Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:9968

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
25-03-2016
Datum publicatie
27-06-2018
Zaaknummer
4348187 / CV EXPL 15-20503
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Opdracht werving en selectie. Totstandkoming overeenkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: 4348187 / CV EXPL 15-20503

uitspraak: 25 maart 2016

Vonnis van de kantonrechter

in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DG Investment B.V.

gevestigd te Amsterdam

eisende partij

gemachtigde mr. R.H.B. Wortel, te ‘s-Hertogenbosch,

t e g e n

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde]

gevestigd te [vestigingsplaats]

gedaagde partij

gemachtigde mr. A. Knigge, te Amsterdam.

Eisende partij handelde voorheen onder de naam SAM Recruitment en zal hierna SAM Recruitment worden genoemd.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

De volgende processtukken zijn ingediend:

  • -

    de dagvaarding van 23 juli 2015, met producties,

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties.

Ingevolge het tussenvonnis van 15 oktober 2015 heeft op 25 januari 2016 een bijeenkomst van partijen plaatsgevonden. Van het verhandelde ter zitting heeft de griffier aantekeningen gemaakt die zich in het procesdossier bevinden.

Daarna is vonnis bepaald.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Feiten en omstandigheden

1. Als gesteld en niet (voldoende) weersproken staan de volgende feiten en omstandigheden vast:

1.1.

SAM Recruitment houdt zich bezig met de werving en selectie van personeel in de sector sales en marketing. [gedaagde] is een groothandelaar in groenten en fruit.

1.2.

[gedaagde] heeft op 14 april 2014 een vacature geplaatst in het gratis dagblad Metro voor de functie van Verkoper Aziatische Levensmiddelen.

1.3.

Op 16 april 2014 ontving [medewerker gedaagde] , werkzaam voor [gedaagde] (hierna: [medewerker gedaagde] ), een persoonlijk aan haar gerichte e-mail van [medewerker eiser] , werkzaam bij SAM Recruitment (hierna: [medewerker eiser] ). In deze

e-mail stelde [medewerker eiser] [naam 3] (hierna: [naam 3] ) voor ten behoeve van de functie van Verkoper Aziatische Levensmiddelen. Bij de e-mail is het curriculum vitae (hierna: cv) van [naam 3] gevoegd. [medewerker gedaagde] ( [gedaagde] ) heeft op deze e-mail niet gereageerd.

1.4.

Op 23 april 2014 ontving [medewerker gedaagde] ( [gedaagde] ) wederom een e-mail van [medewerker eiser] (SAM Recruitment), met daarin de vraag of zij al in de gelegenheid was geweest het profiel van [naam 3] te bekijken. Bij e-mail van 28 april 2014 heeft [medewerker gedaagde] [medewerker eiser] bericht dat [naam 3] niet in aanmerking komt voor de vacature, omdat zij geen Chinees, Vietnamees of Thais spreekt.

1.5.

Op 28 april 2014 is er telefonisch contact geweest tussen [naam directeur] , directeur van [gedaagde] (hierna: [naam directeur] ), en SAM Recruitment. Bij

e-mail van diezelfde dag heeft [medewerker eiser] (SAM Recruitment) [naam directeur] het cv van [naam 3] (nogmaals) toegestuurd en meegedeeld dat een kennismakingsgesprek was ingepland tussen [naam 3] en [gedaagde] op 5 mei 2014.

1.6.

Op 5 en 14 mei 2014 heeft [naam 3] sollicitatiegesprekken gehad bij [gedaagde]

1.7.

Op 15 mei 2014 heeft [naam directeur] een gesprek gehad bij SAM Recruitment op kantoor.

1.8.

Op 16 mei 2014 heeft [medewerker eiser] (SAM Recruitment) per e-mail aan [naam directeur] geschreven dat SAM Recruitment bereid was een fee van €10.000 fixed (excl btw) af te spreken “bij aanname van [naam 3] [ [naam 3] ]”.

1.9.

Op 19 mei 2014 heeft [naam directeur] weer telefonisch contact gehad met SAM Recruitment. Bij e-mail van diezelfde dag heeft [medewerker eiser] (SAM Recruitment) herhaald dat de fee van € 10.000 “te voldoen bij de aanstelling, bij [naam 3] van toepassing [blijft] voor de maand mei 2014”.

1.10.

Op 2 juni 2014 is een arbeidsovereenkomst tot stand gekomen tussen [gedaagde] en [naam 3] .

1.11.

Op 30 juni 2014 heeft [medewerker eiser] (SAM Recruitment) [naam directeur] een e-mail gestuurd met de volgende tekst:

“Hoi [naam directeur] , Hoe gaat het? Ik heb vernomen dat je er alsnog met [naam 3] bent uitgekomen qua voorwaarden. Nogmaals gefeliciteerd! Wat fijn om te horen. [naam directeur] / [medewerker gedaagde] zou een van jullie mij het arbeidscontract kunnen opsturen zodat onze financiele afdeling de factuur kan opmaken. Nogmaals gefeliciteerd en ik zie het arbeidscontract graag voor 12.00 vanmiddag tegemoet. (…)”.

1.12.

[medewerker gedaagde] ( [gedaagde] ) heeft op diezelfde dag per e-mail het volgende aan [medewerker eiser] (SAM Recruitment) bericht:

“Beste [medewerker eiser] , [gedaagde] is geen overeenkomst met SAM Recruitment aangegaan. Wij zijn uw bedrijf dan ook geen informatie verschuldigd. (…)”.

1.13.

Artikel 4.1 van de algemene voorwaarden van SAM Recruitment luidt als volgt:

“Op het moment van Overeenstemming tussen Opdrachtgever en Kandidaat is Opdrachtgever een honorarium over het Bruto Jaarsalaris van de desbetreffende kandidaat verschuldigd aan Opdrachtnemer, conform de tarieven zoals omschreven in artikel 4.2, waarbij een minimumhonorarium geldt van een bedrag groot € 12.500,-.”

1.14.

SAM Recruitment heeft op 30 juni 2014 aan [gedaagde] een factuur voor een bedrag van € 15.125,- (inclusief btw) gezonden. [gedaagde] heeft deze factuur onbetaald gelaten.

Vordering en verweer

2. SAM Recruitment vordert – kort weergegeven – bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeling van [gedaagde] tot betaling van primair een bedrag van € 15.125,- inclusief btw, althans een bedrag van € 10.000,- exclusief btw, dan wel een bedrag door de rechtbank in goede justitie te bepalen, vermeerderd met rente en kosten. Subsidiair vordert SAM Recruitment betaling van een gebruikelijk dan wel redelijk loon op grond van het bepaalde in artikel 7:405 Burgerlijk Wetboek (BW), vermeerderd met rente en kosten. Meer subsidiair vordert SAM Recruitment een bedrag van € 15.125,- op grond van artikel 6:162 BW dan wel op grond van artikel 6:2 BW, vermeerderd met rente en kosten. Tevens vordert SAM Recruitment een bedrag van € 2.268,75 dan wel € 926,25 aan buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met rente en kosten, alsmede een bedrag van € 131,- aan noodzakelijke verschotten en € 199,- aan nakosten, vermeerderd met rente en kosten.

3. SAM Recruitment legt aan deze vorderingen het volgende ten grondslag. De hoofdsom ziet – kort gezegd – op het gefixeerde minimumhonorarium dat [gedaagde] op grond van artikel 4.1 van de algemene voorwaarden is verschuldigd. Deze algemene voorwaarden zijn door [gedaagde] (stilzwijgend) aanvaard en daarmee van toepassing op de tussen partijen tot stand gekomen overeenkomst, aldus SAM Recruitment.

4. [gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van het gevorderde.

5. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang voor de beoordeling, nader ingegaan.

Beoordeling

6. De vraag die partijen verdeeld houdt is of tussen hen een bemiddelings-overeenkomst is tot stand gekomen waarvan de algemene voorwaarden van SAM Recruitment deel uitmaken. Op grond van artikel 6:217 BW komt een overeenkomst tot stand door een aanbod en de aanvaarding daarvan. Of hiervan sprake is, is afhankelijk van hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen hebben afgeleid en in de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mochten afleiden. Aanbod en aanvaarding hoeven niet uitdrukkelijk plaats te vinden; zij kunnen in elke vorm geschieden en kunnen besloten liggen in een of meer gedragingen. Aangezien SAM Recruitment het bestaan van een (bemiddelings)overeenkomst aan haar vordering ten grondslag legt en op grond van die overeenkomst betaling vordert, rust de stelplicht (en bewijslast) ten aanzien van de totstandkoming van de overeenkomst op haar.

7. De kantonrechter neemt tot uitgangspunt dat [gedaagde] SAM Recruitment niet heeft verzocht te bemiddelen bij het vinden van een nieuwe verkoper Aziatische Levensmiddelen, maar dat SAM Recruitment [gedaagde] op 16 april 2014 eigener beweging heeft benaderd met een mogelijke kandidaat naar aanleiding van de vacature die [gedaagde] zelf had geplaatst. Vóór 16 april 2014 is – zo wordt door [gedaagde] ook niet betwist – kennelijk ten minste één keer eerder telefonisch contact tussen partijen geweest (op initiatief van SAM Recruitment), maar dit contact heeft niets concreets opgeleverd. Dit geldt evenzeer voor eerdere contacten die volgens SAM Recruitment hebben plaatsgehad.

8. Op 16 april 2014 heeft SAM Recruitment [gedaagde] niet benaderd met de vraag of zij van haar (bemiddelings)diensten gebruik wilde maken, maar heeft zij ongevraagd een e-mail gestuurd met daarin de mededeling dat zij in contact stond met een “ervaren Account manager/Export manager Aziatische producten”, ongevraagd het cv van deze persoon bijgevoegd en dit bericht gepresenteerd als een nieuwsbrief. Onderaan de e-mail staat het volgende:

“U ontvangt deze nieuwsbrief omdat u zich hiervoor heeft aangemeld. Klik hier om u af te melden. U wordt dan per direct van deze mailing lijst verwijderd.

>> Op al onze aanbiedingen zijn onze algemene leveringsvoorwaarden van toepassing. Deze worden u op aanvraag toegezonden en zijn te downloaden op [website]

(…)”.

9. Voor zover in deze e-mail al een aanbod tot het aangaan van een overeenkomst zou kunnen worden gelezen (hetgeen naar het oordeel van de kantonrechter niet het geval is, althans waar [gedaagde] niet op bedacht hoefde te zijn), staat in ieder geval vast dat [gedaagde] dit aanbod niet heeft aanvaard. [medewerker gedaagde] ( [gedaagde] ) heeft immers op deze e-mail in het geheel niet gereageerd en nadat zij op 23 april 2014 nogmaals per e-mail door SAM Recruitment was benaderd, heeft zij laten weten dat zij geen belangstelling had voor [naam 3] .

10. Vervolgens heeft op 28 april 2014 telefonisch contact plaatsgehad tussen [medewerker eiser] (SAM Recruitment) en [naam directeur] zelf. Naar aanleiding van dat telefoongesprek heeft [medewerker eiser] nog dezelfde dag aan [naam directeur] (met [medewerker gedaagde] in de cc) per e-mail (nogmaals) het profiel van [naam 3] opgestuurd. In haar e-mail heeft [medewerker eiser] tevens het volgende gemeld:

“ [naam 3] is deze week op vakantie maar zou volgende week maandag 5 mei om 14.00 langs kunnen komen voor een kennismakingsgesprek”.

Onderaan deze e-mail staat dit keer niet de tekst dat het een nieuwsbrief betreft. Wel staat onderaan de e-mail weer vermeld:

“>> Op al onze aanbiedingen zijn onze algemene leveringsvoorwaarden van toepassing. Deze worden u op aanvraag toegezonden en zijn te downloaden op [website]

(…)”.

11. Nadat [medewerker eiser] de e-mail had gestuurd, heeft zij die dag nogmaals telefonisch contact opgenomen met [naam directeur] . Volgens [naam directeur] heeft hij in dat telefoongesprek aangegeven dat [naam 3] best langs mocht komen maar dat hij geen zaken deed met bemiddelingsbureaus en zeker niet zonder van tevoren duidelijke afspraken te maken over de te leveren diensten en de daarvoor te betalen prijs.

12. Op 29 april 2014 heeft [medewerker eiser] (SAM Recruitment) een e-mail aan [naam directeur] gestuurd die de inhoud van het gesprek, zoals weergegeven door [naam directeur] , lijkt te bevestigen. De e-mail bevatte immers de volgende tekst:

“Naar aanleiding van ons gesprek van gisteren hierbij ter info mijn contactgegevens en extra informatie over de dienstverlening van SAM Recruitment. Bijgevoegd onze algemene voorwaarden. Mocht je hierover vragen hebben hoor ik het graag. Ik zal maandag na het gesprek met [naam 3] contact met je opnemen om het gesprek te evalueren. (…)”.

Deze e-mail ondersteunt in ieder geval de stelling van [gedaagde] dat partijen (op dat moment) geen overeenstemming hadden bereikt over de inhoud van een eventuele bemiddelingsovereenkomst en de algemene voorwaarden. De

e-mail bevatte overigens – anders dan de tekst doet vermoeden – geen nadere informatie over de dienstverlening van SAM Recruitment.

13. Vervolgens heeft op 5 mei 2014 een eerste gesprek plaatsgevonden tussen [gedaagde] en [naam 3] . Dat gesprek verliep goed en [gedaagde] heeft (zonder tussenkomst van SAM Recruitment) een vervolgafspraak gepland. Deze heeft op 14 mei 2014 plaatsgevonden. Ook toen was [gedaagde] nog steeds positief over [naam 3] .

14. Op 15 mei 2014 heeft op initiatief van [naam directeur] een gesprek plaatsgevonden tussen partijen. Volgens [naam directeur] wilde hij in dat gesprek meer duidelijkheid krijgen over de dienstverlening van SAM Recruitment en wilde hij bepreken welke fee hij aan SAM Recruitment zou moeten betalen voor haar eventuele dienstverlening en heeft hij in het gesprek geen bevredigende antwoorden gekregen. Het bleef hem onduidelijk wat de toegevoegde waarde van SAM Recruitment was. Om “van het ‘gepush’ van SAM Recruitment af te zijn”, heeft [naam directeur] aangeboden eenmalig een bedrag van € 5.000 aan SAM Recruitment te betalen, aldus [naam directeur] . Volgens SAM Recruitment wenste [naam directeur] een “reductie van het verschuldigde honorarium voor [naam 3] ” te bespreken.

15. Partijen zijn het erover eens dat in het gesprek op 15 mei 2014 de hoogte van het voor [naam 3] verschuldigde honorarium aan de orde is geweest. Partijen hadden evenwel andere uitgangspunten:

- SAM Recruitment ging er vanuit dat [gedaagde] het op grond van de algemene voorwaarden verschuldigde honorarium zou moeten betalen zijn als zij [naam 3] in dienst zou nemen;

- [naam directeur] ging er vanuit dat er nog geen overeenkomst tot stand was gekomen.

16. Zoals hiervoor is overwogen lijkt het uitgangspunt van [gedaagde] het juiste: niet gesteld of gebleken is immers dat na de e-mail van 29 april 2014 nog contact is geweest tussen partijen waarin overeenstemming is bereikt over een eventuele overeenkomst tussen partijen. Nu het gesprek met [naam 3] op 5 mei 2014 al was gepland door SAM Recruitment voordat deze e-mail op 29 april 2014 werd gestuurd, kan niet worden gezegd dat [gedaagde] de algemene voorwaarden van SAM Recruitment stilzwijgend heeft aanvaard door op 5 mei 2014 met [naam 3] in gesprek te gaan.

17. Partijen hebben op 15 mei 2014 geen overeenstemming bereikt over (de hoogte van) een door [gedaagde] aan SAM Recruitment te betalen honorarium. Dat partijen geen overeenstemming hebben bereikt, blijkt ook uit de e-mail die [medewerker eiser] (SAM Recruitment) op 16 mei 2014 aan [naam directeur] heeft gezonden:

“Helaas heb ik je niet meer kunnen bereiken. Zoals ik vanmiddag heb aangegeven heb ik na ons gesprek nogmaals de fee intern besproken. We willen er graag met je uitkomen en dus mag ik eenmalig een korting van €2.500 aanbieden. Dit betekent dat de fee €10.000 fixed (excl btw) wordt bij aanname van [naam 3] . Dit aanbod geldt alleen voor de maand mei 2014.

Mocht je hiermee akkoord gaan dan heb je [naam 3] voor dit weekend nog aan boord.

Ik hoor graag van je!”

18. Op 19 mei 2014 heeft [naam directeur] naar zijn zeggen [medewerker eiser] (SAM Recruitment) telefonisch laten weten dat hij niet akkoord ging met dit voorstel en daaraan toegevoegd dat hij geen bemiddelingsovereenkomst met SAM Recruitment wilde aangaan en dat hij zich vrij achtte een overeenkomst met [naam 3] aan te gaan zonder tussenkomst van SAM Recruitment. SAM Recruitment heeft in deze procedure bevestigd dat [naam directeur] heeft laten weten dat hij de fee te hoog vond en dat hij om die reden volledig van de bemiddeling wenste af te zien.

19. Nog diezelfde dag heeft [medewerker eiser] (SAM Recruitment) aan [naam directeur] een e-mail gestuurd met de volgende tekst:

“Ik heb net van [naam 4] begrepen dat wij er qua fee helaas niet gaan uitkomen. Erg jammer om te horen, aangezien [naam 3] zeer enthousiast is over jullie organisatie. Op dit moment heeft ze een aantal andere gesprekken lopen bij concurrerende partijen. Wel heeft ze aangegeven dat ze de voorkeur heeft voor jullie en graag wil kijken voor mogelijkheden in de toekomst. De aanbieding van €10k flat fee (excl BTW), te voldoen bij de aanstelling blijft bij [naam 3] van toepassing voor de maand mei 2014. Mocht je haar nog een keer willen zien dan hoor ik dat natuurlijk graag van je. Ik zal [naam 3] op de hoogte stellen van wat er besproken is.”

20. [naam directeur] heeft ter comparitie over de gang van zaken in mei 2014, zo heeft de griffier genoteerd, het volgende verklaard:

“Na 5 mei ben ik naar SAM gegaan om te praten. Heb gezegd dat áls ik dit al doe we het eerst moeten hebben over de voorwaarden. Ik heb toen gesproken met [medewerker eiser] . Ik kreeg daar geen goed gevoel bij. Ik heb daar vragen gesteld over hun werkwijze. Ik heb daar geen bevredigend antwoord op gekregen en heb besloten niet met hen in zee te gaan. We spraken over de werkwijze enz omdat wij nog veel meer vacatures hadden. Dat was op 15 mei. Op 16 mei is toen gereageerd en gezegd dat ze een korting konden aanbieden. [medewerker gedaagde] kreeg nog meer cv’s toegestuurd, zelfs van mensen die al bij mij zelf hadden gereageerd. Toen heb ik gezegd ik wil € 6.000 betalen, dat was in een van die gesprekken. Dat wilden ze niet, dus ik ben niet met ze in zee gegaan. Omdat [naam 3] ook gewoon op Monsterboard stond enz. dachten wij dat wij zelf met haar een contract konden sluiten. Er zijn daarna geen nieuwe gesprekken gearrangeerd door SAM.”

21. Uit de gang van zaken zoals hiervoor weergegeven volgt dat geen bemiddelingsovereenkomst tussen partijen tot stand is gekomen. Een overeenkomst komt immers niet tot stand door het enkele toesturen van informatie en algemene voorwaarden die van toepassing zouden zijn (als een overeenkomst tot stand zou komen). Als na ontvangst van die informatie en algemene voorwaarden de andere partij te kennen geeft – zoals hier is gebeurd – eerst nadere informatie te willen ontvangen, wordt het aanbod (nog) niet aanvaard en komt (nog) geen overeenkomst tot stand. Anders dan SAM Recruitment betoogt, kan ook uit de verdere gang van zaken geen (stilzwijgende) aanvaarding van het aanbod van SAM Recruitment (tot het aangaan van een bemiddelingsovereenkomst) worden afgeleid. SAM Recruitment heeft immers geen handelingen van [gedaagde] of andere omstandigheden gesteld die zijn gelegen ná 29 april 2014 waaruit zij had mogen afleiden dat [gedaagde] alsnog van haar diensten gebruik wenste te maken en een bemiddelingsovereenkomst met haar wilde sluiten (waarop de algemene voorwaarden van toepassing waren). Ditzelfde geldt voor de subsidiair gevorderde vergoeding van € 10.000; ook hierover hebben partijen geen overeenstemming bereikt.

22. Nu geen bemiddelingsovereenkomst tot stand is gekomen, kan SAM Recruitment ook geen aanspraak maken op de vergoeding van een redelijk loon. Ten slotte heeft SAM Recruitment gesteld dat [gedaagde] onrechtmatig of in strijd met de redelijkheid en billijkheid zou hebben gehandeld door [naam 3] alsnog in dienst te nemen. Deze grondslagen kunnen de vordering niet dragen. SAM Recruitment heeft [gedaagde] immers eigener beweging het cv van [naam 3] toegestuurd en een sollicitatiegesprek met haar gepland. [gedaagde] heeft steeds te kennen gegeven dat hij van de diensten van SAM Recruitment geen gebruik wenste te maken en SAM Recruitment heeft ook niet gesteld welke (andere) (bemiddelings)diensten zij dan voor [gedaagde] zou hebben verricht. Dit betekent dat ook de meer subsidiaire vorderingen zullen worden afgewezen.

23. Bij deze uitkomst van de procedure wordt SAM Recruitment als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [gedaagde] . De kosten worden begroot op € 600,- aan salaris gemachtigde (twee punten x tarief € 300,-).

BESLISSING

De kantonrechter:

wijst de vorderingen van SAM Recruitment af;

veroordeelt SAM Recruitment in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 600,- (zeshonderd euro), inclusief eventueel verschuldigde btw, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na heden;

veroordeelt SAM Recruitment tot betaling van een bedrag van € 131,- aan nasalaris, te verhogen met een bedrag van € 68,- onder de voorwaarde dat gedaagde niet binnen 14 dagen na aanschrijving vrijwillig aan het vonnis heeft voldaan en betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na heden tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart dit vonnis, voor wat betreft de kostenveroordelingen, uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mr. R.A. Dudok van Heel, kantonrechter, bijgestaan door

mr. L.D. Wevers, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 maart 2016.