Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:9870

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
12-10-2016
Datum publicatie
26-09-2017
Zaaknummer
13/684691-15 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 jaar voor doodslag op een 35-jarige man. Verdachte heeft het slachtoffer doodgestoken onder de ogen van verschillende toeschouwers, waaronder de destijds 13-jarige dochter van het slachtoffer. Een beroep op noodweer en noodweerexces wordt door de rechtbank verworpen. Wel is er sprake geweest van een noodweersituatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2017-0787
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/684691-15 (Promis)

Datum uitspraak: 12 oktober 2016

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:

[adres] , [woonplaats] ,

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [naam PI]

” te [plaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 28 september 2016.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. J. Ang en van wat verdachte, zijn raadsman mr. E.G.S. Roethof en de raadsvrouw van de benadeelde partijen mr. A.P. Hendriks naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 27 december 2015 te Diemen, in elk geval in Nederland, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft hij, verdachte, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, eenmaal of meermalen met een mes, in elk geval een scherp en/of puntig voorwerp, in de borstkas en/of de rug en/of de heup(en) en/of het/de be(e)n(en), in elk geval in het lichaam van voornoemde [slachtoffer] , gestoken en/of gesneden, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Vrijspraak moord

Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat niet blijkt dat sprake is geweest van kalm beraad en rustig overleg, zodat niet bewezen kan worden dat verdachte [slachtoffer] met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van moord.

4.2.

Bewezenverklaring doodslag

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij op 27 december 2015 te Diemen met het slachtoffer [slachtoffer] heeft gevochten, dat hij een mes in handen kreeg, dat het slachtoffer bleef vechten, dat hij zich van het steken niets kan herinneren, dat het eerste wat hij zich vervolgens herinnert is dat hij bloed zag, dat hij zich afvroeg waar hij mee bezig was en dat hij ten slotte in zijn auto is gestapt en naar zijn zuster is gereden. Verdachte heeft geen enkel bewijsverweer gevoerd.

Hoewel verdachte niet letterlijk heeft bekend dat hij het slachtoffer heeft gestoken, merkt de rechtbank voornoemde verklaring toch aan als een bekennende verklaring, nu verdachte niet betwist dat hij het slachtoffer heeft gestoken en nu onbetwist uit het dossier blijkt dat het ook niet anders kan dan dat verdachte degene is die het slachtoffer heeft gestoken.

Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat sprake is van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, lid 3, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering. Gelet daarop zal de rechtbank volstaan met hierna volgende opgave van de bewijsmiddelen, waarin de redengevende feiten en omstandigheden zijn vervat, op grond waarvan zij tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit komt.

1. Een proces-verbaal van verhoor getuige met nummer PL1300-20152882258 van 27 december 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [naam opsporingsambtenaar] , inhoudende de verklaring van [naam getuige 1] (doorgenummerde pagina’s A006 en A007).

2. Een geschrift, zijnde het rapport ‘Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood’ met zaaknummer 2015.12.24.074 van 5 januari 2016, opgesteld door arts en patholoog M. Buiskool, als deskundige verbonden aan het Nederlands Forensisch Instituut, met bijlagen (doorgenummerde pagina’s A111 t/m A127).

3. De verklaring die verdachte ter terechtzitting heeft afgelegd, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Het is juist, dat ik op 27 december 2015 te Diemen met het slachtoffer [slachtoffer] heb gevochten. Hij heeft mij geschopt en geslagen. Vanaf het moment dat ik het mes in handen kreeg werd het zwart. Het slachtoffer ging verder met vechten en vanaf dat moment weet ik het niet meer. Het eerste wat ik mij vervolgens herinner is dat ik bloed zag en dat ik mij afvroeg waar ik mee bezig was. Toen ben ik in mijn auto gestapt en ben ik naar mijn zuster gereden.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de onder 4. vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

op 27 december 2015 te Diemen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft hij, verdachte, met dat opzet, meermalen met een mes in de borstkas en de rug en de heup en het been van voornoemde [slachtoffer] gestoken en gesneden, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit en van verdachte

6.1

Feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat op grond van het dossier van de volgende feiten en omstandigheden uit.

Op 27 december 2015 zijn in de woning van [naam 1] ( [naam 1] , hierna te noemen: [naam 1] ) te Diemen aanwezig de genoemde [naam 1] , alsmede haar ex-vriend [slachtoffer] (hierna: het slachtoffer) en diens dochter [naam dochter] . Verdachte had op dat moment een relatie met [naam 1] en wist dat het slachtoffer met zijn dochter bij [naam 1] op bezoek was. Om 01:41 uur wordt door het slachtoffer vanaf de telefoon van [naam 1] een sms-bericht verzonden naar verdachte met de tekst: ‘Ik ben nu met je vrouwtje lekker hahaha dan weet je dat!’ Verdachte heeft dat bericht ontvangen en gelezen.

Omstreeks 01:55 uur komt verdachte met zijn auto bij de woning van [naam 1] . Verdachte parkeert zijn auto op enkele meters afstand van de achterzijde van de woning, stapt uit en bonkt op de ramen aan de achterzijde van de woning en roept ‘ [naam 1] !’. [naam 1] komt niet naar buiten. Het slachtoffer schreeuwt vanuit de woning verdachte onder meer expliciete doodsbedreigingen toe.

Verdachte keert om en loopt weer van de woning weg, richting zijn geparkeerde auto. Het slachtoffer komt op dat moment de woning uitgerend naar verdachte toe. Tussen beiden ontstaat direct een gevecht, waarbij over en weer vuistslagen en schoppen vallen.

Op enig moment heeft verdachte een (groot) mes in zijn hand en steekt hij het slachtoffer met dat mes. Het slachtoffer valt achterwaarts op de grond. Terwijl het slachtoffer op de grond zit of ligt en een afwerend gebaar maakt wordt hij nogmaals gestoken door verdachte. Het slachtoffer wordt in totaal zeven maal in zijn lichaam gestoken. Verdachte loopt daarna naar zijn auto, stapt in en rijdt weg. Het slachtoffer overlijdt ter plaatse. Bij de sectie worden zeven steekwonden en één snijwond geteld, steekwonden waarbij onder meer beide longen en het hart zijn geraakt. Vier steekwonden bevonden zich in de borstkas, twee op het linker bovenbeen, één op de rug links van de wervelkolom ter hoogte van rib acht en een snijwond aan het topje van de derde vinger van de rechterhand. De snijwond is waarschijnlijk afweerletsel. De maximale steekkanaallengte was circa 20 centimeter.

Bij verdachte is geen letsel vastgesteld.

6.2.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is geweest van noodweer, dan wel noodweerexces, en daartoe het volgende aangevoerd.

Mede naar aanleiding van het sms-bericht wilde verdachte zijn vriendin [naam 1] spreken. Hij is naar haar woning gegaan en heeft op haar raam geklopt en haar naam geroepen. De deur van de woning blijft dicht. Wel wordt hij vanuit de woning direct agressief door [slachtoffer] met de dood bedreigd. Verdachte is vervolgens naar zijn auto gelopen om te vertrekken. In de woning probeert [naam 1] [slachtoffer] nog tegen te houden maar [slachtoffer] is vervolgens agressief vanuit de woning naar verdachte toe gestormd. Verdachte stelt dat [slachtoffer] een mes in zijn hand had. Eerst heeft [slachtoffer] geprobeerd om verdachte te slaan, te schoppen en ten slotte om hem te steken. [slachtoffer] is echter ten val gekomen, waarbij hij het mes heeft laten vallen. Verdachte heeft het mes toen opgeraapt. Het slachtoffer is verdachte echter blijven aanvallen en verdachte heeft zich daartegen verdedigd en mocht zich daartegen ook verdedigen.

Er was sprake van een noodweersituatie. Het slachtoffer was de agressor en kwam met een mes op verdachte afstormen op een moment dat verdachte geen reële mogelijkheid meer had om in zijn auto te stappen en weg te gaan. Nu het slachtoffer een mes had en als een bezetene bezig was is het verdedigen met een mes door verdachte proportioneel.

Subsidiair doet de raadsman een beroep op noodweerexces.

Verdachte heeft ter zitting weliswaar verklaard dat hij niet bang was toen het slachtoffer hem vanuit de woning bedreigde maar angst kan binnen seconden ontstaan.

6.3.

Standpunt Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte geen beroep op noodweer, dan wel noodweerexces, toekomt en daartoe het volgende aangevoerd.

Verdachte heeft de confrontatie met het slachtoffer gezocht, door zich met een mes naar de woning van [naam 1] te begeven, daar op de ramen te bonken en het slachtoffer uit te dagen naar buiten te komen. Gelet daarop komt verdachte al geen beroep op noodweer toe. Bovendien was er geen sprake van een noodweersituatie. Indien wel sprake is van een noodweersituatie heeft verdachte excessief geweld gebruikt door bij een vuistgevecht met een mes te steken. Nu niet blijkt dat bij verdachte als gevolg van de aanranding sprake is geweest van een hevige gemoedsbeweging -aangezien verdachte niet heeft meegewerkt aan een onderzoek van zijn persoon- komt verdachte evenmin een beroep op noodweerexces toe.

6.4.

Oordeel rechtbank

6.4.1.

Noodweer

Uitgaande van de onder 6.1. genoemde feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat sprake is geweest van een noodweersituatie.

Het slachtoffer had vanuit de woning diverse doodsbedreigingen naar verdachte geschreeuwd en maakte daarbij een agressieve indruk. Direct daarna rende het slachtoffer de woning uit, op verdachte af. Op dat moment ontstond de noodzaak voor verdachte om zich te verdedigen tegen een onmiddellijk dreigend gevaar voor een wederrechtelijke aanranding van zijn lijf. Volgens vaste rechtspraak is het, in een dergelijke situatie waarin een aanranding dreigt, niet van belang wie de eerste klap heeft uitgedeeld. Gelet op de korte afstand van de auto van verdachte tot de woning en de snelheid waarmee het slachtoffer op verdachte af kwam, is niet aannemelijk geworden dat verdachte een reële mogelijkheid heeft gehad om zich aan de (dreigende) aanranding te onttrekken.

Niet is gebleken dat verdachte willens en wetens een agressieve reactie van het slachtoffer heeft uitgelokt. Weliswaar wist verdachte dat het slachtoffer in de woning van [naam 1] aanwezig was maar hij heeft enkel om [naam 1] geroepen en heeft verklaard dat hij van haar uitleg wilde. Toen [naam 1] niet naar buiten kwam is hij omgedraaid en weer naar de auto terug gelopen. Onder deze omstandigheden is een beroep op noodweer niet uitgesloten.

Echter, door vervolgens een groot mes te pakken en het slachtoffer met dat mes meerdere, diepe steekwonden in vitale delen van het lichaam toe te brengen, ook in de rug, en ook nog te steken terwijl het slachtoffer al terugdeinst en ten val is gekomen, heeft verdachte de grenzen van de noodzakelijke verdediging ver overschreden.

Verdachte heeft verklaard dat het slachtoffer met een mes naar buiten is gekomen en dit mes ook heeft gebruikt, nadat hij eerst richting verdachte had geslagen en geschopt terwijl hij dat mes in zijn vrije hand hield. Omdat het slachtoffer viel en het mes daarbij op de grond terecht kwam, zou verdachte het mes hebben kunnen bemachtigen. De rechtbank acht deze door de verdachte geschetste gang van zaken waarbij het slachtoffer, hoewel hij met een mes in zijn hand op verdachte af zou zijn gekomen, eerst zou hebben geschopt en met zijn vrije hand geslagen, niet geloofwaardig. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat bij verdachte geen enkele verwonding is geconstateerd.

Het scenario van verdachte wordt ook niet ondersteund door de bewijsmiddelen. Geen van de getuigen heeft verklaard een mes te hebben gezien bij het slachtoffer. Getuige [naam getuige 1] en getuige [naam dochter] hebben alleen een mes bij verdachte gezien. De verdediging heeft in dat verband verwezen naar pagina A 1 82, waar is opgenomen de verklaring van getuige [naam getuige 3] , inhoudende -kort gezegd- dat de man die uit de woning kwam een glimmend voorwerp, vermoedelijk een mes in zijn handen had. Anders dan de verdediging heeft betoogd, kan naar het oordeel van de rechtbank uit deze verklaring niet worden opgemaakt dat [naam getuige 3] een mes bij het slachtoffer heeft gezien. Getuige [naam getuige 3] is meermalen door de politie gehoord en heeft ook als getuige een verklaring afgelegd bij de rechter-commissaris. De getuige heeft kort gezegd verklaard dat hij een gevecht heeft gezien tussen twee mannen, waarbij hij bij één van de mannen een mes heeft gezien. De getuige omschrijft deze twee mannen in zijn opeenvolgende verklaringen verschillend. Zo wordt in zijn eerste verklaring (waarnaar de verdediging verwijst) op pagina A1 82 gesproken over de man die uit de woning kwam en een glimmend voorwerp in zijn handen had. In de tweede verklaring op pagina A1 98 en volgende verklaart de getuige over de lange man die een glimmend voorwerp in zijn handen had. Ook verklaart de getuige hier dat hij niet kon zien wie van de twee mannen uit de woning was gekomen. In al zijn verklaringen plaatst deze getuige echter consistent het mes in handen van de man die uiteindelijk wegrijdt in de auto. Uit het dossier blijkt dat verdachte deze man is.

Gelet op het voorgaande gaat de rechtbank er van uit dat alleen verdachte een mes heeft gehad en dat mes heeft gebruikt. Ook van een dreigende aanranding met een mes was geen sprake. Het gebruik van het mes door verdachte staat niet in redelijke verhouding tot de aanval, die bestond uit schoppen en slaan met de blote handen, dan wel vuisten. Dit geldt te meer voor het steken, nadat het slachtoffer reeds terugdeinsde. Hiermee is niet voldaan aan de proportionaliteitseis, zodat de rechtbank het beroep op noodweer verwerpt.

6.4.2.

Noodweerexces

Van een verontschuldigbare overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging kan slechts sprake zijn, indien de verdediging verder is gegaan dan geboden was als onmiddellijk gevolg van een hevige gemoedsbeweging, die door de (al dan niet gestaakte) wederrechtelijke aanranding is veroorzaakt.

Het aantal steekwonden (zeven), de diepte van de diepste steekwond van 20 centimeter en het gegeven dat onder meer in de rug van het slachtoffer is gestoken past op zich bij een hevige gemoedsbeweging. Hoewel verdachte ná het feit kennelijk regelmatig emotioneel was, heeft verdachte echter niets verklaard omtrent zijn gevoelens, emoties en gedachtegang voorafgaande aan en gedurende de wederrechtelijke aanranding of tijdens het steken met het mes. Verdachte heeft zich steeds op zijn zwijgrecht beroepen, totdat het onderzoek was afgerond. Eerst kort voor de zitting heeft verdachte een verklaring afgelegd, waarbij hij over zijn gevoelens en emoties geen openheid van zaken heeft gegeven. Hij heeft ook niet meegewerkt aan een onderzoek van zijn persoon door een psychiater en/of een psycholoog. Met betrekking tot de mogelijke gemoedsbeweging van verdachte vóór de wederrechtelijke aanranding valt op dat verdachte naar aanleiding van een provocerend sms-bericht van het slachtoffer naar de woning van [naam 1] is gegaan. Verdachte stelt echter dat hij naar aanleiding van dat bericht wel vragen aan zijn vriendin [naam 1] had maar niet boos was. Ook valt op dat getuigen verklaren dat zij door het geluid van bonken op het raam werden gealarmeerd of wakker werden. Ter terechtzitting heeft verdachte ontkend dat hij op het raam stond te ‘bonken’; hij zou hebben geklopt en was ook op dat moment niet boos. Voorts heeft verdachte verklaard dat hij niet bang was door de vanuit de woning geuite bedreigingen en dat hij zich niets herinnert vanaf het moment dat hij het mes in handen kreeg. De rechtbank merkt hierbij op dat zij geen geloof hecht aan het scenario dat het slachtoffer met het mes op verdachte af is gekomen en dat dit het mes is dat verdachte heeft gebruikt.

Dit alles biedt geen enkele aanknoping, buiten het reeds genoemde letsel, om te concluderen dat er sprake was van een hevige gemoedsbeweging bij verdachte, laat staan een hevige gemoedsbeweging die in overwegende mate is veroorzaakt door de aanranding. De rechtbank verwerpt dan ook het beroep op noodweerexces.

Nu het bestaan van een rechtvaardigingsgrond niet aannemelijk is geworden en evenmin een omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit, zijn het feit en verdachte strafbaar.

6.4.3.

Aanhoudingsverzoek

Ter terechtzitting heeft de verdediging verzocht om schorsing van de behandeling zodat

[naam 1] gehoord kan worden ter toetsing van de op 26 september 2016 bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring van de dochter van het slachtoffer, [naam dochter] . Zij heeft verklaard dat zij op de avond voor het feit een aansteker uit de jas van haar vader heeft gehaald en dat haar vader nooit iemand iets aandeed. De verdediging wil deze verklaringen nader toetsen en aannemelijk maken dat verdachte met een grote mate van agressie is benaderd door het slachtoffer.

De rechtbank ziet geen belang van de verdediging bij het toetsen van deze punten van de verklaring van de dochter van het slachtoffer. De rechtbank gaat er immers van uit dat sprake was van een noodweersituatie, maar verwerpt het beroep op noodweer dan wel noodweerexces om de hiervoor beschreven redenen, zodat het horen van deze getuige niet relevant is voor enig te nemen beslissing.

7 Motivering van de straf

7.1.

Eis Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte doodslag zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 jaren, met aftrek van voorarrest.

7.2.

Strafmaatverweer verdediging

De verdediging heeft de rechtbank verzocht bij het bepalen van de strafmaat rekening te houden met aanwijzingen dat verdachte door het gebeuren emotioneel is geraakt en dat de zaak heel erg dicht tegen noodweer aanligt.

7.3.

Oordeel rechtbank

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft het slachtoffer doodgestoken en hem aldus zijn meest basale recht, het recht op leven, ontnomen en hem uit de levens van zijn nabestaanden gerukt. Het slachtoffer is 35 jaar oud geworden en was behalve zoon ook zelf vader, van nog jonge kinderen. De gevolgen van het handelen van verdachte zijn onomkeerbaar en grijpen diep in in het leven van de nabestaanden.

Verdachte heeft het slachtoffer doodgestoken onder de ogen van verschillende toeschouwers, waaronder de destijds dertienjarige dochter van het slachtoffer. Het ligt voor de hand dat de getuigen, en met name de minderjarige dochter van het slachtoffer, nog lang te kampen zullen hebben met de psychische nasleep van het feit.

Verdachte heeft niet meegewerkt aan een onderzoek door de psycholoog en psychiater, evenmin heeft de rechtbank op andere wijze inzicht gekregen in de drijfveren van verdachte en het eventuele gevaar voor herhaling van geweldsdelicten. De rechtbank gaat bovendien uit van volledige toerekeningsvatbaarheid van verdachte nu het tegendeel niet is gebleken.

De rechtbank ziet echter aanleiding om naar beneden af te wijken van de door de officier van justitie gevorderde straf, gelet op de straf die in vergelijkbare zaken wordt opgelegd en de omstandigheid dat er weliswaar geen geldig beroep op noodweer kon worden gedaan maar er wel sprake is geweest van een noodweersituatie.

8 Ten aanzien van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

8.1.

Vorderingen

In de onderhavige strafzaak is door twee benadeelde partijen een verzoek tot schadevergoeding ingediend:

  1. door [naam vader] , de vader van het slachteroffer (in totaal € 25.401,50), en

  2. door [naam dochter] , de dochter van het slachtoffer (in totaal € 69.596,80).

Ad A.

De benadeelde partij [naam vader] vordert een schadevergoeding van in totaal € 25.401,50, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering bestaat uit de navolgende posten:

Immateriële schade:

- € 20.000,- affectieschade;

Materiële schade:

- € 4.734,00 kosten uitvaart;

- € 598,50 kosten grafzerk;

- € 69,00 kosten vergunning voor plaatsen grafzerk

(mondeling gevorderd ter terechtzitting)

Ad B.

De benadeelde partij [naam dochter] vordert een schadevergoeding van in totaal € 69.596,80 te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering bestaat uit de navolgende posten:

Immateriële schade:

- € 20.000,00 affectieschade;

- € 35.000,00 shockschade;

Materiële schade:

- € 365,80 reiskosten gemaakt ten behoeve van behandeling bij De Bascule;

- € 771,00 toekomstige reiskosten te maken ten behoeve van behandeling bij De Bascule;

- € 60,00 reis- en telefoniekosten vanwege contact met advocaat, slachtofferhulp en

bijwonen zitting;

- € 13.400,00 toekomstige studievertraging.

8.2.

Standpunt Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van beide benadeelde partijen (ad A. en ad B.) geheel voor toewijzing in aanmerking komen.

8.3.

Standpunt verdediging

De gemaakte reiskosten kunnen worden toegewezen, met uitzondering van de toekomstige reiskosten nu die te onzeker zijn. Ook de studievertraging is onzeker, mede gelet op het gegeven dat de benadeelde partij recentelijk als getuige bij de rechter-commissaris goed en adequaat heeft verklaard. Deze kosten komen dus niet voor vergoeding in aanmerking.

In verband met de gestelde shockschade vraagt de raadsman zich af of er wel sprake is van een psychiatrisch ziektebeeld, omdat bij jeugdigen een stoornis pas op latere leeftijd kan worden vastgesteld. Ook acht de raadsman het gevorderde bedrag onredelijk hoog.

Voor wat betreft de gevorderde affectieschade vindt de raadsman dat er zóveel noviteiten en juridische argumenten zijn aangevoerd, dat de vorderingen een onevenredig groot beslag op het rechtsgeding leggen. Affectieschade komt op grond van de huidige wetgeving niet voor vergoeding in aanmerking.

Met betrekking tot de uitvaart- en grafzerkkosten is sprake van het eigen schuld-beletsel (artikel 6:101 lid 1BW). De opstelling en het gedrag van het slachtoffer zouden aanleiding kunnen zijn tot matiging. Dat vraagt om een zorgvuldige en schriftelijke behandeling en past niet in een strafzaak.

8.4.

Oordeel rechtbank

Anders dan de raadsman acht de rechtbank de vorderingen van de benadeelde partijen niet een onevenredige belasting voor het strafgeding. De door de nabestaanden (de vader en de minderjarige dochter / tevens ooggetuige) opgevoerde posten waren voorzienbaar en alle schadeposten zijn goed en inzichtelijk onderbouwd. De hoogte van de vorderingen doet daar niet aan toe of af.

8.4.2.

Affectieschade ( [naam vader] en [naam dochter] )

De rechtbank zal de vorderingen van beide benadeelde partijen voor zover deze zien op affectieschade niet-ontvankelijk verklaren. De huidige regelgeving biedt, ook gelet op recente jurisprudentie, geen ruimte voor vergoeding van affectieschade.

Evenmin is er ruimte voor richtlijnconforme interpretatie, zoals de raadsvrouw van de benadeelde partijen heeft betoogd onder verwijzing naar de Europese Richtlijn tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten van 25 oktober 2012 (EU-Richtlijn 2012/29, hierna: ‘de Richtlijn’).

Voorts stelt de rechtbank vast dat in het onderhavige geval om meerdere redenen geen sprake kan zijn van rechtstreekse werking van de Richtlijn. Allereerst geldt dat burgers na verstrijking van de implementatietermijn in beginsel weliswaar een beroep kunnen doen op de rechtstreekse werking van de Richtlijn, maar dat geldt alleen voor wat betreft bepalingen die zodanig duidelijk, nauwkeurig en onvoorwaardelijk zijn geformuleerd, dat een burger er rechten aan kan ontlenen. In overeenstemming met recente jurisprudentie is de rechtbank van oordeel dat de Richtlijn op dit punt niet voldoet aan dit vereiste om rechtstreekse werking te kunnen hebben. Voorts geldt de rechtstreekse werking van (daarvoor in aanmerking komende bepalingen van) richtlijnen (behoudens in casu niet aan de orde zijnde uitzonderingen) enkel in de verticale verhoudingen tussen burgers en overheid, niet tussen burgers onderling.

8.4.3.

Uitvaart- en grafzerkkosten ( [naam vader] )

De rechtbank ziet geen aanleiding tot matiging van de uitvaart- en grafzerkkosten die door [naam vader] zijn gemaakt vanwege eigen schuld. Deze kosten zijn immers enkel voortgevloeid uit het doodsteken van het slachtoffer, waarbij geen schuld- of strafuitsluitingsgrond aannemelijk is geworden.

Overige gevorderde schade door [naam dochter]:

8.4.4.

Shockschade

De benadeelde partij [naam dochter] is de dochter van het slachtoffer, zodat de rechtbank reeds om die reden er van uit gaat -ook bij gebreke van aanwijzingen voor het tegendeel– dat sprake was van een nauwe en affectieve band tussen hen. Uit de stukken blijkt dat zij, destijds 13 jaar oud, haar vader met een mes aangevallen heeft zien worden en dat zij bij haar hevig bloedende en stervende vader op straat heeft gezeten. Gelet daarop acht de rechtbank het volkomen aannemelijk dat zij daardoor een hevige emotionele schok heeft ondervonden, waaruit onder meer het in de psychiatrie erkende ziektebeeld PTSS is voortgevloeid, welk ziektebeeld blijkt uit de bij de vordering gaande stukken van het academisch centrum voor kinder- en jeugdpsychiatrie ‘De Bascule’. De hoogte van de vordering is onderbouwd en onbetwist gebleven en de vordering komt de rechtbank ook anderszins niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal dan ook in het geheel worden toegewezen.

8.4.5.

Toekomstige reiskosten

De toekomstige reiskosten worden gevorderd tot en met juni 2017 en zijn gebaseerd op vier bezoeken per maand aan de Bascule. Blijkens de stukken verwacht De Bascule dat behandeling van [naam dochter] tot in ieder geval zomer 2017 wekelijks nodig zal zijn. De rechtbank acht dan ook voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij [naam dochter] de gevorderde toekomstige reiskosten zal maken. De rechtbank zal deze toekomstige kosten toewijzen.

8.4.6.

Studievertraging

Nu vooralsnog niet vaststaat dat [naam dochter] zal doubleren, zal de rechtbank haar vordering voor wat betreft de studievertragingskosten reeds daarom niet-ontvankelijk verklaren.

8.4.7.

Overige schadeposten Nu de overige schadeposten van [naam dochter] voldoende zijn onderbouwd en onbetwist zijn gebleven en de rechtbank ook anderszins niet onrechtmatig of ongegrond voorkomen, zal de rechtbank deze toewijzen.

8.4.8.

Schadevergoedingsmaatregel ( [naam vader] en [naam dochter] )

De rechtbank zal voor beide toegewezen vorderingen de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partijen, naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen geachte feit is toegebracht.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10 Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op: doodslag.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 10 jaren.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Gelast de teruggave aan verdachte van:

Waarde

1. STK Personenauto 150.00

OPEL Astra Kl:Grijs

4565209

2 1.00 STK Zaktelefoon Kl:zwart

NOKIA

5109142

3 1.00 STK Broek Kl:grijs

jogging

5109626

4 2.00 STK Schoenen Kl:wart/wit

REEBOK

5109627

5 1.00 STK Jas Kl:blauw

MOCLER

5109629

Wijst de vordering van [naam vader] , wonende te [plaats] , toe tot € 5.401,50 (vijfduizendvierhonderdenéén euro en vijftig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 27 december 2015 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [naam vader] voornoemd.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [naam vader] , € 5.401,50 (vijfduizend-vierhonderdenéén euro en vijftig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 27 december 2015 tot aan de dag van de algehele voldoening, aan de Staat te betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting door hechtenis van 62 dagen vervangen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van [naam dochter] , wonende te [plaats] , toe tot € 36.196,80 (zesendertigduizendéénhonderdzesennegentig euro en tachtig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 27 december 2015 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [naam dochter] voornoemd.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [naam dochter] , € 36.196,80 (zesendertigduizendéénhonderdzesennegentig euro en tachtig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 27 december 2015 tot aan de dag van de algehele voldoening, aan de Staat te betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting door hechtenis van 205 dagen vervangen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partijen gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partijen voor het overige niet-ontvankelijk in hun vorderingen zijn.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.A.E. Somsen, voorzitter,

mrs. A.A. Spoel en C.C.M. Oude Hengel, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.L. Slaats, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 12 oktober 2016.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te onderteken.