Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:1034

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
28-02-2017
Datum publicatie
03-04-2017
Zaaknummer
AMS 16/5933
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Definitieve jaarafrekening zorgjaar 2012 / beroep ongegrond / eiser is verdragsgerechtigde / woonlandfactor juist toegepast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 16/5933

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 februari 2017 in de zaak tussen

[de man] , te [woonplaats] (Duitsland) eiser,

en

het Centraal Administratiekantoor (CAK) als rechtsopvolger van het Zorginstituut Nederland, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Mulder).

Procesverloop

Bij besluit van 12 februari 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de definitieve jaarafrekening voor de bijdrage van eiser op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw) voor het zorgjaar 2012 vastgesteld.

Bij besluit van 4 augustus 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet van 11 december 2013 tot wijziging van de Wet cliëntenrechten zorg en andere wetten in verband met de taken en bevoegdheden op het gebied van de kwaliteit van de zorg (Stb. 2013, 578) oefent het Zorginstituut de bevoegdheden uit die voorheen door het College voor zorgverzekeringen (Cvz) werden uitgeoefend. Als gevolg van de inwerkingtreding van de “Wet Wijziging van de Zorgverzekeringswet en andere wetten in verband met de overgang van een aantal taken van het Zorginstituut Nederland naar het CAK” (Staatsblad 2016, nr. 173) oefent het CAK per 1 januari 2017 een deel van de bevoegdheden uit die voorheen door het Zorginstituut Nederland werden uitgeoefend. In deze uitspraak wordt onder verweerder mede verstaan het Zorginstituut en het Cvz.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 februari 2017. Eiser is niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1942 en woont in Duitsland. Hij ontvangt een pensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) uit Nederland. Op grond hiervan is eiser als verdragsgerechtigde in de zin van artikel 24 van Verordening (EG) 883/2004 (de Verordening) aangemerkt en heeft hij recht op medische zorg in Duitsland, ten laste van Nederland.

2. Bij besluit van 19 augustus 2013, gehandhaafd bij de beslissing op bezwaar van 22 november 2013, heeft verweerder de voorlopige jaarafrekening voor de Zvw-bijdrage voor het jaar 2012 vastgesteld op € 4.367,51, waarvan eiser nog € 593,91 moet betalen. De Centrale Raad van Beroep (de Raad) heeft in de uitspraak van 13 januari 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:381) de uitspraak van deze rechtbank van 5 september 2014 (ECLI:NL:RBAMS:2014:8787), waarin het beroep van eiser tegen de beslissing van 19 augustus 2013 ongegrond is verklaard, bevestigd.

3. Bij het primaire besluit heeft verweerder de definitieve door eiser verschuldigde Zvw-bijdrage over het jaar 2012 vastgesteld op een bedrag van € 4.367,51, berekend over de periode van 1 januari 2012 tot en met 31 december 2012. Daarnaast heeft verweerder vastgesteld dat eiser nog € 593,91 moet betalen.

4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Verweerder heeft hiertoe – kort samengevat – overwogen dat eiser over zijn gehele inkomen een procentuele bijdrage is verschuldigd die door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport jaarlijks wordt vastgesteld. Voor wat betreft de hoogte van de woonlandfactor heeft verweerder verwezen naar zijn eerdere beslissingen op bezwaar waarin hier reeds op is ingegaan.

5. De rechtbank neemt het volgende juridische kader in aanmerking.

5.1.

Op 1 mei 2010 is de Verordening in werking getreden. De Verordening vervangt de EG-Verordening 1408/71. Nu het bestreden besluit betrekking heeft op een tijdvak gelegen ná 1 mei 2010, is de nieuwe Verordening van toepassing.

5.2.

Ingevolge artikel 24 van de Verordening heeft degene die een pensioen ontvangt krachtens de wetgeving van een lidstaat (het pensioenland) en die geen recht heeft op verstrekkingen krachtens de wetgeving van de lidstaat waar hij woont (het woonland), desalniettemin met zijn gezinsleden recht op verstrekkingen in het woonland voor zover hij hierop recht zou hebben op grond van de wetgeving van het pensioenland, indien hij in het pensioenland zou wonen.

5.3.

Artikel 30, eerste lid, van de Verordening bepaalt dat het orgaan van een lidstaat dat krachtens de door dat orgaan toegepaste wetgeving belast is met het inhouden van de premies of bijdragen ter dekking van prestaties bij ziekte en van moederschaps- en daarmee gelijkgestelde vaderschapsuitkeringen, slechts deze premies of bijdragen, welke worden berekend overeenkomstig de door dit orgaan toegepaste wetgeving, kan heffen en innen voor zover de kosten voor de verstrekkingen die moeten worden verleend krachtens de artikelen 23 tot en met 26, worden gedragen door een orgaan van genoemde lidstaat.

5.4.

In artikel 69, eerste lid, van de Zvw, voor zover hier van belang, is bepaald dat in het buitenland wonende personen die met toepassing van een Verordening in geval van behoefte aan zorg recht hebben op zorg of vergoeding van de kosten daarvan, zoals voorzien in de wetgeving over de verzekering voor zorg in hun woonland, zich melden bij het Zorginstituut, tenzij zij op grond van deze wet verzekeringsplichtig zijn.

5.5.

Op grond van het tweede lid van artikel 69 van de Zvw zijn de in het eerste lid bedoelde personen een bij ministeriële regeling te bepalen bijdrage verschuldigd, die voor een bij die regeling te bepalen gedeelte, voor de toepassing van de Wet op de zorgtoeslag als premie voor een zorgverzekering wordt beschouwd. De wijze waarop deze bijdrage wordt berekend is neergelegd in de Regeling Zorgverzekeringen (de Regeling).

5.6.

In artikel 6.3.1, eerste lid, van de Regeling is bepaald dat het door een persoon, bedoeld in artikel 69 van de Zvw, verschuldigde bedrag wordt berekend door de grondslag van de bijdrage te vermenigvuldigen met het getal dat wordt berekend uit de verhouding tussen de gemiddelde uitgaven voor zorg voor een persoon ten laste van de sociale zorgverzekering in het woonland van deze persoon, en de gemiddelde uitgaven voor zorg voor een persoon ten laste van de sociale zorgverzekeringen in Nederland.

6. Naar aanleiding van de opmerking van eiser dat verschillende stukken zijn weggelaten en zouden moeten worden verstrekt, merkt de rechtbank op dat zij beschikt over de benodigde stukken om tot een weloverwogen oordeel te kunnen komen in de onderhavige zaak.

7. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser als verdragsgerechtigde in de zin van artikel 24 van de Verordening is aan te merken, waardoor hij op grond van artikel 30 van de Verordening in samenhang met artikel 69 van de Zvw in beginsel een bijdrage aan Nederland is verschuldigd.

8. Met betrekking tot hetgeen door eiser is aangevoerd over de woonlandfactor overweegt de rechtbank dat met de woonlandfactor tot uitdrukking wordt gebracht in welke mate de in dit woonlandpakket opgenomen zorg zich verhoudt tot de in het Nederlandse pakket (Zvw en AWBZ) opgenomen zorg. Door toepassing van de woonlandfactor draagt eiser niet bij voor zorg die niet behoort tot het Duitse pakket van sociale ziektekostenverzekering (zie hiervoor bijvoorbeeld ook de uitspraak van de Raad van 3 oktober 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX9228).

9. De woonlandfactor wordt op grond van artikel 6.3.1, eerste lid, van de Regeling berekend door de gemiddelde zorgkosten in het woonland te delen door de gemiddelde zorgkosten in Nederland. De gemiddelde zorgkosten worden bepaald door het totaalbedrag van zorgkosten in het betreffende land te delen door het aantal rechthebbenden in dat land. De gemiddelde zorgkosten voor Nederland en Duitsland zijn voor 2012 bepaald op basis van bij de Rekencommissie van de Europese Unie ingediende nota’s, die door deze Rekencommissie zijn goedgekeurd. Deze zijn vervolgens gepubliceerd in de Staatscourant (Stcrt. 2011, 21588). Uit de daarin vermelde gegevens en bronnen blijkt niet dat voor het in artikel 6.3.1 bedoelde verhoudingsgetal niet is uitgegaan van de gemiddelde zorgkosten in Nederland en van die in het woonland (vergelijk de uitspraak van de Raad van 19 juli 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1466). Gelet op het voorgaande is de rechtbank, anders dan eiser, van oordeel dat de voor de woonlandfactor gebruikte bronnen voldoende te herleiden en inzichtelijk zijn. Verweerder heeft de woonlandfactor over 2012 in het geval van eiser juist toegepast, hetgeen de Raad in de uitspraak van 13 januari 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:381) ook heeft bevestigd. Deze beroepsgrond faalt.

10. Eiser heeft nog aangevoerd dat verweerder het bestreden besluit niet deugdelijk heeft gemotiveerd omdat verweerder voor wat betreft de woonlandfactor heeft verwezen naar vorige besluiten. De rechtbank volgt eiser hier niet in. Van belang is of voor eiser voldoende duidelijk is of had kunnen zijn welke motivering verweerder hanteert. Gelet op de eerdere procedures tussen eiser en verweerder en hetgeen daarin door partijen naar voren is gebracht, moest voor eiser duidelijk zijn welke motivering verweerder aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd. Ook deze beroepsgrond faalt dus.

11. Dat de buitenlandbijdrage in het geval van eiser hoger uitvalt dan een Duitse ziektekostenverzekering hem zou kosten, maakt niet dat de buitenlandbijdrage onjuist is vastgesteld. Het is niet in strijd met enige Europese rechtsregel dat er verschillen in de systemen en bedragen van de Lidstaten bestaan. Op het gebied van sociale zekerheid is immers slecht sprake van coördinatie en niet van harmonisatie tussen de Lidstaten. Ook deze beroepsgrond faalt.

12. De rechtbank merkt nog op dat de Zvw-bijdrage dwingendrechtelijk en limitatief van aard is. Het biedt geen ruimte voor verweerder om de buitenlandbijdrage niet op te leggen aan een verdragsgerechtigde, zoals eiser (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 15 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:23).

13. Gelet op het voorgaande slaagt het beroep niet. De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren. De rechtbank ziet geen aanleiding voor vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht of voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.A. Broekhuis, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Akbuz, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 februari 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.