Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:10188

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
20-12-2017
Datum publicatie
23-01-2018
Zaaknummer
13/698951-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

dealen van coke

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummers: 13/698951-16 (Promis) + 15/189669-16 (TUL)

Datum uitspraak: 20 december 2017

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1981,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres]

.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 6 december 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. A.M. Lobregt, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. W. van Vliet, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

feit 1:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 juni 2016 tot en met 20 januari 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, (telkens) opzettelijk heeft verkocht of afgeleverd of verstrekt of vervoerd

- aan [persoon 1] een of meer wikkel(s) cocaïne en/of

- aan [persoon 2] een of meer wikkel(s) cocaïne, in elk geval 1,57 gram cocaïne, en/of

- aan een of meer onbekend gebleven perso(o)n(en) een of meer wikkel(s) cocaïne,

in elk geval (telkens) een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, in elk geval een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

feit 2:

hij op of omstreeks 20 januari 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad (ongeveer) 30,6 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of (ongeveer) 40 tabletten MDMA en/of 0,89 gram MDMA, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, in elk geval (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten, op grond van de waarnemingen van het observatieteam, de getuigenverklaringen, het aantreffen van de drugs bij verdachte en zijn grotendeels bekennende verklaring. De periode waarin verdachte heeft gedeald kan worden gebaseerd op de verklaringen van [persoon 1] en [persoon 2] , die zeggen dat zij in 2016 drugs hebben gekocht van verdachte, en de verklaring van [persoon 3] , die zegt dat zij tussen juni 2016 en november 2016 vijf of zes keer drugs heeft gekocht van verdachte. Voorts is de telefoon die verdachte gebruikte voor het ontvangen van drugsbestellingen op 9 september 2016 actief geworden. Verdachte is door de politierechter in Alkmaar reeds veroordeeld wegens dealen in de periode tussen 18 juni 2016 en 16 juli 2016, zodat verdachte niet wederom voor drugshandel in deze periode kan worden veroordeeld. Op basis hiervan dient de periode van 1 september 2016 tot en met 20 januari 2017 bewezen te worden verklaard.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de feiten grotendeels kunnen worden bewezen, gezien de bekennende verklaring van verdachte. De tenlastegelegde periode dient te worden beperkt. Verdachte heeft verklaard vanaf december 2016 het dealen te hebben hervat en het tegendeel volgt niet uit het dossier. De getuigenverklaringen sluiten de verklaring van verdachte niet uit, nu op basis van het vonnis van de politierechter Alkmaar vast staat dat verdachte ook eerder in het jaar heeft gedeald, namelijk in de maanden juni en juli 2016. Geen van de getuigen verklaart specifiek drugs te hebben gekocht van verdachte in de maanden augustus 2016 tot en met november 2016.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Feit 1:

Verdachte is op 20 januari 2017 geobserveerd en gezien is dat vier personen in de auto van verdachte stappen, de auto een klein stukje rijdt en de passagier al snel weer uitstapt. Twee van deze personen, [persoon 1] en [persoon 2] , zijn aangehouden en hebben een wikkel cocaïne bij zich. Zij verklaren deze bij verdachte te hebben gekocht. Verdachte wordt vervolgens aangehouden en bij de doorzoeking van zijn auto zijn cocaïne en MDMA aangetroffen. Verdachte heeft bekend dat hij dealde en dat de drugs van hem waren. Hij heeft verklaard dat hij na zijn eerdere veroordeling voor het handelen in drugs in de zomer van 2016 onder druk is gezet om hiermee door te gaan. Op deze manier kon hij zijn schuld terugbetalen. Verdachte heeft verklaard dat hij deze keer heeft gedeald vanaf december 2016 tot het moment dat hij werd aangehouden.

De rechtbank stelt vast dat verdachte door de politierechter in Alkmaar is veroordeeld voor het handelen in drugs in de periode 18 juni 2016 tot en met 16 juli 2016. Deze omstandigheid is van belang bij het bepalen van de periode waarin verdachte in de onderhavige zaak heeft gedeald. De verklaringen van de getuigen moeten in dat licht worden bezien.

[persoon 1] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij in een periode van één jaar twee of drie keer cocaïne bij verdachte heeft gekocht. [persoon 2] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij in 2016 cocaïne bij verdachte heeft gekocht. [persoon 3] heeft verklaard dat zij vijf of zes keer drugs bij verdachte heeft gekocht. Zij denkt dat dit voor het eerst in juni 2016 was en voor het laatst in november 2016.

De rechtbank overweegt dat geen van deze verklaringen de verklaring van verdachte, dat hij heeft gedeald in de periode juni 2016 – juli 2016 en vervolgens in de periode december 2016 – januari 2017, volledig uitsluiten. Weliswaar geven deze getuigen aan dat ze over een langere periode drugs hebben gekocht van verdachte, maar geen van hen verklaart specifiek dat dit in de maandenaugustus 2016 tot en met november 2016 was. Anders dan de officier van justitie ziet de rechtbank in deze verklaringen dus onvoldoende onderbouwing voor het bepalen van een concreet startmoment waarop verdachte zich opnieuw in de handel in drugs heeft begeven. Dat de telefoon die bij verdachte is aangetroffen vanaf september 2016 actief is geworden maakt dit niet anders, nu de ervaring leert dat dat dit soort ‘dealertelefoons’ geregeld van gebruiker overgaan en er geen concrete aanwijzingen zijn dat verdachte deze telefoon in september 2016 in zijn bezit had.

De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van drugshandel in de periode van 1 juni 2016 tot en met november 2016. Op grond van de inhoud van het dossier en de ter terechtzitting afgelegde bekennende verklaring van verdachte is wel komen vast te staan dat verdachte heeft gehandeld in drugs in de periode vanaf 1 december 2016 tot en met 20 januari 2017.

Ten aanzien van de wikkel die op 20 januari 2017 is aangetroffen bij [persoon 2] is geen zogenoemde Hommerson-rapportage opgesteld. Desalniettemin acht de rechtbank bewezen dat ook deze wikkel cocaïne bevatte. De wikkel was afkomstig uit dezelfde ‘stash’ wikkels die in de auto van verdachte is gevonden, waarvan wel is vastgesteld dat deze cocaïne bevatten. De wikkel die kort daarvoor door verdachte aan [persoon 1] was verkocht bevatte ook cocaïne en [persoon 2] heeft gezegd dat hij cocaïne van verdachte heeft gekocht.

Feit 2:

De rechtbank acht met de officier van justitie en de raadsman op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage zijn vervat, waaronder de ter terechtzitting afgelegde bekennende verklaring van verdachte, het onder 2 ten laste gelegde bewezen.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

ten aanzien van feit 1:

op tijdstippen in de periode van 1 december 2016 tot en met 20 januari 2017 in Nederland telkens opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt en vervoerd

- aan [persoon 1] wikkels cocaïne en

- aan [persoon 2] wikkels cocaïne en

- aan onbekend gebleven personen wikkels cocaïne;

ten aanzien van feit 2:

op 20 januari 2017 te Amsterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad 30,6 gram cocaïne, 40 tabletten MDMA en 0,89 gram MDMA.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1 en 2 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 maanden, met aftrek van voorarrest.

De vordering tot tenuitvoerlegging van de eerder opgelegde voorwaardelijk straf dient te worden toegewezen.

Het in beslag genomen geld dient te worden verbeurd verklaard.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

Op grond van de volgende persoonlijke omstandigheden van verdachte dient geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf te worden opgelegd. Hij heeft geen strafrechtelijk verleden, is hoogopgeleid, heeft een professionele sportcarrière gehad en heeft vier kinderen. Het gaat dus om een atypische verdachte. Nadat hij van zijn vrouw is gescheiden ontstonden financiële problemen. Daarnaast dient bij de strafoplegging rekening te worden gehouden met het advies van de reclassering die een positief beeld van verdachte heeft geschetst. Volstaan kan worden met een voorwaardelijke gevangenisstraf, met daaraan verbonden bijzondere voorwaarden, en een taakstraf.

De proeftijd van de voorwaardelijke straf kan worden verlengd of kan worden omgezet in een taakstraf.

Ten aanzien van het beslag heeft de raadsman gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het dealen van cocaïne en voorts heeft hij een hoeveelheid cocaïne en MDMA in zijn bezit gehad. Verdachte is daarmee medeverantwoordelijk voor de nadelige effecten die het gebruik van verdovende middelen veroorzaakt. Cocaïne is een stof die sterk verslavend werkt en schadelijk is voor de gezondheid. Voorts is het een feit van algemene bekendheid dat verslaafden vaak vermogensdelicten plegen om in hun gebruik te kunnen voorzien. Daarnaast gaat het dealen van drugs op straat gepaard met een hoop overlast en gevoelens van onveiligheid in de buurt. Verdachte heeft zich om al deze gevolgen niet bekommerd en kennelijk slechts gehandeld uit winstbejag.

De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie van 14 november 2017 van verdachte, waaruit volgt dat hij op 6 december 2016 door de politierechter is veroordeeld voor het handelen in verdovende middelen in juni en juli 2016. Verdachte heeft toen een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf gekregen. Rond het tijdstip van die veroordeling heeft verdachte zich wederom aan drugshandel schuldig gemaakt. Kennelijk heeft de veroordeling van de politierechter onvoldoende effect gesorteerd.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 18 april 2017. De reclassering schat het recidiverisico in als gemiddeld. Verdachte is een 36-jarige man met vier kinderen die het grootste deel van zijn leven zonder problemen is doorgekomen. Hij is hoogopgeleid en heeft een professionele sportcarrière gehad. De financiële problemen die volgden na de scheiding van zijn ex‑vrouw hebben ervoor gezorgd dat verdachte is gaan handelen in drugs. Financieel gewin teneinde deze financiële problemen op te lossen is de enige reden dat verdachte in crimineel gedrag is vervallen. Het recidiverisico is ook enkel hiervan afhankelijk. De reclassering adviseert een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden van een meldplicht en deelname aan een Cognitieve Vaardigheidstraining.

Verdachte heeft tijdens de zitting aangegeven dat hij veel spijt van zijn handelen heeft. Indien in de toekomst wederom financiële problemen ontstaan zal hij dit op een andere manier oplossen, aldus verdachte.

De rechtbank ziet gelet op deze omstandigheden en gezien het reclasseringsrapport aanleiding verdachte geen langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, zoals door de officier van justitie is geëist. De rechtbank komt daarnaast tot bewezenverklaring van een kortere periode dan de officier van justitie. Omdat handelen in harddrugs wel een ernstig strafbaar feit is en het de tweede keer is dat verdachte zich daar schuldig aan heeft gemaakt, vindt de rechtbank een deels voorwaardelijke gevangenisstraf wel aangewezen. De rechtbank acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van zeven maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk, met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd, een passende straf.

9 Beslag

Onder verdachte is € 257,90 in beslag genomen.

Het geld behoort aan verdachte toe. Hij kan dit geld geheel of ten dele ten eigen bate aanwenden. Nu dit geld naar alle waarschijnlijkheid door middel van het onder feit 1 bewezen geachte is verkregen, wordt dit geld verbeurdverklaard.

10 Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich de op 24 januari 2017 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam, in de zaak met parketnummer 15/189669-16, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 6 december 2016 van de politierechter te Alkmaar, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 (zes) weken, met bevel dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op 2 (twee) jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Tevens bevindt zich bij de stukken een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte per post is toegezonden.

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet hierin aanleiding de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke straf te gelasten.

11 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 33, 33a en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

12 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van feit 1:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 2:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 7 (zeven) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 4 (vier) maanden, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet aan de volgende algemene voorwaarden houdt.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde

-zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich moet houden aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft. Daartoe moet hij zich melden bij Reclassering Nederland op het adres Wibautstraat 12 te Amsterdam. Hierna moet hij zich gedurende een door de reclassering te bepalen periode blijven melden zo frequent als de reclassering nodig acht.

- moet deelnemen aan de Cognitieve Vaardigheidstraining (CoVa). Deze training omvat twaalf trainingsbijeenkomsten. De trainingen duren twee uur. Naast de trainingssessies in de groep zijn er nog drie individuele bijeenkomsten van een uur; een start-, voortgang- en eindgesprek.

Geeft aan genoemde instelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Verklaart verbeurd: € 257,90 (items 5324062 en 5324064)

Gelast de tenuitvoerlegging van de bij genoemd vonnis van 6 december 2016 opgelegde voorwaardelijke straf, namelijk een gevangenisstraf van 6 (zes) weken.

Heft op het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.P.W. Helmonds, voorzitter,

mrs. L. Voetelink en J.M. Jongkind, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R.H. Limburg, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 december 2017.