Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:10338

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
18-12-2017
Datum publicatie
05-03-2018
Zaaknummer
AMS 17/3246
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Awir, toeslagpartnerschap. Reikwijdte van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e, van de Awir. Gecombineerde toepassing van artikel 3, derde lid, van de Awir en artikel 3, tweede lid, aanhef en onder g, van de Awir.

De betekenis die het begrip partner in het normaal spraakgebruik heeft, is niet hetzelfde als de juridische betekenis die dat begrip in de Awir heeft. De rechtbank moet beslissen op basis van de juridische betekenis van het begrip partner van artikel 3 van de Awir. Dat artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e, van de Awir een ruimer bereik heeft dan dat van een samengesteld gezin is een gegeven dat door de wetgever kennelijk is aanvaard.

Daarnaast verzet naar het oordeel van de rechtbank artikel 3, tweede lid, aanhef en onder g, van de Awir zich er niet tegen dat met toepassing van het bepaalde in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e, en artikel 3, derde lid, van de Awir wordt vastgesteld of sprake is van partnerschap in het aan het berekeningsjaar voorafgaande kalenderjaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 17/3246

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 december 2017 in de zaak tussen

[eiseres] te Amsterdam, eiseres

(gemachtigde: mr. J. de Visser),

en

Belastingdienst Toeslagen, verweerder

(gemachtigde: mr. J.M. van de Griendt).

Procesverloop

Bij besluit van 31 maart 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder het recht op zorgtoeslag van eiseres over het jaar 2014 definitief vastgesteld op € 432,-.

Bij besluit van 21 april 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 november 2017. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Feiten en omstandigheden

1. Eiseres is geboren op [geboortedatum 1] . Vanwege een verslechterde relatie met haar ouders is eiseres begin 2012 bij haar oom en tante ( [naam 2] en [naam 3] ) en hun twee zoons ( [naam 4] en [naam 5] ) gaan wonen op het adres [adres] . In de loop van 2012 zijn [naam 2] en [naam 3] gescheiden. [naam 2] is op voornoemd adres blijven wonen. Ook eiseres is daar blijven wonen.

2. Eiseres heeft van 23 februari 2012 tot 1 juli 2014 in de Basisregistratie Persoonsgegevens (BRP) ingeschreven gestaan op het adres [adres] . [naam 2] heeft (onder andere) in de jaren 2012 tot en met 2014 in de BRP ingeschreven gestaan op dat adres. Daarnaast hebben [naam 4] , geboren op [geboortedatum 2] , en [naam 5] , geboren op 28 [geboortedatum 3] , (onder andere) in de jaren 2012 tot en met 2014 ook op dat adres ingeschreven gestaan.

3. Verweerder heeft bij besluit van 27 december 2013 aan eiseres een voorschot zorgtoeslag voor het jaar 2014 toegekend van € 865,-.

Verweerders besluitvorming en zijn standpunt in beroep

4. Bij het primaire besluit heeft verweerder het recht op zorgtoeslag van eiseres over het jaar 2014 definitief vastgesteld op € 432,- en een bedrag van € 463,- van eiseres teruggevorderd. Verweerder is er bij de berekening van het recht op zorgtoeslag van uitgegaan dat [naam 2] van 1 januari 2014 tot en met 30 juni 2014 de toeslagpartner van eiseres is. Ook het inkomen van [naam 2] is daarom in aanmerking genomen. Verweerder heeft vastgesteld dat eiseres, gelet op het gezamenlijk toetsingsinkomen van eiseres en [naam 2] , over de maanden januari tot en met juni 2014 geen recht heeft op zorgtoeslag. Verder heeft verweerder vastgesteld dat eiseres over de maanden juli tot en met december 2014 recht heeft op € 72,- zorgtoeslag per maand.

5. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Daaraan heeft verweerder het volgende ten grondslag gelegd. Artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) bepaalt dat als toeslagpartner wordt aangemerkt degene die op hetzelfde woonadres als de belanghebbende staat ingeschreven in de BRP en waarbij op dat woonadres tevens een minderjarig kind van ten minste één van beiden staat ingeschreven. Eiseres heeft van 1 januari 2014 tot en met 30 juni 2014 op hetzelfde adres ingeschreven gestaan als [naam 2] en [naam 5] , het minderjarige kind van [naam 2] . Daarom is [naam 2] voor deze periode de toeslagpartner van eiseres en wordt de zorgtoeslag berekend met het gezamenlijk inkomen.

6. Verweerder heeft in beroep de motivering van het bestreden besluit als volgt gewijzigd. In de periode van 1 januari 2014 tot en met 30 juni 2014 stond ook [naam 4] , de op dat moment meerderjarige zoon van [naam 2] , ingeschreven in de BRP op hetzelfde adres. Daarmee was in die periode dus sprake van drie meerderjarigen (en één minderjarige) op hetzelfde adres. Artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e, van de Awir is alleen van toepassing op een bewoningssituatie met twee meerderjarigen. Daarom is in dit geval artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e, van de Awir niet van toepassing.

Wel is sprake van toeslagpartnerschap op basis van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder g, van de Awir. Daarin is bepaald dat als toeslagpartner wordt aangemerkt degene die als ingezetene op hetzelfde woonadres is ingeschreven in de BRP als de belanghebbende en die in het aan het berekeningsjaar voorafgaande kalenderjaar reeds partner van de belanghebbende was. Op 1 januari 2013 waren eiseres en [naam 2] de enige twee meerderjarigen op het adres omdat - behalve [naam 5] - ook [naam 4] op dat moment nog minderjarig was. Op 1 januari 2013 was dus sprake van toeslagpartnerschap op basis van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e, van de Awir. Dat heeft geduurd tot 22 mei 2013, de dag waarop [naam 4] meerderjarig is geworden. Dit toeslagpartnerschap blijft het gehele berekeningsjaar 2013 bestaan op grond van artikel 3, derde lid, van de Awir. Aangezien eiseres en [naam 2] in 2013 toeslagpartners waren en beiden (ook) in 2014 op hetzelfde adres waren ingeschreven, zijn zij op grond van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder g, van de Awir over 2014 eveneens toeslagpartners.

Het standpunt van eiseres

7. Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder [naam 2] ten onrechte als toeslagpartner over 2014 heeft aangemerkt.

Daartoe heeft zij in de eerste plaats aangevoerd dat verweerder [naam 2] ten onrechte met toepassing van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e, van de Awir als toeslagpartner over 2013, het voorafgaande kalenderjaar, heeft aangemerkt. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e, van de Awir is ingevoerd om samengestelde gezinnen in een vergelijkbare situatie te brengen als traditionele gezinnen. De situatie van eiseres, die inwoonde bij haar oom en diens kinderen, wijkt af van de bedoeling van de wetgever. Er was geen sprake van een gemeenschappelijke huishouding en eiseres leek in niets op de partner waarover de wet spreekt. Daarentegen vervulde [naam 2] juist een belangrijke rol in de opvoeding en belangenbehartiging van eiseres. Eiseres was veeleer te beschouwen als een pupil, stiefkind of tijdelijk inwonende nicht van de familie. Daarom moet in dit geval een uitzondering worden gemaakt op artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e, van de Awir. Eiseres verwijst daarbij naar een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 31 januari 2017 (ECLI:NL:RBMNE:2017:637).

In de tweede plaats heeft eiseres aangevoerd dat verweerder ten onrechte artikel 3, derde lid, van de Awir combineert met artikel 3, tweede lid, aanhef en onder g, van de Awir. Dat is niet mogelijk, omdat artikel 3, derde lid, van de Awir slechts rept over het berekeningsjaar en die bepaling heeft dus geen betrekking op het jaar voorafgaand aan het berekeningsjaar. Als de wetgever had gewild, dat degene die voor een deel van het jaar voorafgaand aan het berekeningsjaar als partner wordt aangemerkt ook in de andere perioden van het jaar voorafgaand aan het berekeningsjaar als partner wordt aangemerkt, dan had de wetgever dat wel in de wet gezet. Maar dat staat er eenvoudigweg niet. Bovendien zou [naam 2] hooguit voor een deel van 2013 toeslagpartner van eiseres zijn. Dit betekent dat eiseres slechts een deel van het voorafgaande jaar, en dus niet voortdurend een toeslagpartner had. Ook dit staat aan de gecombineerde toepassing van voornoemde bepalingen in de weg. Dat iemand voor een deel van het jaar als partner wordt aangemerkt, betekent dat hij ook als partner wordt aangemerkt in de andere perioden van dat berekeningsjaar maar dat is niet hetzelfde als het in een voorafgaand kalenderjaar voortdurend partner zijn van een belanghebbende.

Ook stelt eiseres dat het partnerbegrip in een loop terecht zou komen als verweerder gevolgd zou worden in zijn standpunt. Dan zou de omstandigheid dat eiseres en [naam 2] voor een deel van 2013 toeslagpartners zijn tot gevolg hebben dat zij ook voor de jaren daarna, dus niet alleen in 2014, maar ook in 2015, 2016 enzovoort als elkaars toeslagpartners worden beschouwd. Daar komt dan geen einde aan.

Beoordeling door de rechtbank

8. De van toepassing zijnde regelgeving is opgenomen in de bijlage. Die bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.

9. Aangezien verweerder in beroep de wettelijke grondslag en de motivering van het bestreden besluit heeft gewijzigd, is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering. Dat betekent dat het bestreden besluit in strijd is met het bepaalde in artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het bestreden besluit moet om die reden worden vernietigd.

10. Gelet op het bepaalde in artikel 8:72, derde lid, van de Awb zal de rechtbank aan de hand van de door verweerder gegeven gewijzigde motivering beoordelen of de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kunnen blijven. Daartoe moet beoordeeld worden of verweerder het recht op zorgtoeslag van eiseres over het berekeningsjaar 2014 juist heeft vastgesteld.

11. In geschil is of [naam 2] terecht als toeslagpartner van eiseres is aangemerkt bij de vaststelling van het recht op zorgtoeslag over het berekeningsjaar 2014. Als iemand toeslagpartner is, moet diens inkomen ook worden meegenomen bij de hoogte van het recht op zorgtoeslag.

12. Aangezien verweerder het toeslagpartnerschap over 2014 mede baseert op de situatie in 2013 zal de rechtbank eerst ingaan op de vraag of [naam 2] over het berekeningsjaar 2013 als toeslagpartner van eiseres is aan te merken. Indien die vraag bevestigend wordt beantwoord, is daarna de vraag aan de orde of zij ook over het berekeningsjaar 2014 toeslagpartners zijn.

Is [naam 2] over het berekeningsjaar 2013 toeslagpartner van eiseres?

13. De rechtbank begrijpt dat de oom van eiseres in een voor haar moeilijke periode een belangrijke rol heeft gespeeld door, kort gezegd, als een vervangende ouder te fungeren. Dat eiseres haar oom niet als partner ziet, kan de rechtbank zich voorstellen. De betekenis die het begrip partner in het normaal spraakgebruik heeft, is echter niet hetzelfde als de juridische betekenis die dat begrip in de Awir heeft. De rechtbank moet beslissen op basis van de juridische betekenis van het begrip partner. Die juridische betekenis is gedefinieerd in artikel 3 van de Awir.

14. Gedurende het gehele jaar 2013 stonden eiseres, [naam 2] en de twee zoons van [naam 2] ingeschreven op hetzelfde adres. Van 1 januari 2013 tot 22 mei 2013 waren beide zoons nog minderjarig. Op 22 mei 2013 is de oudste zoon meerderjarig geworden. Er was geen schriftelijke huurovereenkomst op grond waarvan eiseres een deel van de woning op zakelijke gronden huurde.

15. Gelet op voornoemde gegevens is naar het oordeel van de rechtbank in de periode van 1 januari 2013 tot 22 mei 2013 sprake van een situatie die voldoet aan het bepaalde in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e, van de Awir. Dat betekent dat eiseres en [naam 2] in de periode van 1 januari 2013 tot 22 mei 2013 op grond van die bepaling worden aangemerkt als (toeslag)partners.

16. Voor het aannemen van een uitzondering zoals door eiseres bepleit, ziet de rechtbank geen grond. Daartoe wordt het volgende overwogen.

17. Artikel 3 van de Awir is dwingend geformuleerd en de Awir biedt geen mogelijkheid om af te wijken van hetgeen in artikel 3 is bepaald.

18. Met de wijziging van het partnerbegrip in de Awir (zie de Fiscale vereenvoudigingswet 2010) met ingang van 1 januari 2012 heeft de wetgever de materiële toets of bij ongehuwd samenwonenden sprake is van een gezamenlijke huishouding laten vervallen en daarvoor in de plaats objectieve criteria gehanteerd. Ook bij de invoering van onderdeel e van het tweede lid van artikel 3 van de Awir heeft de wetgever objectieve criteria gehanteerd. Daarmee heeft de wetgever bij de vormgeving van het wettelijk partnerbegrip gekozen voor een regeling waarbij – uit een oogpunt van eenduidige uitvoering van de inkomensafhankelijke regelingen – op grond van objectiveerbare gegevens door verweerder kan worden vastgesteld of een belanghebbende een partner heeft. De rechtbank verwijst in dit verband ook naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 6 september 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2397) en 6 december 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:3367). Uit het voorgaande volgt dat, anders dan eiseres heeft aangevoerd, niet meer van belang is of sprake is van een gezamenlijke dan wel gescheiden huishouding in materiële en financiële zin.

19. Het is juist, zoals eiseres heeft aangevoerd, dat de wetgever met de invoering van onderdeel e van het tweede lid van artikel 3 van de Awir heeft beoogd samengestelde gezinnen en traditionele gezinnen voor de toeslagen in een gelijke situatie te brengen. Ook is juist dat de situatie van eiseres en [naam 2] niet een situatie is waarop de wetgever het oog had bij de omschrijving van een samengesteld gezin. Niettemin heeft de wetgever gekozen voor een wettelijke formulering op basis van objectieve criteria, die meebrengt dat ook andere situaties dan die van een samengesteld gezin onder de reikwijdte van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e, van de Awir kunnen vallen. Alleen voor situaties waarin sprake is van (onder)huur heeft de wetgever het als een ongewenst effect aangemerkt dat (onder)huurder en (onder)verhuurder als elkaars partner zouden worden aangemerkt; alleen voor die situatie heeft de wetgever gekozen voor een tegenbewijsregeling.

20. Uit de wetsgeschiedenis (zie TK 2012-2013, Aanhangsel van de Handelingen, nr. 2098) maakt de rechtbank op dat de wetgever zich ervan bewust is geweest dat de consequentie van de gekozen objectieve criteria kan zijn dat een meerderjarige die bij een alleenstaande ouder woont als toeslagpartner wordt gezien. Dat de definitie van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e, van de Awir een ruimer bereik heeft dan dat van een samengesteld gezin, is daarmee een gegeven dat door de wetgever kennelijk is aanvaard. Dit is een keuze die de wetgever heeft gemaakt. De aanvaardbaarheid van die keuze ligt in deze procedure niet ter beoordeling voor. Het staat de rechter niet vrij om de innerlijke waarde of billijkheid van de wet te toetsen.

21. Doordat eiseres na de scheiding van haar oom en tante ingeschreven is gebleven op het woonadres van haar oom in de BRP heeft eiseres zelf een situatie gecreëerd die onder het bereik van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e, van de Awir valt. De door eiseres gestelde omstandigheden, die maakten dat eiseres ervoor heeft gekozen bij haar oom te blijven wonen en niet elders te gaan wonen, zijn naar het oordeel van de rechtbank geen omstandigheden die verweerder ertoe hadden moeten nopen – met voorbijgaan aan het dwingendrechtelijke karakter van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e, van de Awir – in dit geval niet uit te gaan van een partnerschapssituatie. Dat eiseres zich destijds niet heeft gerealiseerd wat de gevolgen van het voortzetten van de inschrijving bij haar oom zouden (kunnen) zijn voor de aanspraak op zorgtoeslag, doet hier niet aan af, omdat dit een omstandigheid is die voor rekening en risico van eiseres komt.

22. Aan de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland – en ook aan de uitspraak van de Afdeling van 9 augustus 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2138) – kan eiseres geen steun ontlenen, omdat de situaties in die uitspraken op essentiële punten verschillen van de situatie van eiseres. In die zaken lag namelijk de vraag voor of de belanghebbende en een ander die ieder afzonderlijke woonruimte op hetzelfde woonadres huurden van een derde voor de toepassing van de Awir als partners moesten worden beschouwd. Daarbij was sprake van een schriftelijke huurovereenkomst en ging het om de uitleg van de zinsnede “huurt van de ander” in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e, van de Awir. In het geval van eiseres is geen sprake van een schriftelijke huurovereenkomst, zodat reeds hierom de vergelijking niet opgaat.

23. Eiseres heeft nog aangevoerd dat zij gelijk moet worden gesteld met een stiefkind. De rechtbank begrijpt dat eiseres hiermee een beroep doet op het bepaalde in artikel 3, vijfde lid, van de Awir. Op grond van die bepaling wordt een bloedverwant in de eerste graad tot de leeftijd van 27 jaar niet als partner aangemerkt. Op grond van de uitspraak van de Afdeling van 1 juli 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2052) moet hieronder ook een stiefkind worden verstaan. De rechtbank is van oordeel dat eiseres niet te kwalificeren is als stiefkind ten opzichte van haar oom, omdat haar oom de ex-echtgenoot van de zus van haar moeder is en er daarmee geen aanverwantschap tussen eiseres en haar oom bestond. De stelling dat eiseres gelijk moet worden gesteld met een stiefkind volgt de rechtbank evenmin, reeds omdat de Awir geen basis biedt voor een dergelijke gelijkstelling. De rechtbank is dan ook van oordeel dat eiseres op de in artikel 3, vijfde lid, van de Awir genoemde uitzondering geen beroep kan doen.

24. De rechtbank komt tot de tussenconclusie dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres en [naam 2] op grond van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e, van de Awir van 1 januari 2013 tot 22 mei 2013 als toeslagpartners zijn aan te merken.

25. Op grond van artikel 3, derde lid, van de Awir wordt degene die ingevolge het tweede lid voor een deel van het berekeningsjaar als partner wordt aangemerkt, ook als partner aangemerkt in de andere perioden van het berekeningsjaar, voor zover hij in die perioden als ingezetene op hetzelfde woonadres is ingeschreven in de BRP als de belanghebbende. Toepassing van artikel 3, derde lid, van de Awir betekent in dit geval dat [naam 2] ook in de andere perioden van 2013 wordt aangemerkt als toeslagpartner van eiseres. Beiden waren immers ook gedurende de rest van 2013 op hetzelfde woonadres ingeschreven.

26. Dit betekent dat eiseres en [naam 2] over het gehele berekeningsjaar 2013 als toeslagpartners worden aangemerkt.

Is [naam 2] over het berekeningsjaar 2014 toeslagpartner van eiseres?

27. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres en [naam 2] op grond van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder g, van de Awir ook over het berekeningsjaar 2014 als toeslagpartners zijn aan te merken.

28. Dat in deze procedure de vaststelling van het recht op zorgtoeslag betrekking heeft op het berekeningsjaar 2014 neemt niet weg dat allereerst vastgesteld diende te worden of in het aan het berekeningsjaar voorafgaande kalenderjaar, in dit geval 2013, sprake was van toeslagpartnerschap. Het kalenderjaar 2013 valt samen met het berekeningsjaar 2013. Niet valt in te zien dat in dit geval artikel 3, tweede lid, aanhef en onder g, van de Awir zich ertegen zou verzetten om met toepassing van het bepaalde in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e, en artikel 3, derde lid, van de Awir vast te stellen of sprake is van partnerschap in het aan het berekeningsjaar voorafgaande kalenderjaar. In de wetsgeschiedenis heeft de rechtbank evenmin aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat een dergelijke toepassing in dit geval niet geoorloofd zou zijn.

29. Het argument van eiseres dat deze toepassing van artikel 3 van de Awir tot het resultaat zou leiden dat ook voor volgende jaren het partnerschap steeds wordt aangenomen zonder dat daar een einde aan komt, leidt niet tot een ander oordeel. Dat resultaat is het gevolg van de systematiek van artikel 3 van de Awir. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat dit alleen het geval is bij gelijkblijvende omstandigheden. Indien de betrokkenen niet langer op hetzelfde woonadres zijn ingeschreven (zie de aanhef van het tweede lid van artikel 3) of indien zich een wijziging voordoet als bedoeld in artikel 3, vierde lid, van de Awir is niet langer sprake van partnerschap. Van een ongerechtvaardigd resultaat is in dit geval naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake.

30. Het voorgaande betekent – mede in aanmerking genomen dat eiseres vanaf 1 juli 2014 niet langer ingeschreven was op hetzelfde adres als [naam 2] – dat verweerder terecht heeft geoordeeld dat eiseres en [naam 2] van 1 januari 2014 tot en met 30 juni 2014 als toeslagpartners zijn aan te merken.

Conclusie

31. De rechtbank concludeert dat verweerder het recht op zorgtoeslag van eiseres over het berekeningsjaar 2014 op juiste wijze heeft vastgesteld. Dit betekent dat de rechtbank zal bepalen dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand blijven.

32. Aangezien het beroep gegrond is, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

33. Daarnaast veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46,- aan eiseres te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 990,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.T. Kruis, rechter, in aanwezigheid van

mr. L.C. Trommel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 december 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

Bijlage

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 3:46

Een besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering.

Artikel 8:72

1. Indien de bestuursrechter het beroep gegrond verklaart, vernietigt hij het bestreden besluit geheel of gedeeltelijk.

2. De vernietiging van een besluit of een gedeelte van een besluit brengt vernietiging van de rechtsgevolgen van dat besluit of van het vernietigde gedeelte daarvan mee.

3. De bestuursrechter kan bepalen dat:

a. de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit of het vernietigde gedeelte daarvan geheel of gedeeltelijk in stand blijven, of

b. zijn uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit of het vernietigde gedeelte daarvan.

(…)

Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen

Artikel 2

1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen, alsmede in inkomensafhankelijke regelingen, wordt verstaan onder:

(…)

f. partner: de persoon bedoeld in artikel 3;

(…).

Artikel 3

1. Partner van de belanghebbende is degene die ingevolge artikel 5a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen als partner wordt aangemerkt. Artikel 2, zesde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is van overeenkomstige toepassing.

2. In aanvulling op het eerste lid wordt voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen onder partner mede verstaan degene die op hetzelfde woonadres als de belanghebbende staat ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens en:

(…)

e. die evenals de belanghebbende meerderjarig is, waarbij op dat woonadres tevens een minderjarig kind van ten minste een van beiden staat ingeschreven, behoudens ingeval de belanghebbende door middel van een schriftelijke huurovereenkomst, waaraan bij ministeriële regeling nadere voorwaarden kunnen worden gesteld, doet blijken dat een van beiden op zakelijke gronden een gedeelte van de woning huurt van de ander;

(…)

g. die in het aan het berekeningsjaar voorafgaande kalenderjaar reeds partner van de belanghebbende was.

3. Degene die ingevolge het tweede lid voor een deel van het berekeningsjaar als partner wordt aangemerkt, wordt ook als partner aangemerkt in de andere perioden van het berekeningsjaar, voor zover hij in die perioden als ingezetene op hetzelfde woonadres is ingeschreven in de basisregistratie personen als de belanghebbende.

4. Een belanghebbende kan op enig moment slechts één partner hebben. Indien de belanghebbende op grond van het tweede lid op dat moment meer dan één partner zou hebben, geldt als partner van de belanghebbende degene die ingevolge artikel 5a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen op dat moment als partner wordt aangemerkt; mocht op grond van artikel 5a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen op dat moment geen persoon als partner zijn aangemerkt, geldt als partner degene die op grond van de in het tweede lid eerstgenoemde categorie als partner wordt aangemerkt.

5. In afwijking van artikel 5a van de Algemene wet inzake rijksbelasting en het tweede lid wordt niet als partner aangemerkt, een bloedverwant in de eerste graad van de belanghebbende, tenzij beiden bij de aanvang van het kalenderjaar de leeftijd van 27 jaar hebben bereikt.