Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:1025

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
22-02-2017
Datum publicatie
27-02-2017
Zaaknummer
13/730022-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Art. 10a Opiumwet, versnijdingsmiddelen, overschrijding redelijke termijn

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/730022-14 (Promis)

Datum uitspraak: 24 februari 2017

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Bulgarije) op [geboortedag] 1954,

met als opgegeven verblijfsadres: [verblijfadres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 10 februari 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. H. Vriezen-Buist en van wat verdachte en zijn raadsman mr. J.P. Plasman naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging op de zitting – ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 25 maart 2014 te Amsterdam en/of te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde lid en/of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne en/of heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne en/of MDMA, in elk geval een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen, opzettelijk stoffen, te weten

- een of meerdere (grote) hoeveelhe(i)d(en) coffeïne en paracetamol en/of

- een of meerdere (grote) hoeveelhe(i)d(en) lidocaïne

voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en);

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft overeenkomstig het door haar op schrift gestelde requisitoir gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde.

4.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat verdachte wist dat er versnijdingsmiddelen in de tassen zaten. Wel kan voorwaardelijk opzet worden bewezen omdat verdachte naar eigen zeggen niet heeft gecontroleerd wat er in de tassen zat en hij wist dat het fout zat.

4.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht op grond van de in bijlage I weergegeven bewijsmiddelen, bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan.

De rechtbank overweegt ten aanzien van het bewezen verklaarde feit in het bijzonder het volgende.

Op 25 maart 2014 is verdachte aangehouden vlak nadat hij in Amsterdam twee boodschappentassen aan zijn medeverdachte [medeverdachte] heeft gegeven. Deze tassen zijn door verdachte opgehaald bij een onbekend gebleven persoon in Rotterdam en vervoerd naar Amsterdam. De inhoud van deze tassen is onderzocht en deze blijken in totaal ruim 29 kilo lidocaïne, coffeïne en paracetamol te bevatten, stoffen die worden gebruikt voor het versnijden van onder meer cocaïne en heroïne. Gezien de omstandigheden waaronder verdachte - naar eigen zeggen - de opdracht kreeg om de tassen op te halen en de manier waarop de overdacht van de tassen plaats heeft gevonden in Rotterdam en Amsterdam gaat de rechtbank ervan uit dat deze stoffen in dit geval ook bestemd waren om als versnijdingsmiddel voor cocaïne en heroïne te dienen.

Verdachte heeft verklaard dat hij niet wist dat de boodschappentassen versnijdingsmiddelen voor harddrugs bevatten. In plaats daarvan verklaart verdachte – wisselend - dat hij ervan uit is gegaan dat het zou gaan om (kunst)mest of rijst. Deze verklaringen vindt de rechtbank ongeloofwaardig. Er is naar het oordeel van de rechtbank geen logische verklaring te bedenken waarom verdachte in Roemenië de opdracht krijgt om twee boodschappentassen met mest (of rijst) op te halen bij een onbekend persoon in Nederland, en deze af te leveren bij een ander onbekend persoon in een andere stad. Ook verdachte heeft hiervoor desgevraagd geen logische verklaring kunnen geven. Verdachte verklaart dat hij er bij de Kentucky Fried Chicken (voor de overdracht in Rotterdam) wel een raar gevoel over kreeg. Bij de overdracht in Rotterdam heeft verdachte in de tassen gekeken en toen heeft hij gezien dat er wit poeder in zat. Hij heeft niet doorgevraagd wat het was.

Gelet op de omstandigheden waaronder verdachte de opdracht kreeg om de tassen op te halen, de manier waarop de overdacht van de tassen plaats heeft gevonden en de waarneming van verdachte dat er in de tassen wit poeder zat (dus geen kunstmest) zonder op de inhoud van de tassen door te vragen, heeft verdachte op zijn minst bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de stoffen de illegale en criminele bestemming van het versnijden van harddrugs zouden hebben. Naar het oordeel van de rechtbank kan dus worden bewezen dat verdachte zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4. vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

op 25 maart 2014 te Amsterdam en Rotterdam, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren van cocaïne en/of heroïne, voor te bereiden, opzettelijk stoffen, te weten

- een grote hoeveelheid coffeïne en paracetamol en/of

- een grote hoeveelheid lidocaïne

voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en verdachtes mededaders wisten of ernstige redenen hadden te vermoeden, dat die bestemd waren tot het plegen van die feiten.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden met aftrek van voorarrest en opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis.

8.2.

Het strafmaatverweer van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de eis van de officier van justitie te hoog is. De raadsman heeft daartoe, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd.

Verdachte is door dit voorval voor het eerst in aanraking gekomen met justitie. Daarnaast heeft verdachte slechts een kleine rol gehad in het geheel, hij is alleen gebruikt als loopjongen. De zaak tegen verdachte heeft bovendien lange tijd stilgelegen. Verdachte is na ruim twee jaar alsnog ter terechtzitting verschenen. Dat past niet bij iemand die deel uitmaakt van een criminele organisatie.

De vordering van de officier van justitie tot het opheffen van de schorsing van de voorlopige hechtenis moet worden afgewezen omdat er geen belang meer is voor de samenleving dat verdachte na ruim twee jaar alsnog vast komt te zitten voor dit ten laste gelegde feit. Gezien het lange tijdsverloop en de kleine rol van verdachte is een straf gelijk aan het voorarrest passend. Het geschorste bevel van de voorlopige hechtenis kan daarom worden opgeheven.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft een aanzienlijke hoeveelheid lidocaïne, coffeïne en paracetamol, bekende versnijdingmiddelen, voorhanden gehad. Hij heeft zich hiermee schuldig gemaakt aan het plegen van voorbereidingshandelingen ten aanzien van onder meer het bewerken van harddrugs. Verdachte heeft door het voorhanden hebben van deze middelen een rol gehad in het voorbereiden van de verspreiding van verdovende middelen, dat veel gerelateerde vermogens- en andere criminaliteit tot gevolg heeft. Drugswinsten worden vergroot door het vermengen van cocaïne en heroïne met dit soort versnijdingsmiddelen. Voor een dergelijk delict acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend. De rechtbank ziet wel aanleiding om af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd.

Nu er geen landelijke oriëntatiepunten door de gerechten zijn vastgesteld voor dit strafbare feit, heeft de rechtbank bij de bepaling van de hoogte van de straf aansluiting gezocht bij de uitspraken van rechtbanken in soortgelijke zaken. De rechtbank Amsterdam heeft in eerdere zaken waar het ging om 40 tot 50 kilogram versnijdingsmiddelen gevangenisstraffen van rond de zes maanden opgelegd. In dit geval gaat het om een kleinere hoeveelheid.

De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen dat verdachte, blijkens het uittreksel Justitiële Documentatie van 17 januari 2017, niet eerder in Nederland is veroordeeld.

Ten aanzien van het tijdsverloop overweegt de rechtbank het volgende. De redelijke termijn van berechting vangt aan vanaf het moment dat door of vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. In het onderhavige geval was dat de aanhouding van verdachte op 25 maart 2014. De rechtbank doet uitspraak in deze zaak op 24 februari 2017 ofwel twee jaren en elf maanden na aanvang van de redelijke termijn. Er is dan ook sprake van een overschrijding van de redelijke termijn van berechting van elf maanden. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die de overschrijding rechtvaardigen. De rechtbank concludeert dan ook tot strafvermindering ter compensatie van de geconstateerde overschrijding. De rechtbank acht, alles afwegende, in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen passend en geboden, maar zal deze, gelet op de geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn aanpassen in die zin dat verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf krijgt opgelegd gelijk aan het voorarrest, te weten 100 dagen, en daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf van 20 dagen.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en 10a van de Opiumwet.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Medeplegen van een feit bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voorbereiden, door stoffen voorhanden te hebben waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 120 (honderdtwintig) dagen.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 20 (twintig) dagen, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Heft op het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. N.A.J. Purcell, voorzitter,

mrs. C.C.M. Oude Hengel en G.D. Kleijne, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. F.J. van der Putte, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 februari 2017.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.