Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:10217

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
05-09-2017
Datum publicatie
28-02-2018
Zaaknummer
AMS_17_1252
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Terugvordering bijstand. Eiser mocht beroepsmatig werkzaamheden verrichten op basis van de bescheidenschaalregeling. In december 2014 heeft eiser zoveel inkomen genoten dat de bijstandsnorm over het hele boekjaar is overschreden. Verweerder was daarom gehouden om de bijstand over het hele jaar terug te vorderen. Dat eiser verweerder altijd volledig heeft geïnformeerd, maakt dit niet anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 17/1252

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 september 2017 in de zaak tussen

[de man] , te Amsterdam, eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. H.H.J. ten Hoope).

Procesverloop

Met het besluit van 8 december 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder de bijstandsuitkering van eiser over het jaar 2014 teruggevorderd.

Met het besluit van 9 februari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juni 2017. Eiser is, zonder voorafgaande berichtgeving, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. In het besluit van 31 juli 2014 heeft verweerder aan eiser toestemming gegeven om bedrijfs- of beroepsmatige werkzaamheden te verrichten onder toepassing van de bescheidenschaalregeling. In dit besluit is bepaald dat eiser met behoud van zijn bijstandsuitkering maximaal € 188,00 per maand mocht verdienen.

2. Uit een rapportage van de klantmanager van 19 januari 2015 blijkt dat eiser in het 4e kwartaal van 2014 een winst had behaald die de jaarnorm voor de bijstand over 2014 ruim zou overschrijden. Uit een rapportage 20 februari 2015 blijkt dat de bijstandsuitkering kan worden beëindigd, omdat eiser inmiddels werkzaam is als zelfstandige. In het besluit va 20 februari 2015 heeft verweerder de bijstandsuitkering vervolgens per 31 december 2014 ingetrokken.n

3. In het besluit van 17 april 2015 heeft verweerder de bijstand over 31 december 2014 inclusief vakantiegeld over de periode van 1 juni 2014 tot en met 30 december 2014 van eiser teruggevorderd.

4. Uit een rapportage van de klantmanager van 7 december 2015 blijkt dat eiser in 2014 zoveel heeft verdiend met zijn bedrijf dat hij de volledige bijstandsuitkering over 2014 moet terugbetalen. In het primaire besluit heeft verweerder daarom de volledige bijstandsuitkering over 2014 ter hoogte van € 6.532,56 van eiser teruggevorderd.

5. In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard, omdat op grond van de bescheidenschaalregeling na afloop van het boekjaar berekend wordt wat het inkomen uit de eigen onderneming was, en dit inkomen hoger bleek dan de verstrekte bijstand. Van toepassing van een vrijlating kan daarom geen sprake zijn. Volgens verweerder moet eiser alsnog de bijstand over het heel 2014 terugbetalen.

6. Eiser voert in beroep aan dat hij verweerder tijdig heeft geïnformeerd over zijn inkomsten en dat hij alleen in december van 2014 hoge inkomsten had. Sindsdien is hij ook niet meer van de bijstand afhankelijk. Een korting op de uitkering over de maand december 2014 lijkt eiser daarom meer voor de hand liggen. Eiser heeft in januari 2015 al verzocht om beëindiging van de bijstand, dat is pas in februari 2015 gebeurd. In de maanden juni tot en met november 2014 was hij nog wel afhankelijk van zijn bijstandsuitkering.

7. Op grond van artikel 58, tweede lid, onder a van de Participatiewet moet verweerder de tot een te hoog bedrag verleende bijstand terugvorderen.

8. Op grond van het beleid van verweerder, zoals dat gold ten tijde van belang, kunnen mensen die op bescheiden schaal werkzaamheden voor eigen rekening en risico verrichten, dat wil zeggen minder dan gemiddeld 23,5 uur per week, en een bescheiden inkomen verdienen, aanvullende bijstand via de Participatiewet (Pw), dan wel een aanvullende IOAW-uitkering krijgen als zij voldoen aan de voorwaarden die de gemeente Amsterdam daaraan verbindt. De basis voor deze regeling is artikel 5.2 van de Beleidsregels inkomensvoorzieningen Participatiewet, IOAW en IOAZ (de beleidsregels). Daarin staat dat de bijstand per kalenderjaar kan worden vastgesteld ten aanzien van de persoon die op bescheiden schaal bedrijfs- of beroepsmatige werkzaamheden voor eigen rekening verricht. Bij de jaarvaststelling wordt het jaarinkomen uit die werkzaamheden omgerekend naar een gemiddeld maandbedrag, dat in aanmerking wordt genomen over de maanden waarin de klant recht had op algemene bijstand. Beroepskosten mogen daarbij van het inkomen worden afgetrokken.

9. Uit het dossier blijkt niet dat eiser in december 2014 al om beëindiging van zijn bijstandsuitkering had gevraagd. Hij heeft dit wel in januari 2015 gedaan. Vervolgens heeft verweerder, conform de beleidsregels, het recht op bijstand over het gehele jaar 2014 berekend. Verweerder heeft geconcludeerd dat eiser in de maand december 2014 zoveel heeft verdiend, dat de bijstandsnorm, over de gehele periode waarin hij bijstand ontving, is overschreden. Dit is door eiser niet weersproken. Verweerder was om die reden op grond van artikel 58, tweede lid, onder a van de Pw gehouden om de bijstandsuitkering van 4 juni 2014 tot 31 december 2014 van eiser terug te vorderen. Dat eiser verweerder telkens tijdig en volledig heeft geïnformeerd over zijn inkomsten, maakt dat niet anders. Ook in het overige dat eiser heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding om te oordelen dat verweerder af moest wijken van het beleid over de wijze van vaststellen van het inkomen of de teveel betaalde bijstand om andere reden niet mocht terugvorderen.

10. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht is geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Belcheva, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Bakker, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 september 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.