Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:10340

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
02-11-2017
Datum publicatie
20-02-2018
Zaaknummer
AMS 17/3511 AMS 17/3516 AMS 17/3520
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Intrekking, herziening, betalingsverplichting-

Eiseres had verweerder moeten meedelen dat haar (ex)vriend haar bankrekening gebruikte; Kwetsbare positie, ontslaat eiseres niet van inlichtingenplicht en levert geen dringende reden om af te zien van terugvordering. Het recht op bijstand in de te beoordelen periode niet kan worden vastgesteld, aangezien eiseres in onvoldoende mate duidelijkheid heeft verschaft over haar financiële situatie. De verklaring dat (ex)vriend in ruil voor gebruik van haar rekening eiseres contant geld gaf en dat zij contante geld gebruikte voor haar levensonderhoud is niet onderbouwd en daarom niet te verifiëren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummers: AMS 17/3516

AMS 17/3511

AMS 17/3520

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 november 2017 in de zaken tussen

[eiseres] te Amsterdam, eiseres

(gemachtigde: mr. R.S. Pot),

en

het college van burgemeester en wethouders, verweerder

(gemachtigde: drs. H. Golberdingen).

Procesverloop

In het besluit van 16 december 2016 (het primaire besluit I) heeft verweerder de bijstandsuitkering van eiseres met ingang van 19 oktober 2016 ingetrokken.

In het besluit van 22 december 2016 (het primaire besluit II) heeft verweerder van eiseres een bedrag van € 1.257,69 aan teveel ontvangen bijstand over de periode 19 oktober 2016 tot en met 30 november 2016 teruggevorderd.

In een ander besluit van 22 december 2016 (het primaire besluit III) heeft verweerder aan eiseres een betaalverplichting ineens opgelegd van € 3.862,88.

Bij drie afzonderlijke besluiten besluit van 9 mei 2017 (de bestreden besluit I, II en III) heeft verweerder de afzonderlijke bezwaren van eiseres tegen de primaire besluiten I, II en III ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen de bestreden besluiten afzonderlijk beroep ingesteld. Deze zijn bij de rechtbank geregistreerd onder de procedurenummers AMS 17/3516, AMS 17/3511 en AMS 17/3520.

Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 21 september 2017. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. De rechtbank heeft de zaken met genoemde procedurenummers gevoegd behandeld.

Overwegingen

1.1

Eiseres staat ingeschreven op het [adres] te Amsterdam (het uitkeringsadres). Eiseres ontving vanaf 26 oktober 2016 een bijstandsuitkering naar de norm van een alleenstaande op grond van de Participatiewet (Pw). Op [geboortedatum] is eiseres moeder geworden van dochter [naam 1] . De heer [naam 2] heeft de dochter van eiseres erkend, maar staat niet ingeschreven op het uitkeringsadres.

1.2

Op verzoek van verweerder is op 24 november 2016 door een toezichthouder van de afdeling Handhaving Werk en Inkomen een onderzoek gestart naar de rechtmatigheid van de uitkering van eiseres. In dat kader heeft op 1 december 2016 een huisbezoek op het uitkeringsadres plaatsgevonden en is eiseres op 1 en 8 december 2016 op gesprek geweest op kantoor van verweerder. De bevindingen van het onderzoek zijn vastgelegd in het Rapport van bevindingen alleenstaande met afsluitdatum 9 december 2016.

1.3

Met het primaire besluit I heeft verweerder de uitkering van eiseres vanaf

19 oktober 2016 ingetrokken. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres een gezamenlijke huishouding voert met [naam 2] , wegens het onweerlegbaar rechtsvermoeden dat zij ieder hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en samen een kind hebben, dan wel erkenning van het kind heeft plaatsgevonden.

1.4

Met het primaire besluit II heeft verweerder een bedrag van € 1.257,69 aan teveel ontvangen bijstand over de periode 19 oktober 2016 tot en met 30 november 2016 teruggevorderd.

1.5

Met het primaire besluit III heeft verweerder eiseres de verplichting opgelegd om ineens een bedrag van € 3.862,88 te betalen. Het terug te betalen bedrag bestaat uit het terug te vorderen bedrag van € 1.257,69 en een bedrag van € 2.605,19 van een eerdere vordering.

2.1

In het bestreden besluit I heeft verweerder het primaire besluit I herzien. Verweerder stelt zich na heroverweging op het standpunt dat sprake is van schending van de inlichtingenplicht, als bedoeld in artikel 17 eerste lid, van de Pw (zie bijlage). Eiseres heeft verweerder niet gemeld dat zij [naam 2] digitale toegang heeft gegeven tot en het mogelijk maakte dat hij gebruik maakte van haar bankrekening. Hierdoor is, aldus verweerder, sprake van financiële verstrengeling tussen hen waardoor het recht op bijstand niet is vast te stellen. Eiseres heeft ook niet aan verweerder gemeld dat zij een bedrag van

€ 3.333,- op haar bankrekening heeft ontvangen. Dit zijn middelen die eiseres had moeten gebruiken voor levensonderhoud.

2.2

Met de bestreden besluiten II en III heeft verweerder de terugvordering en de terugbetaling ineens gehandhaafd.

3. Eiseres heeft zich in beroep tegen de bestreden besluiten I, II en III gekeerd.

beoordeling.

ten aanzien van de intrekking (zaak AMS 17/3516)

4.1

De rechtbank stelt voorop dat de te beoordelen periode ten aanzien van de bestreden besluiten I en II loopt van 19 oktober 2016 tot en met 30 november 2016.

4.2

De rechtbank overweegt verder dat het besluit tot intrekking van bijstand een voor eiseres belastend besluit is, waarbij het aan het verweerder is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op verweerder rust.

4.3

Eiseres heeft het volgende aangevoerd. Zij kan zich niet vinden in de grondslagwijziging van het bestreden besluit I. Zij voert daartoe aan dat deze grondslagwijziging onzorgvuldig en onjuist is. In de kwetsbare situatie waarin eiseres verkeerde, had verweerder aanleiding moeten zien om haar nogmaals in de gelegenheid te stellen uitleg te geven over de financiële situatie, in het bijzonder over de transacties op haar bankrekening.

4.4

De rechtbank overweegt dat naar vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (hierna de Raad) artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet in de weg staat aan handhaving in bezwaar van een besluit op een andere grond dan die waarop het primaire besluit steunt.1

De bezwaarprocedure is bedoeld voor een volledige heroverweging. Verweerder is naar het oordeel van de rechtbank de grenzen van de heroverweging van het primaire besluit niet te buiten gegaan.

4.5

Anders dan eiseres meent, was verweerder niet verplicht haar nogmaals te horen. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat verweerder in zijn brief van 23 februari 2017 eiseres op de hoogte heeft gebracht van zijn voornemen de grondslag te wijzigen. Hierop heeft eiseres in de brief van 30 maart 2017 haar reactie gegeven. Ook is blijkens het verslag van de hoorzitting op 3 april 2017 met eiseres en haar gemachtigde gesproken over de wijziging van de grondslag. Niet gezegd kan worden dat zij onvoldoende in de gelegenheid is geweest om haar persoonlijke en financiële situatie toe te lichten.

5.1

Eiseres heeft verder aangevoerd dat geen sprake is van schending van de inlichtingenplicht. Het is, aldus de gemachtigde van eiseres, duidelijk dat zij de ‘boel’ niet heeft belazerd. Verweerder kan niet van eiseres verwachten dat zij als slachtoffer in haar relatie met [naam 2] mededeling doet van het feit dat hij haar bankrekening gebruikte.

5.2

De rechtbank volgt deze stelling van eiseres niet en overweegt daartoe het volgende. Niet in geschil is dat [naam 2] de bankrekening van eiseres gebruikte. Evenmin is in geschil dat op deze bankrekening een bijstorting van € 3.333,- heeft plaatsgevonden. Eiseres had het gebruik van de rekening en de bijstorting aan verweerder moeten melden omdat het voor haar redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat deze gegevens van invloed konden zijn op het recht op bijstand. De enkele stelling van eiseres dat zij in een kwetsbare positie verkeerde, doet niet af aan de op haar rustende inlichtingenverplichting, zoals bedoeld in artikel 17, eerste lid van de Pw (zie bijlage).

5.3

Volgens vaste jurisprudentie van de Raad2 levert schending van de inlichtingenplicht een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand, indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre eiseres verkeert in bijstandsbehoevende omstandigheden. Het is dan aan eiseres om aannemelijk te maken dat zij indien zij destijds wel aan de inlichtingenplicht had voldaan over de periode in geding recht had op bijstand. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het recht op bijstand in de te beoordelen periode niet kan worden vastgesteld, aangezien eiseres in onvoldoende mate duidelijkheid heeft verschaft over haar financiële situatie. De verklaring op de hoorzitting dat [naam 2] in ruil voor gebruik van haar rekening eiseres contant geld gaf en dat contante geld gebruikte voor haar levensonderhoud is niet onderbouwd en daarom niet te verifiëren. Verweerder was dan ook op grond van artikel 54, derde lid, van de Pw (zie bijlage) gehouden om de verleende bijstand vanaf 19 oktober 2016 in te trekken.

ten aanzien van de terugvordering (zaak AMS 17/3511)

6. Eiseres heeft aangevoerd dat verweerder van terugvordering had moeten afzien omdat zij in een zeer kwetsbare situatie verkeerde. Zij kon persoonlijk niet tegen

[naam 2] op. De rechtbank overweegt dat verweerder op grond van artikel 58, achtste lid, van de Pw (zie bijlage) kan besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. Volgens vaste jurisprudentie kunnen dringende redenen slechts zijn gelegen in onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen van een terugvordering voor de betrokkene. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt.3 Uit de enkele stelling van eiseres dat zij in een kwetsbare positie verkeerde omdat zij niet tegen [naam 2] op kon, volgt, wat daar ook van zij, niet dat de terugvordering voor haar onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen heeft.4 Verweerder heeft dan ook terecht geen aanleiding gezien om van terugvordering af te zien.

ten aanzien van de betalingsverplichting (zaak AMS 17/3520)

7. Omdat de gronden tegen de intrekking en de terugvordering niet slagen, en eiseres tegen de betalingsverplichting geen afzonderlijke gronden heeft ingediend, volgt hieruit dat ook het beroep tegen het bestreden besluit III ongegrond wordt verklaard. Wat de gemachtigde van eiseres op de zitting nader heeft aangevoerd, ziet enkel op het besluit van 3 april 2017 waarbij de betalingsverplichting is opgeschort en valt daarmee buiten de omvang van deze zaak, zodat ook dat punt geen bespreking behoeft.

Slotsom

8. De beroepen zijn ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.K. Mireku, rechter, in aanwezigheid van

mr. M. Oosterhuis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

2 november 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

Bijlage: wettelijk kader

Participatiewet

Artikel 17, eerste lid:

De belanghebbende doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Deze verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door het college kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is.

Artikel 54, derde lid:

Het college herziet een besluit tot toekenning van bijstand, dan wel trekt een besluit tot toekenning van bijstand in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand. Onverminderd het elders in deze wet bepaalde ter zake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand kan het college een besluit tot toekenning van bijstand herzien of intrekken, indien anderszins de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.

Artikel 58, eerste lid:

Het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend vordert de kosten van bijstand terug voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of de verplichtingen, bedoeld in artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.

Artikel 58, achtste lid:

Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het college besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

1 zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 8 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4411

2 zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 8 augustus 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2776

3 zie bijvoorbeeld de uitspraak van Raad van 19 september 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3354

4 zie de uitspraak van de Raad van 15 november 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4367