Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:10331

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
22-12-2017
Datum publicatie
19-02-2018
Zaaknummer
AMS 17/271
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2018:4191, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Derde-partij woont in strijd met het bestemmingsplan permanent in een loods. De buurman heeft een handhavingsverzoek ingediend. Volgens verweerder dient in dit geval van handhaving te worden afgezien vanwege de medische toestand van derde-partij. De rechtbank is echter van oordeel dat handhavend optreden in dit concrete geval niet zodanig onevenredig is in verhouding tot de belangen van handhaving dat verweerder daarvan in redelijkheid kon afzien. De rechtbank beslist finaal. Het bezwaar van derde-partij tegen de last onder dwangsom met betrekking tot het gebruik van de loods als woning wordt alsnog ongegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 17/271

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 december 2017 in de zaak tussen

[eiser] , te Amsterdam, eiser

(gemachtigde: mr. M.M. de Roon),

en

het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van stadsdeel Zuid van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. M.H.J. Stelwagen).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [derde belanghebbenden], te Amsterdam

(gemachtigde: N. van der Wijk-Veldhuizen).

Procesverloop

Met het besluit van 12 augustus 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder derde‑partij op straffe van dwangsommen gelast om (1) het gebruik van de loods op [adres 1] in Amsterdam (de loods) als woning binnen een termijn van drie jaar te staken en gestaakt te houden en (2) de loods te verwijderen en verwijderd te houden vanaf het moment dat het gebruik van de loods als woning wordt beëindigd, doch uiterlijk binnen een termijn van drie jaar.

Met het besluit van 6 december 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van derde-partij gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het primaire besluit herroepen en beslist dat aan derde-partij geen last onder dwangsom wordt opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Derde-partij heeft ook op het beroepschrift gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 augustus 2017.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door [naam 1] .

Derde-partij heeft zich laten vertegenwoordigen door hun dochter (tevens hun gemachtigde), bijgestaan door haar echtgenoot.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en verweerder in de gelegenheid gesteld het bestreden besluit nader te onderbouwen. Verweerder heeft op 7 september 2017 nadere informatie overgelegd. Eiser heeft hier op 18 september 2017 gereageerd.

De rechtbank heeft partijen vervolgens gevraagd of zij nog een keer op een zitting wilden worden gehoord. Geen van de partijen heeft aangegeven dit te willen. De rechtbank heeft het onderzoek daarna gesloten.

Overwegingen

1.1.

Eiser is erfpachter van het perceel [adres 2] te Amsterdam en is daar ook woonachtig. Derde-partij is woonachtig in een (voormalige kano)loods op het naastgelegen perceel [adres 1] . De loods is sinds eind jaren zeventig in het bezit van derde-partij. Derde-partij verbleef sindsdien regelmatig in de loods. Sinds 2014 is derde-partij permanent in de loods gaan wonen.

1.2.

De loods is opgericht met een tijdelijke bouwvergunning van 29 juli 1937. In die vergunning is de voorwaarde opgenomen dat het bouwwerk eerst binnen veertien dagen na een schriftelijke aanzegging van verweerder daartoe moet worden verwijderd.

1.3.

De percelen [adres 1] en [adres 2] vallen onder het bestemmingsplan “Herziening bestemmingsplan Jachthavengebied en Amsterdamse Bos” (het bestemmingsplan). Het perceel [adres 1] heeft de bestemming ‘Recreatie 1’.

2.1

In augustus 2013 heeft eiser een handhavingsverzoek bij verweerder ingediend. Op 10 maart 2015 heeft verweerder een concept-besluit genomen tot het opleggen van een last onder dwangsom ten aanzien van het gebruik van de loods als woning in strijd met het bestemmingsplan. Derde-partij en eiser hebben een zienswijze ingediend.

2.2.

Met het primaire besluit heeft verweerder aan derde-partij een last onder dwangsom opgelegd. Derde-partij handelt in strijd artikelen 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, en 2.3a, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Derde-partij wordt gelast het gebruik van de loods als woning binnen een termijn van drie jaar te staken en gestaakt te houden en de loods te verwijderen en verwijderd te houden vanaf het moment dat het gebruik van de loods als woning wordt beëindigd, doch uiterlijk binnen een termijn van drie jaar.

2.3.

Derde-partij heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. De bezwaarschriftencommissie Stadsdeel Zuid (de bezwaarschriftencommissie) heeft verweerder geadviseerd dit bezwaar gegrond te verklaren. Volgens de bezwaarschriftencommissie is het opleggen van een last onder dwangsom, gelet op de gezondheidssituatie van [de man] , in dit geval zodanig onevenredig in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat van het opleggen van die last moet worden afgezien.

2.4.

Met het bestreden besluit heeft verweerder, conform het advies van de bezwaarschriftencommissie, het bezwaar van derde-partij gegrond verklaard en het primaire besluit herroepen. Verweerder deelt mee wegens de medische omstandigheden van [de man] af te zien van het opleggen van een last onder dwangsom zolang [de man] leeft.

3. Eiser voert in beroep – samengevat – aan dat verweerder niet van handhaving af mocht zien. Eiser kon zich verenigen met het primaire besluit, maar vindt dat verweerder niet voor onbepaalde duur af kan zien van handhaving. Permanente bewoning van de loods is in strijd met het bestemmingsplan en verweerder heeft een beginselplicht tot handhaving. De medische toestand van [de man] is volgens eiser onvoldoende reden om van handhaving af te zien. Eiser heeft verder gesteld dat hij in zijn bedrijfsmogelijkheden wordt belemmerd door permanente bewoning van de loods naast zijn perceel.

4.1.

Tussen partijen is niet in geschil en ook de rechtbank stelt vast dat permanente bewoning van de loods zonder vergunning daarvoor in strijd is met het bestemmingsplan. Het staat dus vast dat derde‑partij het bestemmingsplan overtreedt door de loods permanent te bewonen.

4.2.

Gelet op het algemene belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd dit niet te doen. Deze bijzondere omstandigheden kunnen zich voordoen, indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Verder kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat van handhavend optreden in die concrete situatie moet worden afgezien.1

4.3.

Verweerder heeft in het primaire besluit aangegeven niet bereid te zijn tot legalisatie van de met het bestemmingsplan strijdige situatie. Dit is door derde-partij niet bestreden. Van concreet zicht op legalisatie is dus geen sprake. De kern van dit geschil is daarom of handhaving in dit concrete geval zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat daarvan moet worden afgezien.

4.4.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat in dit geval van handhaving moet worden afgezien vanwege de medische toestand van [de man] . Verweerder heeft hiertoe (na de schorsing van het onderzoek ter zitting) nog enkele nadere medische stukken met betrekking tot [de man] overgelegd. Op de zitting heeft de gemachtigde van verweerder toegelicht dat ook de lange duur dat verweerder nu al van handhaving heeft afgezien, heeft meegespeeld bij de belangenafweging.

4.5.

De rechtbank is van oordeel dat handhavend optreden in dit concrete geval niet zodanig onevenredig is in verhouding tot de belangen van handhaving dat verweerder daarvan in redelijkheid kon afzien. Bij dit oordeel zijn meerdere omstandigheden van belang. Eerst zal de rechtbank ingaan op de persoonlijke en medische omstandigheden. De rechtbank begrijpt goed dat derde-partij al heel lang – sinds eind zeventiger jaren – in de loods komt, inmiddels op leeftijd is en ook graag de laatste jaren in de loods zou doorbrengen, maar dat kunnen in beginsel geen redenen zijn om van handhaving af te zien. Ook heeft de rechtbank de stukken van het ziekenhuis Amstelland, huisarts [naam 2] , GGD-arts [naam 3] en het VUmc gezien. Hieruit blijkt dat [de man] in 2005 en 2016 een hartinfarct heeft gehad en prostaatkanker met uitzaaiingen in de botten heeft. De GGD-arts heeft toegelicht dat een verhuizing op zowel psychisch als lichamelijk gebied een belasting voor [de man] zal zijn wegens lichamelijke inspanningen, stress, rouwproces, aanpassingsproblematiek, somberheid en onrechtvaardigheidsgevoelens. Een gedwongen verhuizing zal volgens de GGD-arts blijvende invloed hebben. Volgens vaste rechtspraak kunnen medische omstandigheden alleen in zeer uitzonderlijke gevallen leiden tot het oordeel dat verweerder van handhavend optreden moet afzien.2 De rechtbank is van oordeel dat van een dergelijke zeer uitzonderlijke situatie in dit geval geen sprake is. Uit de medische stukken blijkt weliswaar dat een verhuizing voor [de man] psychisch en fysiek belastend zou zijn en blijvende invloed op hem zou hebben, maar niet is gebleken dat [de man] wegens zijn gezondheidssituatie helemaal niet in staat is om zijn hoofdverblijf te verplaatsen. Voorzover derde-partij met familie niet in staat is een andere geschikte (senioren)woning te vinden, kan verweerder hen daarbij behulpzaam zijn door bijvoorbeeld een urgentieverklaring te verlenen. De rechtbank merkt nog op dat verweerder ook rekening met de gezondheidssituatie van [de man] had kunnen houden in de vorm van een (zeer) lange begunstigingstermijn, zoals dat overigens in het primaire besluit ook is gebeurd.

4.6.

Verder zijn de volgende omstandigheden van belang. De overtreding van het bestemmingsplan is geen geringe overtreding. Derde‑partij woont in strijd met het bestemmingsplan - dat onder voorwaarden slechts recreatieve bewoning toestaat - permanent in de loods. Zoals eiser in zijn beroepschrift heeft aangevoerd wordt hij door de permanente bewoning van de loods naast zijn perceel ook belemmerd in zijn bedrijfsvoering. Ter zitting heeft eiser toegelicht dat hij plannen heeft voor een watersportcentrum, waarvoor hij een omgevingsvergunning heeft aangevraagd. Hiervoor zal nieuwbouw op het perceel moeten plaatsvinden en zal de bedrijvigheid toenemen. Zijn bedrijfsmogelijkheden worden beperkt als er permanent gewoond wordt op het naastgelegen perceel. De rechtbank vindt verder van belang dat derde-partij ervan op de hoogte was dat permanente bewoning van de loods strijdig is met het bestemmingsplan. De gemeente is in 2013 reeds een onderzoek gestart naar de bewoning. Met die wetenschap heeft derde-partij er toch in 2014 voor gekozen om hun huurwoning aan de [adres 3] op te zeggen en de loods permanent te gaan betrekken. De gevolgen van die keuze moeten naar het oordeel van de rechtbank dan ook door derde-partij gedragen worden. Voor zover de duur dat niet handhavend is opgetreden, door verweerder is betrokken in de belangenafweging overweegt de rechtbank het volgende. Op grond van vaste rechtspraak van de Afdeling kan het enkele tijdsverloop tussen de overtreding en het handhavend optreden niet worden aangemerkt als bijzondere omstandigheid.3 Overigens woont derde-partij kennelijk pas enkele jaren permanent in de loods en dateert het handhavingsverzoek van eiser reeds van augustus 2013. Ook de duur dat verweerder niet heeft gehandhaafd, kan er daarom niet toe leiden dat handhaving zodanig onevenredig zou zijn, dat daarvan moet worden afgezien.

4.7.

Al met al hadden de belangen gediend met handhaving in dit geval zwaarder moeten wegen dan de belangen van derde-partij om in de loods te mogen blijven wonen. Verweerder kon daarom in redelijkheid niet van handhaving afzien.

5.1.

Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien. Verweerder is door de rechtbank in de gelegenheid gesteld het bestreden besluit voldoende te onderbouwen, maar is hier niet in geslaagd. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat alle relevante feiten op tafel liggen. Doende wat verweerder had moeten doen, verklaart de rechtbank het bezwaar van derde‑partij tegen de last onder dwangsom met betrekking tot het gebruik van de loods als woning ongegrond. Dat betekent dat het primaire besluit herleeft en ook de daarin opgenomen last onder dwangsom. Derde‑partij wordt dus gelast het gebruik van de loods als woning binnen een termijn van drie jaar na 12 augustus 2015 te staken en gestaakt te houden op straffe van een dwangsom van 12.000 euro ineens.

5.2.

Het bezwaar tegen de last onder dwangsom betreffende het verwijderen van de loods wordt gegrond verklaard. Zoals ter zitting ook is besproken is voor de bouw van de loods immers een vergunning verleend onder de voorwaarde dat het bouwwerk eerst na een schriftelijke aanzegging van verweerder (binnen 14 dagen) moest worden verwijderd. Het bouwwerk is dus niet gebouwd zonder (omgevings)vergunning. Ook is niet gebleken van een (eerdere) aanzegging tot verwijdering. Ten tijde van het primaire besluit was dus nog geen sprake van overtreding van een wettelijk voorschrift (het door verweerder genoemde artikel 2.3a van de Wabo). Van een last onder dwangsom kan dan geen sprake zijn. Het primaire besluit wordt in zoverre vernietigd. Dat betekent dat de loods mag blijven staan in ieder geval tot verweerder opnieuw een schriftelijke aanzegging tot verwijdering doet.

6. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

  • -

    verklaart het bezwaar tegen de last onder dwangsom betreffende het gebruik van de loods als woning ongegrond;

  • -

    verklaart het bezwaar tegen de last onder dwangsom betreffende het verwijderen van de loods gegrond;

  • -

    herroept het primaire besluit voorzover het betreft het opleggen van een last onder dwangsom met betrekking tot het verwijderen van de loods vanaf het moment dat het gebruik van de loods als woning wordt beëindigd doch uiterlijk binnen een termijn van drie jaar na 12 augustus 2015;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168,- aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 990,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A.E. Wijnker, rechter, in aanwezigheid van mr. E. van der Zweep, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 december 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Is uw zaak spoedeisend en moet er al tijdens de procedure in hoger beroep iets worden beslist wat niet kan wachten, dan kunt u de hogerberoepsrechter ook vragen een voorlopige maatregel te nemen.

1 Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 24 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:444.

2 Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 3 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4401.

3 Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 9 mei 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW5267