Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:9881

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
05-04-2016
Datum publicatie
23-10-2017
Zaaknummer
C/13/603082 / HA ZA 16-203
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

ontbinding en vereffening vof coffeeshop

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/5469
OR-Updates.nl 2017-0276
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/603082 / HA ZA 16-203

Vonnis van 5 april 2017

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [plaats] ,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [plaats] ,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. R.G. Meester te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    De dagvaarding van 12 februari 2016 met producties,

  • -

    De conclusie van antwoord in conventie tevens eis in reconventie tevens incident van 18 mei 2016 met producties,

  • -

    De conclusie van antwoord in het incident met producties,

  • -

    Het vonnis in incident van 29 juni 2016,

  • -

    De conclusie van antwoord in reconventie met producties,

  • -

    Het tussenvonnis van 13 juli 2016 waarin ambtshalve een comparitie is bepaald,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 20 januari 2017 en de daarin genoemde stukken,

  • -

    De akte na comparitie van 8 februari 2017 van [eiser] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] en [gedaagde] zijn vanaf 24 januari 2008 beiden voor 50% vennoten van de vennootschap onder firma VOF [bedrijf 1] (hierna: de vof), onder welke vof sinds 2008 de coffeeshop aan de [straat] te [plaats] wordt geëxploiteerd (hierna: de coffeeshop).

2.2.

De coffeeshop bestaat sinds 1993. [eiser] is een van de oprichters van de coffeeshop en sindsdien hierbij betrokken.

2.3.

Bij sms-bericht van 26 april 2015 (hierna: de sms) heeft [gedaagde] [eiser] het volgende medegedeeld:

“ [eiser] vanaf nu wil ik alle !! In en outs van de winkel zien (daar heb ik recht op als eigenaar dus zorg gewoon dat het er is) ben vanaf zondag het land uit, 6 mei ben ik weer terug dus 7 mei spreken we af in de winkel. We hebben 3 mogelijkheden 1* wij verkopen de zaak. 2* wij zetten een manager in de zaak die alles doet. 3* ik verkoop mij aandeel. Met een van deze mogelijkheden moeten wij het doen!! Je kan er tot de 7de over nadenken en even keuze maken”

2.4.

Bij brief van 1 mei 2015 heeft de raadsman van [eiser] [gedaagde] onder meer het volgende medegedeeld:

“Recentelijk hebt u cliënt te kennen gegeven de samenwerking met hem te beëindigen en uw aandeel in de onderneming te verkopen. Ik begrijp hieruit dat u de overeenkomst met cliënt opzegt. Cliënt is bereid die opzegging te aanvaarden. Hij is echter niet voornemens om de onderneming te verkopen. Over de voortzetting van de onderneming wil cliënt graag met u in overleg treden.”

2.5.

Bij niet-gedateerde en niet-ondertekende brief heeft [gedaagde] als volgt gereageerd:

“Ik heb je brief van de advocaat ontvangen. Het is uitgesloten dat ik met jouw advocaat (jouw zaakwaarnemer!!) in gesprek ga. (…)

Zolang we er niet uit zijn zal ik me meer bezig gaan houden met de zaak, ik wil sowieso op de hoogte worden gehouden van de dagelijkse omzetten, uitgaven, inkopen en belangrijke beslissingen zoals personeelswijzigingen. (…)

Zaterdag of zondag kom ik de cijfers 1ste kwartaal 2015 en de cijfers van de eerste week mei ophalen. Ook wil ik jaarcijfers 2014 meenemen.”

2.6.

In een brief van 22 mei 2015 van de raadsman van [eiser] aan de raadsman van [gedaagde] is vermeld dat [eiser] de vof opzegt met onmiddellijke ingang, althans per 1 juli 2015.

2.7.

Bij brief van 28 mei 2015 heeft de raadsman van [gedaagde] [eiser] onder meer bericht dat het vertrouwen van [gedaagde] in [eiser] ernstig is aangetast. [eiser] is in de brief onder meer verzocht uiterlijk 1 juni 2015 een aantal administratieve bescheiden toe te zenden. Eveneens is [eiser] om een schriftelijke bevestiging verzocht dat de vof nimmer door [gedaagde] is opgezegd.

2.8.

[gedaagde] ontving maandelijks een voorschot op de winst, vanaf 2011 was dit een bedrag van € 2.000,- per maand en later € 2.500,- per maand. Vanaf 1 juli 2015 heeft [gedaagde] geen maandelijkse voorschotten meer ontvangen.

2.9.

In een tussenrapportage van [bedrijf 2] van 17 maart 2016 dat op verzoek van [gedaagde] is opgemaakt, is onder meer het hiernavolgende vermeld.

Privé opnames en geldstromen buiten administratie

Uit de ons ter beschikking gestelde stukken (met name de bankafschriften) blijkt dat er in de afgelopen handelingen hebben plaatsgevonden waarin wij aanleiding zien om partijen hier direct op te wijzen en “de noodklok te luiden”.

Als wordt gekeken naar de (door de heer [gedaagde] betwistte) winst- en verliesrekening 2014 volgt daaruit een netto resultaat van € 75.820. Daaruit kan volgens de berekening in bijlage 3 een maximale storting naar de bank worden afgeleid van € 68.030, mits er geen enkele kasbetaling en/of opnames zouden hebben plaatsgevonden.

Als wordt gekeken naar de bankafschriften over 2014 dan zien wij dat er in totaal aan kasstortingen

€ 108.567 is gestort. Dit lijkt ons gezien het resultaat over 2014 niet mogelijk. Er zou ca € 40.500 teveel gestort zijn. Wij verwijzen naar de bijlage 3.

Als wordt gekeken naar de jaarstukken 2012 en 2013 dan volgt een vergelijkbaar beeld.

Het bovenstaande zou alleen verklaard kunnen worden door het aangaan van leningen, privé stortingen door de heer [eiser] , of het niet volledig verantwoorden van de omzet. Van leningen is niets gebleken. Privé stortingen komen ons onwaarschijnlijk voor.

Het baart ons grote zorgen dat er dus aanzienlijk meer geld wordt gestort op de bankrekening van de vof dan er volgens de administratie zou worden verdiend.

Dat de bankrekening van de vof voor andere doeleinden (zoals privé doeleinden) zou worden gebruikt door een of meer vennoten van deze vof is ons niet door partijen gemeld.

Het geld wat “teveel” door [eiser] is gestort is vervolgens ook weer door hem opgenomen als privé-onttrekking, doch vallen deze privé onttrekkingen niet uit de jaarstukken te herleiden.

Daarnaast is het boekhoudkundig uiteraard niet mogelijk om een hoger bedrag aan

privé-onttrekkingen te doen als daartegenover geen positief bank- of kassaldo of lening

staat (waarvan niets blijkt volgens de jaarstukken). Evenmin is sprake van een positieve crediteurenstand.

Verder viel het ons op dat er in de afgelopen jaren aanzienlijke geldbedragen van de

bankrekening van de vof zijn onttrokken ten behoeve van goksites, althans buitenlandse

betalingssites (o.a. ELS Lotto, Envoy service limited, Global Collect) tot respectievelijk

bedragen € 13.027 (2013) € 26.715 (2014) en € 21.578 (t/m derde kwartaal 2015). Dit

gebruik van de vof bankrekening c.q. dit gokgedrag c.q. deze onttrekkingen naar

buitenlandse bankrekeningen vallen niet af te leiden uit de jaarstukken t/m 2014. Wij zien

een duidelijke toename in deze afschrijvingen. (..)

Door deze significante onttrekkingen achten wil een reëel risico aanwezig dat de

bankrekening van de vof wordt gebruikt voor niet geëigende doeleinden, er een

uitholling van de onderneming in steeds sneller tempo plaatsvindt waarbij winstuitkering

aan de heer [gedaagde] (zoals reeds thans vanaf 1 juli 2015 al niet meer plaatsvindt) niet

meer kan plaatsvinden. Het huidige kassaldo gecumuleerd met het huidige banksaldo

(ING) is ontoereikend om het achterstallige voorschot op het winstaandeel aan de

[gedaagde] uit te keren. (..)

Om bovenstaande redenen komen wij tot de voorlopige conclusie dat snel dient te

worden ingegrepen om nog grotere schade aan de vennootschap (..) te voorkomen en orde op zaken te stellen.”

2.10.

[eiser] heeft altijd de verantwoordelijkheid voor de administratie van de vof gedragen. Tot september 2015 is de boekhouding van de vof feitelijk uitgevoerd door de vader van [eiser] . De vader is geen professionele boekhouder. Na september 2015 is de boekhouding gevoerd door [naam 1] (hierna: [naam 1] ).

2.11.

Het op verzoek van [eiser] opgestelde rapportage van 14 maart 2016 door SBV Forensics wordt afgesloten met het volgende:

“De tussenrapportage van [naam 2] betreft een document dat inzicht geeft in de stand van zaken van diens werkzaamheden en beperkingen waarop hij daarbij naar zijn oordeel is gestuit Voor zover de tussenrapportage inhoudelijke aspecten, oordelen/conclusies of meningen bevat kan hieraan geen bewijs worden ontleend (materieel gebrek). De werkzaamheden zijn immers niet afgerond. Afronding van de werkzaamheden kan er meer dan theoretisch toe leiden dat zich een andere gang van zaken en daarmee andere uitkomsten opdringen.

Voor zover de tussenrapportage van [naam 2] inhoudelijke aspecten, oordelen, conclusies of meningen weergeeft, is deze rapportage niet tot stand gekomen in overeenstemming met de regels die gelden voor een (gerechtelijke) deskundige, alsmede niet in overeenstemming met de regels van de beroepsnormering van de beroepsorganisatie waar [naam 2] bij is aangesloten.”

2.12.

In een brief van 30 mei 2016 aan [eiser] schrijft [naam 1] :

“U hebt ons gevraagd om de mutaties op uw zakelijke ING bankrekeningen over de jaren 2011, 2012, 2013, 2014 en 2015 in kaart te brengen.

Dit naar aanleiding van de opstellingen welke zijn gemaakt over deze jaren door [bedrijf 3] . Zoals reeds aangegeven bevatten de berekeningen van [naam 3] een paar elementaire fouten;

Zoals bij u bekend maakt de bank tot en met het jaar 2014 geen deel uit van de boekhouding. [naam 3] gaat er vervolgens van uit dat daarom alle mutaties voorkomende op deze bankrekening net voorkomen in uw boekhouding, dit is ONJUIST! Alle zakelijke betalingen die betaald worden via uw bank zijn immers gewoon verwerkt in uw financiële administratie. Daarnaast heeft [naam 3] een aantal zakelijke betalingen verantwoord als privé.

Ook is [naam 3] vergeten de stortingen welke door u van uw privé rekening zijn gedaan te verwerken in zijn overzicht.

Tenslotte hebben wij ook nog de zakelijk stortingen en uitgaven via de bank gespecificeerd.

In mijn berekeningen kom ik daardoor op uitkomsten die in hoge mate afwijken van die zoals die door [naam 3] zijn opgesteld.”

2.13.

In de eindrapportage van [bedrijf 2] van 2 januari 2017 is aangegeven dat zij nog steeds staan achter de tussenrapportage.

2.14.

Partijen hebben diverse gerechtelijke procedures gevoerd. Enkele van deze procedures worden hierna aangehaald.

2.15.

Bij vonnis in incident van 29 juni 2016 van de rechtbank Amsterdam (C/13/603082 / HA ZA 16-203) is [eiser] (samengevat) verboden om voor de duur van het geding privé-onttrekkingen ten laste van de vof te doen dan wel een voorschot op zijn winstaandeel aan zichzelf uit te keren, tenzij gelijktijdig een bedrag van gelijke grootte aan [gedaagde] wordt uitgekeerd, en zonder toestemming van [gedaagde] betalingen te doen aan derden, behoudens strikt noodzakelijke betalingen voor salaris en inkoop softdrugs.

2.16.

De voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam (C/13/612913 / KG ZA 16-938 CB/AB) heeft op 12 oktober 2016 in kort geding [eiser] (samengevat) veroordeeld tot nakoming van het vonnis van 29 juni 2016 in die zin dat hij wekelijks inzage moet verschaffen aan [gedaagde] in alle geldstromen van de vof op straffe van een dwangsom en het dagelijks [gedaagde] de in- en verkooplijsten van de vof moet verstrekken met daarop gedetailleerde informatie, op straffe van een dwangsom.

2.17.

Op 20 december 2016 heeft het gerechtshof Amsterdam (zaaknr 200.185.194/1) arrest gewezen nadat [eiser] in hoger beroep was gekomen van een vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam van 17 december 2015. In dat vonnis heeft de voorzieningenrechter [eiser] op straffe van verbeurte van dwangsommen veroordeeld tot het verlenen van onvoorwaardelijke medewerking aan het deskundigenonderzoek, uit te voeren door bureau [bedrijf 2] , waaronder het verstrekken van instructies, inlichtingen en bescheiden. Ook is [eiser] veroordeeld tot het verschaffen van bescheiden aan [gedaagde] op straffe van een dwangsom. In dit arrest wordt het vonnis van de voorzieningenrechter bekrachtigd.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[eiser] vordert samengevat -, uitvoerbaar bij voorraad:

Primair:

  1. een verklaring voor recht dat de vof rechtsgeldig is opgezegd en is beeindigd;

  2. een verklaring voor recht dat de onderneming van de vof rechtsgeldig door [eiser] is voortgezet of kan worden voortgezet, en als gevolg daarvan de activa en passiva van de vof toekomen aan [eiser] ;

  3. te bevelen dat [gedaagde] dient mee te werken aan de overdracht van de activa en passiva van de vof;

Subsidiair:

4. ontbinding van de vof op grond van artikel 7A:1684;

5. verdeling van de activa en passiva van de vof, zodanig dat alle activa en passiva worden toebedeeld aan [eiser] ;

6. te bevelen dat [gedaagde] dient mee te werken aan de overdracht van de activa en passiva van de vof;

Primair en subsidiair

7. het onder 3 dan wel onder 6 gevorderde toe te wijzen op straffe van een dwangsom;

8. [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten, nakosten en beslagkosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.2.

[gedaagde] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.4.

[gedaagde] vordert samengevat -, uitvoerbaar bij voorraad:

  1. een verklaring voor recht dat de vof is ontbonden wegens gewichtige redenen, toe te rekenen aan [eiser] , per datum vonnis;

  2. een verklaring voor recht dat [gedaagde] gerechtigd is de onderneming voort te zetten met uitsluiting van [eiser] gedurende de periode van liquidatie van de vof, althans [gedaagde] toe te staan de onderneming te verkopen, al dan niet met tussenkomst van een door de rechtbank te benoemen vereffenaar;

  3. een verklaring voor recht dat de kapitaalstand per einde 1e kwartaal 2016 voor [eiser] -/- € 61.372,- bedraagt en voor [gedaagde] € 101.090,-;

  4. gelijkelijke verdeling van het vermogen van de vof, rekening houdend met ieders kapitaalstand, primair op een wijze dat de activa en passiva aan eiser worden toegescheiden, subsidiair op een wijze dat de activa zullen worden verkocht aan een hoogste bieder, alsmede een gebod dat [eiser] verplicht is hieraan medewerking te verlenen op straffe van een dwangsom;

  5. een verklaring voor recht dat [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld dan wel toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de verplichtingen uit de vof-akte;

  6. [eiser] te veroordelen tot vergoeding van de door [gedaagde] geleden schade, vast te stellen op een bedrag van € 240.026,93 ultimo 3e kwartaal 2015, aan privé-onttrekkingen, alsmede de nadere schade op te maken bij staat;

  7. [eiser] te verbieden nog langer geld van de vof-bankrekening op te nemen, op straffe van een dwangsom;

  8. [eiser] te veroordelen tot betaling van de wettelijke handelsrente over de toe te wijzen bedragen;

  9. Een verklaring voor recht dat het [gedaagde] is toegestaan de toe te wijzen bedragen te verrekenen met de vordering van [gedaagde] uit hoofde van het onder 2 gevorderde;

  10. [eiser] te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten;

  11. althans een in goede justitie te nemen beslissing.

3.5.

Verder vordert [gedaagde] bij akte ter comparitie bij wijze van voorlopige voorziening voor de duur van het geding en in aanvulling op het tussenvonnis van 29 juni 2016:

I. [eiser] te verbieden hogere privé onttrekkingen c.q. een voorschot op de jaarlijkse winstaandeel uit te keren aan zichzelf dan € 2.500,- per maand;

II. [eiser] te verbieden zijn echtgenote [naam 4] nog langer werkzaamheden te laten verrichten voor de onderneming, althans haar een hoger salaris uit te keren dan € 10,- bruto per uur voor aantoonbaar verrichte werkzaamheden;

III. [eiser] te gebieden maandelijks en met terugwerkende kracht vanaf 1 juli 2015 aan [gedaagde] een maandelijks winstaandeel uit te keren van € 2.500,-;

IV. [eiser] te gebieden een storting van € 60.000,- te verrichten op de bankrekening van de vof uit hoofde van aanzuivering van de kapitaalstand;

V. [eiser] te veroordelen tot betaling van € 80.000,- aan [gedaagde] bij wijze van voorschot op verbeurde dwangsommen;

VI. althans een in goede justitie te bepalen voorziening.

3.6.

[eiser] voert verweer.

3.7.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie en reconventie

4.1.

In essentie vorderen beide partijen een beëindiging, althans ontbinding van de vof met toebedeling van activa en passiva aan henzelf. De rechtbank ziet daarin aanleiding de conventionele en reconventionele vorderingen die hiermee verband houden gezamenlijk te bespreken.

geen vennootschapsakte en geen buy out-afspraak

4.2.

Uitgegaan zal worden van de volgende uitgangspunten. Door [eiser] is gesteld dat er geen sprake is van een tussen partijen rechtsgeldig gesloten vennootschapsakte. Er bestaat weliswaar een akte van vennootschap onder firma (gedateerd 8 september 2008) maar de handtekening van [eiser] hieronder is vervalst, aldus [eiser] . [gedaagde] betwist dat sprake is van een vervalsing maar heeft ter terechtzitting verklaard dat hij, in verband met een spoedige afdoening van dit geschil, geen beroep zal doen op deze akte en hij de rechtbank verzoekt het geschil af te doen op basis van het algemene recht. De rechtbank neemt daarom bij de beoordeling tot uitgangspunt dat er geen vennootschapsovereenkomst tussen partijen bestaat.

4.3.

Verder heeft [eiser] nog bij dagvaarding opgemerkt dat partijen in 2011 een afspraak hebben gemaakt die erop neerkwam dat [gedaagde] zich terug zou trekken uit de vof en vervolgens is afgesproken dat de betalingen van de winstdelen in mindering zouden strekken op de ‘buy out’. Aan deze opmerking zijn verder door [eiser] geen consequenties verbonden en ter terechtzitting is desgevraagd verklaard door [eiser] dat hier verder geen aandacht aan hoeft te worden besteed. Dit zal de rechtbank dan ook niet doen.

beëindiging vof

4.4.

Beide partijen hebben benadrukt dat de vof zo spoedig mogelijk tot een einde moet worden gebracht maar verschillen van inzicht of nu sprake is van opzegging, althans (een nog door de rechtbank uit te spreken) ontbinding. [eiser] stelt zich primair op het standpunt dat [gedaagde] met de sms de vof heeft opgezegd en [eiser] dit heeft aanvaard. Subsidiair heeft [eiser] zelf opgezegd bij brief van zijn (toenmalige) raadsman van 22 mei 2015, althans per brief van latere datum. Vervolgens is de coffeeshop feitelijk als eenmanszaak door [eiser] voortgezet. [eiser] is ook gerechtigd om deze coffeeshop voort te zetten omdat hij al 23 jaar eigenaar is van deze coffeeshop, aldus [eiser] .

4.5.

[gedaagde] heeft aangevoerd dat de sms in de context moet worden bezien waarbij [gedaagde] begon te vermoeden dat de omzet van de coffeeshop vele malen hoger was dan [eiser] hem had verteld en [eiser] hem geen toegang gaf tot de boekhouding. De sms was geen aanbod tot opzegging. De door [eiser] gedane opzegging dient te worden vernietigd wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid.

4.6.

De rechtbank overweegt dat aangenomen kan worden dat de vof voor onbepaalde tijd is aangegaan. Een dergelijke vof kan in beginsel altijd worden opgezegd. De opzegging is vormvrij. Opzegging kan om allerlei redenen geschieden, ook om persoonlijke redenen, mits de reden waarom wordt opgezegd niet in strijd komt met de redelijkheid en billijkheid (art 7A:1686 van het Burgerlijk Wetboek, hierna: BW). Is de opzegging in strijd met de redelijkheid en billijkheid, dan is deze vernietigbaar.

4.7.

[eiser] kan niet worden gevolgd in zijn stelling dat de sms kan worden gelezen als een opzegging van de vof door [gedaagde] . Dit staat er simpelweg niet en is, mede gezien de door [gedaagde] onderbouwde schets van de context waarbinnen de sms is verstuurd, ook niet zo uit te leggen. Wel kan [eiser] worden gevolgd in zijn stelling dat de brief van 22 mei 2015 als een opzegging van zijn kant kan worden beschouwd. Deze opzegging heeft echter niet het door [eiser] gewenste effect nu deze opzegging door de rechtbank wordt vernietigd. Dit wordt als volgt toegelicht.

4.8.

Vennoten zijn verplicht zich jegens elkaar te gedragen overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid (artikel 3:166 lid 3 BW juncto artikel 6:2 BW). Tussen partijen staat vast dat de boekhouding van de vof onder de verantwoordelijkheid van [eiser] heeft plaatsgevonden. Verder wordt door [eiser] in de dagvaarding erkend dat hij heeft geweigerd [gedaagde] inzage te geven in de boekhouding toen hierom werd gevraagd. De door [eiser] hiertoe aangevoerde reden voor deze weigering is dat [gedaagde] de samenwerking had opgezegd op grond van de sms. Toen deze opzegging door [gedaagde] werd ontkend heeft [eiser] bij brief van 22 mei 2015 de vof zelf opgezegd. Daarna had [gedaagde] geen recht meer op inzage omdat vanaf dat moment de vof feitelijk zijn eigen eenmanszaak was, aldus [eiser] .

4.9.

Reeds is vastgesteld dat de sms geen opzegging bevat en ook niet zo kan worden uitgelegd. Dit betekent dat [eiser] feitelijk stelt dat hij [gedaagde] geen inzage wenste te verschaffen in de boekhouding en mede in dat verband de vof heeft opgezegd en de coffeeshop vervolgens uitsluitend hem toekwam. Een dergelijke weigering om [gedaagde] inzage te verschaffen in de boekhouding is in strijd met de te betrachten redelijkheid en billijkheid. De vof vormt immers een gemeenschap en beide vennoten hebben recht op inzage van de boekhouding die verband houdt met de activiteiten die in deze gemeenschap worden uitgeoefend. Verder kan [eiser] niet, ook niet op basis van een langere betrokkenheid bij de coffeeshop, deze coffeeshop zelfstandig aan zichzelf toebedelen. Indien de vennootschap door opzegging is ontbonden, moet immers verdeling plaatsvinden en staat niet bij voorbaat vast wie van de partijen de door de vennootschap gedreven onderneming zal voortzetten. Nu de opzegging er kennelijk met name toe heeft gestrekt om [gedaagde] de toegang tot de boekhouding te ontzeggen en de coffeeshop zonder [gedaagde] voort te zetten, is deze opzegging in strijd met de redelijkheid en billijkheid. De opzegging wordt dan ook op die grondslag vernietigd (artikel 7A:1686 lid 1 BW).

Ontbinding

4.10.

[eiser] heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat de rechtbank de vof dient te ontbinden wegens gewichtige redenen. Ook [gedaagde] heeft zich op het standpunt gesteld dat ontbonden dient te worden wegens gewichtige redenen. De rechtbank constateert dat beide partijen dringend verzoeken om ontbinding van de vof, partijen diverse procedures tegen elkaar hebben gevoerd en dat partijen over en weer politieaangifte hebben gedaan wegens beweerdelijk strafbare feiten jegens elkaar. De rechtbank zal daarom op grond van artikel 7A:1684 lid 1 BW wegens gewichtige redenen overgaan tot ontbinding van de vof per datum van het nog te wijzen eindvonnis. Aan deze ontbinding wordt de onder r.o. 4.19 genoemde voorwaarde verbonden.

4.11.

De rechtbank merkt uitdrukkelijk op dat zolang de verdeling niet heeft plaatsgevonden, de voortzetting van de coffeeshop voor rekening van de gezamenlijke vennoten plaatsvindt en dat de goede trouw waarmee de vennoten elkaar tegemoet moeten treden meebrengt dat gedurende deze voortzetting partijen zich redelijk naar elkaar dienen op te stellen.

vereffening en verdeling

4.12.

Bij de ontbinding van de vof dienen de zaken van de vof te worden vereffend en vervolgens dient de voor verdeling vatbare gemeenschap te worden verdeeld. In het kader van de vereffening moeten de zaken van de vof worden afgewikkeld en eventuele schuldeisers worden voldaan. Artikel 32 lid 1 van het Wetboek van Koophandel (hierna WvK) bepaalt in dit verband dat de vennoten de vennootschap in haar naam moeten vereffenen. Hiervan is geen sprake nu [eiser] feitelijk de coffeeshop heeft voortgezet en geen vereffeningshandelingen heeft verricht. Verder hebben de vennoten nagelaten samen een vereffenaar te benoemen. Evenmin is de rechtbank verzocht om in dit verband een vereffenaar te benoemen. Voorts is op zitting gebleken dat partijen geen enkele vooruitgang kunnen maken ten aanzien van de vereffening en de hierop volgende verdeling. Op grond van artikel 3:32 lid 2 WvK heeft de rechtbank bij ontbinding de bevoegdheid om bij stakende stemmen te beschikken in het belang van de ontbonden vennootschap. Ook slaat de rechtbank acht op artikel 3:185 BW waarin kort gezegd staat dat als deelgenoten geen overeenstemming kunnen bereiken over de verdeling, de rechtbank de verdeling vast zal stellen. De rechtbank zal daarom de volgende beslissingen nemen ten aanzien van de vereffening en de verdeling.

4.13.

Bij de vereffening zal voor eventuele tekorten van de vof moeten worden bijbetaald door de vennoten, en wanneer na vereffening nog een positief saldo overblijft, wordt dat verdeeld. Naar de rechtbank begrijpt gaan beide partijen er vanuit dat de coffeeshop een positief vermogen kent en (de vergunningen van) de coffeeshop een significante waarde vertegenwoordigen en overdraagbaar zijn. Als hoofdregel geldt verder dat ieder zijn eigen inbreng (of de tegenwaarde daarvan) terugkrijgt. Nu geen van beide partijen hierover heeft gerept zal de rechtbank als uitgangspunt nemen dat sprake is van een gelijke inbreng door de vennoten, althans hiervoor in het verleden een regeling is getroffen.

4.14.

Indien er na de vereffening nog vermogen overblijft, dient ook dat te worden verdeeld. De vraag die partijen ten aanzien van deze verdeling verdeeld houdt is wat er met de coffeeshop moet gebeuren. Beide partijen stellen in dat verband dat het aan de ander te wijten is dat de vof moet worden ontbonden en dat daarom de coffeeshop aan hem moet worden toegewezen. Meer specifiek stelt [eiser] dat hij de coffeeshop al 23 jaar runt en [gedaagde] pas in 2008 in beeld kwam; er geen enkele bemoeienis is geweest van [gedaagde] met de bedrijfsvoering; de verhoudingen zijn verslechterd toen [gedaagde] zich na zeven jaar anders ging opstellen, inzage wenste in de boekhouding en [gedaagde] een aankoop had gedaan op rekening van de coffeeshop. [gedaagde] stelt meer specifiek dat [eiser] tot op de dag van vandaag bewust een volstrekt ondeugdelijke boekhouding voert; hij ten onrechte geen inzage in de boekhouding kreeg en ook na de gerechtelijke vonnissen geen, althans onvoldoende inzicht hierin heeft verkregen; en [eiser] fraudeert en privé-opnamen doet van de bankrekening van de vof.

4.15.

Ter terechtzitting heeft [eiser] verklaard de benoeming van een deskundige te wensen die de vof waardeert en vervolgens aan [eiser] de gelegenheid wordt geboden om de coffeeshop voort te zetten. Dit is ook in lijn met de vennootschapsakte, aldus [eiser] . [gedaagde] heeft aangegeven niets te zien in de benoeming van een deskundige omdat de waardebepaling gezien de onbetrouwbare boekhouding, het ontbreken van stukken, de weigerachtige houding van [eiser] en de verhouding tussen partijen een onmogelijke opgave is. Daarbij is dit een zeer tijdrovend traject en onnuttig nu [eiser] niet over de financiële middelen beschikt om de coffeeshop over te nemen. Dit is met name bezwaarlijk omdat er een reëel gevaar bestaat dat de vergunningen ten behoeve van de coffeeshop, gezien de financiële onregelmatigheden, in gevaar komen. Bebelaaar wenst daarom een zo spoedig mogelijke toebedeling van de coffeeshop aan hem ten behoeve van de verkoop, althans de coffeeshop door een vereffenaar te laten verkopen.

4.16.

De rechtbank overweegt dat een verdeling dient plaats te vinden volgens de regels die vennoten voor winstverdeling hebben afgesproken. Op grond van het feit dat beide partijen als uitgangspunt hebben genomen dat beiden gerechtigd zijn op dezelfde winstuitkering stelt de rechtbank vast dat beide partijen recht hebben op de helft van het overgebleven vermogen. Het beroep van [eiser] op het voortzettingsbeding uit de vennootschapsakte kan niet slagen omdat volgens [eiser] deze akte niet overeen is gekomen (zie r.o. 4.2). Verder constateert de rechtbank dat de door [eiser] ingestelde rechtsvorderingen niet zijn gericht op vereffening en verdeling. Gezien de stellingen van [eiser] en ook de uitspraken van de rechtbank en gerechtshof, is de medewerking van [eiser] aan het verschaffen van inzicht in de boekhouding aan [gedaagde] zeer beperkt geweest. Verder is vastgesteld dat de verantwoordelijkheid voor de boekhouding lag en ligt bij [eiser] . Door [eiser] wordt verder erkend dat de boekhouding in ieder geval tot 2015 niet voldoet aan de eisen die daaraan moeten worden gesteld. Dit heeft, naar [gedaagde] stelt en door [eiser] onvoldoende gemotiveerd is betwist, consequenties voor de mogelijkheden om te komen tot een betrouwbaar oordeel door een deskundige over de waardering van de coffeeshop. De stelling van [gedaagde] dat [eiser] niet beschikt over de financiële middelen om [gedaagde] de helft van de waarde van de coffeeshop te vergoeden is niet, althans onvoldoende gemotiveerd, betwist. Door [eiser] is verder enkel ter terechtzitting in algemene zin opgemerkt dat een deskundige moet worden benoemd en heeft hij nagelaten dit op enigerlei wijze te concretiseren. Dit overziend concludeert de rechtbank dat de door [eiser] voorgestane weg voorwaarts onvoldoende concreet is gemaakt door [eiser] en veel tijd in beslag zal nemen, zonder dat vast is komen te staan dat dit zal leiden tot een reële mogelijkheid om tegemoet te komen aan de wens van [eiser] om de coffeeshop voort te zetten.

4.17.

De rechtbank zal daarom een vereffenaar benoemen die de verkoop van de coffeeshop ter hand zal dienen te nemen. Nu [eiser] zeggenschap heeft over de bankrekening van de vof zal hij er zorg voor dienen te dragen dat de (voorschot)kosten die samenhangen met deze vereffenaar onmiddellijk worden voldaan. Niet valt uit te sluiten dat de vereffenaar ten behoeve van een verkoop alsnog gebruik wenst te maken van deskundigen. Ook voor de betaling van deze (voorschot)kosten zal [eiser] onmiddellijk zorg dienen te dragen. Verder geldt dat beide partijen onmiddellijk en volledig moeten meewerken aan deze verkoop. Indien [eiser] in gebreke blijft in de nakoming van de in deze rechtsoverweging genoemde verplichtingen, kan op verzoek van [gedaagde] bij wijze van voorlopige voorziening uitsluitend [gedaagde] gerechtigd worden om de onderneming voort te zetten gedurende de liquidatie van de vof. Ook kan verzocht worden om het verbinden van dwangsommen aan bepaalde, concreet benoemde, handelingen.

4.18.

Om tegemoet te komen aan de wens van [eiser] om de coffeeshop voort te zetten, is de rechtbank verder voornemens de vereffenaar op te dragen dat hij dient te bewerkstelligen dat beide partijen in de gelegenheid zullen worden gesteld om binnen een afzienbare periode na ontvangst van de biedingen op de coffeeshop, het hoogste bod te evenaren of, in het geval beide partijen een bod wensen uit te brengen, de andere partij te overbieden. Om tegemoet te komen aan de wens van [gedaagde] om ook daadwerkelijk afscheid te kunnen nemen van [eiser] zal een eventueel bod van (een van) partijen vergezeld dienen te gaan van een concrete en zekerheid biedende betalingsregeling.

4.19.

Verder heeft te gelden dat aan de ontbinding door de rechtbank de voorwaarde zal worden verbonden dat partijen bij de verdeling van het vermogen de door de rechter vastgestelde vorderingen die partijen op elkaar hebben, kunnen verhalen op het deel van het vermogen van de vof waarop de ander gerechtigd is. Hiermee worden partijen zoveel als mogelijk in staat gesteld na de vereffening daadwerkelijk elk huns weegs te gaan. De te benoemen vereffenaar zal hier bij de verdeling rekening mee dienen te houden. Aan de vereffenaar zal worden opgedragen pas tot verdeling over te gaan nadat de rechtbank eindvonnis heeft gewezen.

4.20.

Opmerking verdient dat de rechtbank op dit moment niet bekend is met vereffenaars die over branche specifieke kennis beschikken. Partijen zullen in de gelegenheid worden gesteld, bij voorkeur gezamenlijk, bij akte een voorstel te doen voor een te benoemen vereffenaar en opmerkingen te maken over eventuele instructies die aan deze vereffenaar moeten worden verstrekt. De rechtbank zal na ontvangst van deze reactie overgaan tot de benoeming van deze vereffenaar.

Verder in conventie

4.21.

Uit het voorgaande volgt dat de primaire vorderingen in conventie bij eindvonnis zullen worden afgewezen. De subsidiaire vordering 4 wordt bij eindvonnis toegewezen en vorderingen 5, 6 en 7 zullen worden afgewezen. Over de proceskosten zal bij eindvonnis worden beslist.

Verder in reconventie

ontbinding, vereffening en verdeling (vordering 1, 2 en 4)

4.22.

Vordering 1 in conventie zal bij eindvonnis grotendeels worden toegewezen. Nu de reden voor deze ontbinding primair de verstoorde relatie tussen partijen is en beider wens om tot ontbinding over te gaan, zal de verklaring voor recht dat de ontbinding plaatsvindt op grond van redenen toe te rekenen aan [eiser] worden afgewezen.

4.23.

Ten aanzien van de vordering 2 overweegt de rechtbank dat dit niet als een voorlopige voorziening is gevorderd en op dit moment geen aanleiding wordt gezien voor het afgeven van een verklaring voor recht. Verder verwijst de rechtbank naar hetgeen onder r.o. 4.17 is overwogen. Ten aanzien van vordering 4 wordt verwezen naar hetgeen reeds is overwogen.

kapitaalstand (vordering 3)

4.24.

Ten aanzien van vordering 3 heeft [gedaagde] aangevoerd dat op grond van de door [eiser] verstrekte informatie de kapitaalstand per eind eerste kwartaal 2016 voor [eiser] bedraagt -/- € 61.372,- en voor [gedaagde] € 101.090,-. Dit is door [eiser] betwist. Op grond van het SBV Forensics rapport concludeert [eiser] dat het [bedrijf 2] tussenrapport (en, naar de rechtbank begrijpt: het eindrapport) niet deugt. Inhoudelijk wordt dit rapport betwist onder verwijzing naar de brief van [naam 1] (zie r.o. 2.12).

4.25.

De rechtbank overweegt dat uit het [bedrijf 2] eindrapport naar voren komt dat het in kaart brengen van de financiële situatie uitermate lastig is gebleken. Op grond van de vastgestelde feiten, de eigen stellingen van [eiser] , de door [eiser] ingestelde vorderingen en de eerder gewezen vonnissen, moet worden geconcludeerd dat dit een gevolg is van de weigerachtige houding van [eiser] die ten onrechte de coffeeshop als zijn eigen bedrijf beschouwt waarmee [gedaagde] geen bemoeienis mag hebben. Deze houding wordt ten onrechte ingenomen omdat vennoten elkaar naar redelijkheid en billijkheid tegemoet moeten treden en [gedaagde] als medevennoot recht op en belang heeft bij volledige inzage in de boekhouding. Verder is reeds vastgesteld dat [eiser] verantwoordelijk was en is voor de boekhouding en (als enige) toegang heeft tot de volledige boekhouding.

4.26.

In het licht van het voorgaande mag van [eiser] worden verwacht dat hij specifiek en gemotiveerd onderbouwt, met concrete en heldere verwijzingen naar inzichtelijk gepresenteerde financiële overzichten, waarom de door [bedrijf 2] gemaakte berekening onjuist zouden zijn. Dat deze berekening onjuist is volgt niet uit het SBV Forensics rapport waar meer in algemene zin is gereageerd op [bedrijf 2] . Verder zijn de verweren die gegrond zijn op de brief van [naam 1] warrig en lastig te doorgronden. Zo kan de rechtbank zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, niet begrijpen waarom “de bank” tot en met het jaar 2014 geen deel uit zou maken van de boekhouding. Verder zijn de alternatieve berekeningen van [naam 1] niet onderbouwd en is hieruit niet op te maken wat er nu precies niet zou kloppen aan de gedetailleerde berekeningen van [bedrijf 2] . Het zonder nadere uitleg bij de rechtbank over de schutting gooien van grootboek mutaties kan niet worden beschouwd als een dergelijke nadere onderbouwing. De rechtbank acht de stellingen die ten grondslag liggen aan vordering 3 dan ook voorshands bewezen. [eiser] zal worden toegelaten tot het leveren van tegenbewijs. Indien [eiser] hiervan gebruik wenst te maken, merkt de rechtbank op dat dit op gestructureerde, heldere wijze moet worden gepresenteerd.

onttrekkingen (vordering 6)

4.27.

Ten aanzien van vordering 6 geldt het volgende. [gedaagde] heeft gemotiveerd en gespecificeerd een overzicht gemaakt van het bedrag dat [eiser] meer heeft verkregen uit het vofkapitaal dan [gedaagde] . [gedaagde] heeft primair gesteld dat het doen van deze eenzijdige winstuitkeringen en privé-onttrekkingen in strijd met de vennootschapsakte is en subsidiair dat dit moet worden gekwalificeerd als een onrechtmatige daad en [gedaagde] hierdoor schade heeft geleden. De rechtbank overweegt dat van het bestaan van een vennootschapsakte niet is gebleken en van handelen in strijd hiermee kan dan ook geen sprake zijn. Nu echter onbetwist is gebleven dat eenzijdige onttrekkingen zonder toestemming uit een gezamenlijk vermogen kunnen worden gekwalificeerd als onrechtmatige daad, zal de rechtbank van deze grondslag uitgaan. Ten aanzien van de omvang van de onrechtmatige onttrekkingen heeft te gelden dat tegenover het overzicht dat [gedaagde] heeft opgesteld [eiser] enkel in algemene zin heeft betwist dat een aantal betalingen ten onrechte als privé-uitgaven zijn aangemerkt, zonder te specificeren welke van deze betalingen dit dan betreft. De verwijzing van [eiser] naar overgelegde grootboek overzichten, zonder nadere tekst en uitleg en/of verwijzingen naar nadere stukken, is hiertoe onvoldoende. De rechtbank acht de stellingen die ten grondslag liggen aan vordering 6 dan ook voorshands bewezen.

4.28.

[eiser] zal worden toegelaten tot het leveren van tegenbewijs. Indien [eiser] hiervan gebruik wenst te maken, merkt de rechtbank op dat dit op gestructureerde, heldere wijze moet worden gepresenteerd.

overige vorderingen in reconventie

4.29.

Vordering 5 zal worden afgewezen omdat niet is vast komen te staan dat sprake is van een vennootschapsakte.

4.30.

Ten aanzien van vordering 7 heeft [eiser] zich op het standpunt gesteld dat hier geen rechtsgrond voor bestaat en [eiser] de coffeeshop sinds 1 juli 2015 alleen drijft en de inkomsten hem toekomen. De rechtbank overweegt dat uit het voorgaande volgt dat dit feitelijk onjuist is. Verder staat het een vennoot niet vrij om zonder verantwoording hierover af te leggen gelden te onttrekken aan de gemeenschap. Nu voorshands is vast komen te staan dat een (substantieel) bedrag in privé door [eiser] is onttrokken, komt deze vordering in beginsel voor toewijzing in aanmerking. Hierbij zal wel rekening worden gehouden met de later ingestelde incidentele vordering I waarin een uitkering van € 2.500,- per maand wordt genoemd. Bij toewijzing van vordering 7 zal hier dan ook rekening mee gehouden worden.

4.31.

Ten aanzien van vordering 8 heeft [eiser] terecht aangevoerd dat het (voorshands) toe te wijzen bedrag schadevergoeding betreft en dus geen sprake kan zijn van de wettelijke handelsrente. Enkel de impliciet subsidiair gevorderde wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW komt daarom voor toewijzing in aanmerking.

4.32.

In relatie tot vordering 9 heeft te gelden dat aan de ontbinding (zie r.o. 4.10) de onder r.o. 4.19 genoemde voorwaarde is verbonden. Naar de rechtbank begrijpt wordt met deze voorwaarde tegemoet gekomen aan het belang dat ten grondslag ligt aan vordering 9 en zal deze vordering daarom worden afgewezen.

4.33.

Vordering 11 zal worden afgewezen nu deze vordering niet specifiek genoeg is om voor toewijzing in aanmerking te komen.

Ten aanzien van het incident

vordering I en III

4.34.

Door [eiser] is het verweer gevoerd dat de provisionele vorderingen moeten worden beschouwd als een vermeerdering van eis, die in strijd is met de goede procesorde. Dit verweer wordt verworpen nu deze vorderingen naar hun aard, nu de vorderingen I en III slechts gelden voor de duur van de procedure, provisionele vorderingen zijn. Het verweer dat sprake is van strijd met de goede procesorde omdat de behandeling van deze vordering vertraging van de procedure met zich meebrengt, mist feitelijke grondslag.

4.35.

Anders dan door [eiser] aangevoerd, is de situatie in vergelijking met het vonnis in incident van 29 juni 2016 gewijzigd. Voorshands is inmiddels vast komen te staan dat [eiser] onrechtmatig significante bedragen aan de vof heeft onttrokken. Het staat [gedaagde] daarom vrij deze vorderingen, ook voor zover dit eerder is gevorderd, aan de rechtbank voor te leggen.

4.36.

In verband met het restitutierisico bij een voorziening in de vorm van betaling van een geldsom, overweegt de rechtbank dat het door [gedaagde] gevorderde voorschot op de winstuitkering voldoende vaststaat. De verweren die [eiser] heeft aangevoerd die er samengevat op neerkomen dat de vof reeds beëindigd is en [gedaagde] daarom geen rechten toekomen, missen, gezien hetgeen is overwogen in de hoofdzaak, feitelijke grondslag. De argumenten die partijen ontlenen aan de vennootschapsakte behoeven geen bespreking nu in dit geschil niet uitgegaan wordt van het bestaan van een geldige vennootschapsakte (zie r.o. 4.2).

4.37.

Ten aanzien van vordering I en III heeft te gelden dat een vrijwel gelijkluidende vordering reeds is toegewezen in incident bij vonnis van 29 juni 2016 met dien verstande dat daar toen naar aanleiding van de ongeveer gelijkluidende vorderingen van [gedaagde] , [eiser] is verboden voor de duur van het geding privé-ontrekkingen ten laste van de vof te doen dan wel een voorschot op zijn winstaandeel aan zichzelf uit te keren, tenzij gelijktijdig een bedrag van gelijke grootte aan [gedaagde] wordt uitgekeerd. [gedaagde] heeft onweersproken en gemotiveerd gesteld dat [eiser] zich niet aan dit verbod houdt door nog steeds (significante) privé uitgaven te doen vanaf de bankrekening van de vof. Verder heeft [gedaagde] onweersproken en gemotiveerd gesteld dat dergelijke privé-ontrekkingen nog steeds plaatsvinden zonder dat aan [gedaagde] gelijktijdig een bedrag van gelijke grootte wordt uitgekeerd. Verder staat vast dat [gedaagde] vanaf 1 juli 2015 geen maandelijkse voorschotten meer heeft ontvangen. Dit alles is in strijd met hoe vennoten zich tegenover elkaar dienen te gedragen en in strijd met de beslissing van deze rechtbank in incident van 29 juni 2016. Dit betekent dat vordering I en III zullen worden toegewezen.

de overige incidentele vorderingen

4.38.

Vordering II wordt afgewezen omdat gesteld noch gebleken is dat [naam 4] door het verrichten van werkzaamheden schade toebrengt aan de vof.

4.39.

Voor toewijzing van vordering IV ziet de rechtbank op dit moment nog geen aanleiding.

4.40.

Vordering V is geen vordering die bij wege van een provisionele voorziening kan worden toegewezen omdat deze naar zijn aard, te weten de betaling van verbeurde dwangsommen, niet gericht is op een voorziening die voor de duur van de aanhangige bodemprocedure kan worden gegeven.

4.41.

Vordering VI zal worden afgewezen nu deze vordering niet specifiek genoeg is om voor toewijzing in aanmerking te komen.

4.42.

Nu partijen in het incident over en weer in het ongelijk zijn gesteld dienen beiden hun eigen proceskosten te dragen.

5 De beslissing

De rechtbank

In conventie

5.1.

houdt iedere beslissing aan;

In reconventie

5.2.

bepaalt dat partijen op de rolzitting van 3 mei 2017 de in r.o. 4.20 bedoelde akte gelijktijdig nemen;

5.3.

bepaalt dat partijen twee weken na voornoemde roldatum op elkaars akte mogen reageren;

5.4.

laat [eiser] toe tot tegenbewijs tegen het voorshandse oordeel van de rechtbank dat de kapitaalstand per einde 1e kwartaal 2016 voor [eiser] bedraagt -/- € 61.372,- en voor [gedaagde] € 101.090,-;

5.5.

laat [eiser] toe tot tegenbewijs tegen het voorshandse oordeel van de rechtbank dat [eiser] tot en met het derde kwartaal van 2015 € 240.026,93 meer heeft onttrokken aan de vof dan [gedaagde] ;

5.6.

bepaalt dat [eiser] , indien [eiser] dit tegenbewijs wenst te leveren door overlegging van bewijsstukken, zij daartoe een akte kan nemen op de rolzitting van 17 mei 2017;

5.7.

bepaalt dat [gedaagde] in de gelegenheid zal worden gesteld een antwoordakte te nemen;

5.8.

houdt iedere verdere beslissing aan.

In het incident

5.9.

verbiedt [eiser] bij wijze van voorlopige voorziening voor de duur van het geding uit het vermogen van de vof meer aan zichzelf uit te keren dan € 2.500,- per maand;

5.10

gebiedt [eiser] bij wijze van voorlopige voorziening voor de duur van het geding maandelijks, met terugwerkende kracht vanaf 1 juli 2015 uit het vermogen van de vof aan [gedaagde] een winstaandeel uit te keren van € 2.500,- per maand;

5.11

verklaart hetgeen onder 5.9 en 5.10 is bepaald uitvoerbaar bij voorraad;

5.13

wijst het meer of anders gevorderde in incident af.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.T. Beuving en in het openbaar uitgesproken op 5 april 2017.