oud.

1.3.

Een senior manager is onderdeel van de (zogenoemde) groep Leadership en heeft als zodanig toegang tot vertrouwelijk informatie over de Nederlandse strategie en klantenproposities. [eiser] was bij Accenture werkzaam voor de businessline Technology en meer in het bijzonder SAP/Innovatie.

1.4.

Artikel 11 van de arbeidsovereenkomst bevat een geheimhoudingsbeding, waardoor het [eiser] (samengevat) is verboden mededeling te doen van bijzonderheden aangaande het bedrijf van Accenture aan derden.

1.5.

In artikel 12 van de arbeidsovereenkomst is (onder meer) opgenomen:
Non-concurrentie
1. Het is Werknemer verboden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Werkgever gedurende een periode van 12 maanden na beëindiging van deze arbeidsovereenkomst een onderneming gelijksoortig of verwant aan die van Werkgever in welke vorm ook te drijven, mede te drijven of te doen drijven, hetzij direct, hetzij indirect, of daarbij op andere wijze rechtstreeks of zijdelings betrokken te zijn, zelfstandig of in dienstverband, hetzij tegen vergoeding, hetzij om niet.
[…]

1.6.

In het voorjaar van 2017 is [eiser] door een headhunter benaderd om voor Deloitte te komen werken. Op 8 augustus 2017 heeft [eiser] per e-mail Accenture geïnformeerd, dat hij van Deloitte een aanbod voor een mooie functie had gekregen, welk aanbod hij graag zou accepteren. [eiser] heeft daarbij het concurrentie- en klantenbeding aan de orde gesteld.

1.7.

Bij e-mail van 11 augustus 2017 heeft Accenture gereageerd en [eiser] bericht dat zij vast hield aan het concurrentiebeding en dat er voor [eiser] nog allerlei doorgroeimogelijkheden waren bij Accenture ; zowel materieel als vakinhoudelijk. Partijen hebben ander met elkaar over de wens van [eiser] om naar Deloitte over te stappen gecorrespondeerd en gesproken. In oktober 2017 heeft de gemachtigde van [eiser] het contact c.q. de correspondentie overgenomen. Partijen zijn niet tot elkaar gekomen.

1.8.

[eiser] heeft op 30 september 2017 zijn dienstverband met Accenture opgezegd tegen 1 november 2017 .

Vordering en verweer

2. [eiser] vordert - na aanvulling van zijn eis - als voorziening:

primair te gehengen en gedogen dat hij in dienst kan treden bij concurrenten van Accenture , waaronder maar niet uitsluitend, bij Deloitte Consulting BV , gevestigd te Amsterdam , zonder in achtneming van enig concurrentiebeding;

subsidiair Accenture te gebieden:
(gedeeltelijk) afstand te doen van het overeengekomen concurrentiebeding uit de arbeidsovereenkomst, althans Accenture te verbieden om het concurrentiebeding uit de arbeidsovereenkomst uit te oefenen, althans het concurrentiebeding te schorsen, in dier voege dat Accenture is verplicht te gehengen en gedogen dat [eiser] in dienst treedt bij Deloitte Consulting BV , gevestigd te Amsterdam ;
beide op straffe van een dwangsom van € 1.000,- voor iedere dag dat Accenture daarmee in gebreke blijft;

meer subsidiair (aldus weergegeven) dat Accenture op grond van artikel 7:653 lid 4 BW (oud) zal worden veroordeeld om aan [eiser] voor de duur van de beperking ex artikel 12 arbeidsovereenkomst een vergoeding te betalen, welke vergoeding overeenkomt met het salaris dat hij bij Accenture verdiende ad € 7.608,91 bruto per maand, althans een door de kantonrechter te bepalen vergoeding;
dit alles met veroordeling van Accenture in de kosten van de procedure.

3. [eiser] stelt - verkort weergegeven - met betrekking tot zijn primaire en (meer) subsi-diaire vordering allereerst dat het bepaalde in artikel 12 van de arbeidsovereenkomst niet kwalificeert als een concurrentiebeding in de zin van artikel 7:7653 (oud) BW, althans het ziet op non-concurrentie bij ondernemerschap en niet bij een dienst-verband. Daarnaast meent [eiser] dat de afweging tussen de belangen van [eiser] en Accenture mee brengt dat het beding geheel of gedeeltelijk vernietigd dient te worden op de grond dat, in verhouding tot het te beschermen belang van Accenture , [eiser] onbillijk wordt benadeeld. Tot slot meent [eiser] dat indien artikel 12 van de arbeidsovereenkomst wordt aangemerkt als concurrentiebeding en geoordeeld wordt dat er geen aanleiding is om de werkingssfeer van het concurrentiebeding geheel of gedeeltelijk te schorsen, Accenture hem een vergoeding dient te betalen voor de duur van het concurrentiebeding ter hoogte van zijn laatstgenoten salaris.

4. Accenture meent dat de vorderingen van [eiser] moeten worden afgewezen en voert - kort gezegd - daartoe aan dat voor Accenture duidelijk is dat partijen in artikel 12 van de arbeidsovereenkomst een concurrentiebeding zijn overeengekomen. De inhoud van dat beding is volkomen helder. Het concurrentiebeding verbiedt [eiser] om binnen 12 maanden nadat de arbeidsovereenkomst is geëindigd bij Deloitte in dienst te treden.

5. Accenture heeft voldoende zwaarwegende bedrijfsbelangen om het concurrentie-beding in stand te houden en haar belangen wegen zwaarder dan die van [eiser] . Van een onbillijke benadeling is geen sprake. Accenture heeft veel kennis van (geheime) concurrentiegevoelige strategieën en prijsstellingen, met welke kennis Deloitte Accenture onevenredige concurrentie kan aandoen. Van Accenture had het dienst-verband niet hoeven eindigen. [eiser] had bij Accenture voldoende doorgroei-mogelijkheden zowel materieel als vakinhoudelijk. Tot slot wijst Accenture er op dat [eiser] niet heeft aangetoond dat hij door het beding in belangrijke mate wordt belemmerd om elders werkzaamheden te gaan verrichten. Er is een groot tekort aan mensen met de kennis van [eiser] .

Beoordeling

6. In dit kort geding dient te worden beoordeeld of de in deze zaak aannemelijk te achten omstandigheden een ordemaatregel vereisen, dan wel of de vordering van [eiser] in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft dat het gerechtvaardigd is op de toewijzing daarvan vooruit te lopen door het treffen van een voorziening zoals gevorderd. Het navolgende behelst dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.

7. Allereerst wordt vastgesteld dat - ingevolge artikel XXIIc van het overgangsrecht bij de Wet werk en zekerheid - de beoordeling in deze procedure dient plaats te vinden naar het bepaalde in artikel 7:653 oud BW.

8. De kern van het geschil tussen partijen wordt gevormd door de vraag of [eiser] bij Deloitte in dienst mag treden, hetgeen [eiser] beoogd en Accenture wenst te voorkomen. Daarbij is tussen partijen in confesso dat Deloitte een concurrent van Accenture is en dat hun klanten overlappen.

9. [eiser] heeft allereerst aangevoerd dat Accenture geen beroep toekomt op het concurrentiebeding, nu tussen partijen geen afspraak is gemaakt waarbij [eiser] beperkt wordt om na zijn arbeidsovereenkomst met Accenture op zekere wijze werkzaam te zijn. Dat is niet opgenomen in artikel 12, noch elders in de arbeidsovereenkomst. In de tekst van artikel 12 ontbreekt een zinsdeel, dat in een latere versie van het concurrentiebeding wel is opgenomen en waaruit volgt dat voor [eiser] de beperking dat hij niet mag werken voor een concurrent, niet geldt.

10. De kantonrechter volgt deze lezing van artikel 12 van de arbeidsovereenkomst niet. De tekst van het betreffende artikel is naar het oordeel van de kantonrechter vooralsnog voldoende duidelijk. Volgens artikel 12 van de arbeidsovereenkomst is het [eiser] verboden gedurende 12 maanden na het einde van de arbeidsovereenkomst betrokken te zijn bij een onderneming gelijksoortig of verwant aan die van Accenture , zelfstandig of in dienstverband en dat is precies wat [eiser] wil. [eiser] heeft daarbij in deze procedure geen feiten en omstandigheden gesteld waaruit zou volgen dat - ondanks deze op zich duidelijke tekst - partijen bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst een andere minder voor de hand liggende, beperkte uitleg van de bepaling voor ogen heeft gestaan, waarbij het werken voor een concurrent als Deloitte is toegestaan.

11. Daarnaast heeft [eiser] (subsidiair) bepleit dat het concurrentiebeding geheel of gedeeltelijk geschorst dient te worden, nu hij in verhouding tot het te beschermen belang van Accenture onbillijk wordt benadeeld. Hij heeft daartoe aangevoerd dat hij met een overstap naar Deloitte een volgende stap in zijn loopbaan kan realiseren; de functie van Director ligt voor hem binnen handbereik en hij kan ook op termijn partner worden bij Deloitte . [eiser] stelt dat hij belang heeft bij deze concrete doorgroei-mogelijkheid; hij gaat meer verdienen en heeft een nieuwe vakinhoudelijke uitdaging nodig. Daartegenover heeft Accenture onvoldoende belang, nu Accenture en Deloitte elkaar zelden of nooit tegenkomen in het werkveld waarop [eiser] zich begeeft, het andere klanten betreft en [eiser] zich aan het geheimhoudingsbeding zal houden.

12. Ook dit standpunt wordt hier gepasseerd. Vast staat dat Accenture en Deloitte elkaars directe concurrenten zijn, onder meer op het gebied waarop [eiser] voor Accenture werkzaam was. Op het functieniveau van [eiser] , die toegang had tot alle concurrentiegevoelige bedrijfsinformatie, strategieën en klantencontacten, biedt een geheimhoudingsbeding onvoldoende bescherming. Dat geldt te meer nu ter zitting duidelijk is geworden dat [eiser] de 5e medewerker van Accenture op rij is, die door Deloitte is benaderd om over te stappen. Daarmee is het belang van Accenture om haar bedrijfsdebiet te beschermen, gegeven. En hoewel de kantonrechter begrip heeft voor de wens van [eiser] om na 12 jaar gewerkt te hebben voor Accenture , een nieuwe uitdaging te vinden in het werken voor een andere onderneming, is dat onvoldoende om de vordering - in dit kort geding - toe te wijzen.

13. Daarbij weegt voor de kantonrechter mee, dat het dienstverband van Accenture niet hoefde te eindigen, dat Accenture pogingen heeft ondernomen om [eiser] voor het bedrijf te behouden en dat [eiser] - wetende wat het standpunt van Accenture was - ontslag heeft genomen om bij Deloitte in dienst te treden.

14. Meer subsidiair heeft [eiser] gevorderd dat hem voor de duur van het concurrentie-beding een vergoeding wordt toegekend, gelijk aan de hoogte van zijn laatstgenoten salaris bij Accenture . Ook deze vordering zal worden afgewezen. Onvoldoende is onderbouwd dat het [eiser] - door de werking van het concurrentiebeding - onmogelijk wordt gemaakt zich een inkomen te verwerven, (dat in de richting komt) van de hoogte van zijn salaris bij Accenture .

15. Dit alles betekent dat de vordering van [eiser] wordt afgewezen.

16. [eiser] wordt in het ongelijk gesteld en wordt daarom veroordeeld in de proceskosten gevallen aan de zijde van Accenture , zoals hieronder bepaald.

BESLISSING

De kantonrechter:

wijst de (primaire, subsidiaire en meer subsidiaire) vordering van [eiser] af;

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding aan de zijde van Accenture tot op heden begroot op € 400,00 voor zover verschuldigd inclusief BTW, aan salaris van haar gemachtigde;

veroordeelt [eiser] tot betaling van een bedrag van € 50,00 aan nasalaris, te verhogen met een bedrag van € 68,00 onder de voorwaarde dat betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden en [eiser] niet binnen 14 dagen na aanschrijving vrijwillig aan het vonnis heeft voldaan, een en ander indien van toepassing inclusief BTW;

verklaart de betalingsveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mr M.V. Ulrici, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 december 2017 in tegenwoordigheid van de griffier.

Griffier Kantonrechter