Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:9790

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
12-02-2016
Datum publicatie
18-07-2017
Zaaknummer
13/741225-15 en 13/665146-15 (TUL)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Diefstal door middel van verbreking. ISD.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummers: 13/741225-15 en 13/665146-15 (TUL) (Promis)

Datum uitspraak: 12 februari 2016

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] in [geboortejaar] ,

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres [GBA-adres] ,

thans gedetineerd in het Huis van Bewaring [huis van bewaring] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 29 januari 2016.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.L. Vermeulen en van wat verdachte en zijn raadsman mr. J.H.S. Vogel naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

1. primair:

hij in of omstreeks de periode van 19 september 2015 tot en met 20 september 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tussen (ongeveer) 23.30 uur en 07.00 uur, in elk geval gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, in een woning gelegen aan de [straat] , alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende(n) bevond, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen

- drie (3), in elk geval één of meer computers/tablets (merk Ipad en/of Lenovo) en/of

- zes (6), in elk geval één of meer bankpas(sen) en/of creditcards en/of

- twee (2), in elk geval één of meer rijbewij(s)(zen) en/of

- twee (2), in elk geval één of meer (hand)tas(sen) met inhoud; (onder meer) een geldbedrag en/of één of meer museum- en/of Artispassen en/of een FC-Utrecht seizoenskaart en/of één of meer pen(nen) en/of bankpas(sen),

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 1] en/ [benadeelde 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij hij, verdachte, zich de toegang tot voornoemde woning heeft verschaft en/of de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel;

(Artikel 311/310 Wetboek van Strafrecht)

subsidiair:

hij in of omstreeks de periode van 19 september 2015 tot en met 20 september 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, een of meer bankpas(sen) heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van de verwerving en/of het voorhanden krijgen wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het (een) door diefstal, in elk geval (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

(Artikel 416/417bis Wetboek van Strafrecht)

2. hij op of omstreeks 21 oktober 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een (zwarte) (dames)fiets, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte de weg te nemen fiets onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak op en/of verbreking van één of meer slot(en) van voornoemde (dames)fiets.

(Artikel 311/310 Wetboek van Strafrecht)

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde bewezen moet worden verklaard. Zij heeft daartoe, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd.

De onder 1 primair ten laste gelegde woninginbraak heeft plaatsgevonden tussen 23:00 uur en de daaropvolgende ochtend. Om 06:31 uur werd er geprobeerd te pinnen met een van de gestolen pinpassen. Vijf verbalisanten hebben de persoon die die pintransactie uitvoerde, herkend als verdachte en hebben daarbij gewezen op specifieke kenmerken waaraan ze verdachte zeggen te herkennen. Daarmee kan worden vastgesteld dat verdachte de persoon is die op de beelden te zien is. Gelet op het korte tijdsbestek sinds de inbraak en de omstandigheid dat verdachte geen andere verklaring heeft gegeven hoe hij aan de pinpas is gekomen, kan daarom worden bewezen dat verdachte de woninginbraak heeft gepleegd. Daarbij geldt als ondersteunend bewijs dat bekend is dat hij vaker woninginbraken met behulp van ‘hengelen’ heeft gepleegd.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde geldt dat aangever [benadeelde 3] eerst een geluid hoorde dat hem deed denken aan het openbreken van een slot. Toen hij even later naar buiten keek, zag hij dat de fiets van zijn vriendin weg was. Hij zag een man, welke later verdachte blijkt te zijn, weglopen met de fiets. Verdachte ging er vervolgens vandoor en liet daarbij een ringsleutel vallen. Verdachte heeft verklaard dat hij dacht dat de fiets van [naam persoon 1] was, maar dat is volstrekt onaannemelijk aangezien de fiets van [naam persoon 1] er compleet anders uitzag. Pas op zitting heeft verdachte verklaard dat hij al eerder de fietstassen en het krat van de fiets van [naam persoon 1] zou hebben gehaald. Nu hij dit niet eerder heeft verklaard, is dat niet aannemelijk. Er kan dus ook worden bewezen dat verdachte de fiets heeft gestolen, nadat hij eerst het slot had open gebroken.

4.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten. De raadsman heeft daartoe, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd.

Het dossier bevat geen enkele aanwijzing dat verdachte bij de onder 1 ten laste gelegde diefstal is betrokken. Er zijn geen sporen van verdachte in de woning aangetroffen en er zijn geen gestolen goederen bij hem aangetroffen. De enige connectie die zou bestaan met het ten laste gelegde is de omstandigheid dat verdachte zou zijn herkend als de persoon die om 06:31 uur heeft geprobeerd te pinnen met één van de gestolen pinpassen. Hij is echter slechts herkend aan de hand van zwak individualiserende kenmerken en niet aan de hand van specifieke, onderscheidende persoonskenmerken. Deze zwak individualiserende kenmerken zijn onvoldoende betrouwbaar om het bewijs te leveren dat het inderdaad verdachte is geweest die heeft geprobeerd te pinnen. Daarbij geldt dat verdachte bekend staat als persoon die in het verleden veelvuldig in contact is geweest met de politie in verband met verdenking van woninginbraken en dat de verbalisanten dus onbewust kunnen zijn gestuurd in hun herkenning van verdachte. Nu de herkenningen niet betrouwbaar genoeg zijn, moet verdachte van het primair en subsidiair ten laste gelegde worden vrijgesproken.

Verdachte heeft ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde verklaard dat hij dacht dat hij de fiets van [naam persoon 1] , die hij had geleend, meenam. Weliswaar zaten er fietstassen en een krat op deze fiets, maar het is niet uit te sluiten dat verdachte die onderdelen al eerder van de fiets heeft gehaald. Bij verdachte is ook geen gereedschap aangetroffen waarmee hij het slot, dat open zou zijn gebroken, had kunnen openbreken. Hierdoor is niet uit te sluiten dat hij zich vergist heeft in de fiets en dus geen oogmerk had om deze wederrechtelijk weg te nemen. Verdachte moet daarom van dit feit worden vrijgesproken.

4.3.

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1.

Vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde

De rechtbank acht niet bewezen wat onder 1 primair en subsidiair is ten laste gelegd. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Uit de woning van aangeefster [benadeelde 1] zijn tussen 19 september 2015 om 23:30 uur en 20 september 2015 om 07:00 uur een groot aantal goederen gestolen. Vermoed wordt dat de dader zich hierbij toegang tot de woning heeft verschaft door middel van ‘hengelen’. Van de dader zijn echter geen sporen aangetroffen in de woning. De enige persoon die op grond van het dossier in connectie met de gestolen goederen kan worden gebracht, is een persoon die op 20 september 2015 om 06:31 uur heeft geprobeerd te pinnen met één van de weg genomen pinpassen. Deze persoon is op camerabeelden waargenomen en vervolgens door vijf verschillende verbalisanten herkend als verdachte. In beginsel is een herkenning door een verbalisant een bewijsmiddel dat zwaar weegt. Naar het oordeel van de rechtbank kan in de onderhavige zaak op grond van deze herkenningen echter met onvoldoende zekerheid worden vastgesteld dat de herkende persoon inderdaad verdachte was. De herkenningen zijn gebaseerd op drie (afdrukken van) stilstaande beelden van redelijk goede, maar niet zeer goede kwaliteit. De persoon op de beelden draagt een capuchon over zijn hoofd, een sjaal en een grote donkere zonnebril, zodat slechts een klein stuk van het voorhoofd en een gedeelte van de onderkant van zijn gezicht te zien is. Er zijn geen specifieke persoonskenmerken zoals littekens of moedervlekken zichtbaar. De herkenningen door de verbalisanten zijn daarom slechts gebaseerd op zwak individualiserende kenmerken zoals de vorm van het gezicht, de neus, de mond en huidplooien in het gezicht. De rechtbank concludeert dat het verdachte zeker zou kúnnen zijn, maar acht niet voldoende uitgesloten dat een andere persoon op de beelden te zien is, die veel op verdachte lijkt. Nu het dossier verder geen bewijs bevat in de richting van verdachte, zal verdachte daarom van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde worden vrijgesproken.

4.3.2.

Het oordeel over het onder 2 ten laste gelegde

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage gebezigde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte op 21 oktober 2015 een fiets, toebehorende aan de vriendin van [benadeelde 3] , heeft gestolen met behulp van verbreking. Uit de verklaring van [benadeelde 3] kan immers worden opgemaakt dat deze fiets met een slot aan een lantaarnpaal vast stond. Op een gegeven moment hoorde [benadeelde 3] echter een geluid dat hem deed denken aan het openbreken van een slot. Hij zag op dat moment buiten niets bijzonders, maar korte tijd later, toen hij opnieuw naar buiten keek, zag hij verdachte met de fiets weglopen. Op de grond lag het slot dat eerder nog om de fiets en de paal had gezeten.

De rechtbank acht uitgesloten dat een ander dan verdachte het slot heeft open gebroken en dat verdachte korte tijd later bij vergissing deze fiets heeft meegenomen, in de veronderstelling dat het de door hem geleende fiets was, zoals hij heeft verklaard. Om te beginnen ligt al niet voor de hand dat iemand een slot van een fiets openbreekt om vervolgens te vertrekken zonder die fiets mee te nemen. Bovendien leek de door verdachte meegenomen fiets absoluut niet op de geleende fiets van [naam persoon 1] . De verklaring die verdachte, voor het eerst ter terechtzitting, heeft afgelegd dat hij eerder het krat en de fietstassen van de fiets van [naam persoon 1] had afgehaald is niet geloofwaardig. Naast het feit dat de gestolen fiets niet leek op de fiets van [naam persoon 1] , stond hij ook op een andere plek dan de plek waar verdachte de fiets van [naam persoon 1] zelf had neergezet. Bovendien zijn er nog andere verschillen tussen de door verdachte meegenomen fiets en de fiets van [naam persoon 1] , waar bijvoorbeeld een roze fietsbel op zat. Een vergissing is dus om tal van redenen volstrekt ongeloofwaardig.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage vervatte bewijsmiddelen en de in rubriek 4.3.2. vervatte bewijsoverwegingen het onder 2 ten laste gelegde bewezen, te weten dat verdachte:

op 21 oktober 2015 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een zwarte damesfiets, toebehorende aan een ander dan aan verdachte, waarbij verdachte de weg te nemen fiets onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking van een slot van voornoemde damesfiets.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Plaatsing in een inrichting voor stelmatige daders

8.1.

De eis van de officier van justitie


De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD-maatregel) voor de duur van 2 (twee) jaren zal worden opgelegd. Zij heeft daartoe, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd.

Er is bij verdachte sprake van een groot aantal problemen. Hij is verslaafd, heeft een PTSS stoornis en een depressieve stoornis. Gelet op die omstandigheden en de strafbare feiten die hij blijft plegen, moet de ISD-maatregel opgelegd worden. Verdachte voldoet aan de wettelijke vereisten voor oplegging van die maatregel en oplegging is ook noodzakelijk om de veiligheid van personen te garanderen en verdachte te kunnen behandelen. Er is in het verleden vele malen geprobeerd om verdachte ambulant te behandelen. De opgelegde reclasseringstoezichten zijn echter vrijwel allemaal negatief geretourneerd en de behandelingen om van de drugs af te komen, zijn nooit geslaagd. De combinatie van middelengebruik, PTSS en psychische problematiek maakt het erg lastig om verdachte binnen een ambulant kader te behandelen. Binnen de ISD bestaat wel de mogelijkheid om hem te behandelen en te resocialiseren.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat –in geval van een verklaring voor enig feit– geen ISD-maatregel aan verdachte moet worden opgelegd. De raadsman heeft daartoe, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd.

Uit het dossier blijkt dat verdachte gemotiveerd is om een verandering in zijn leven te realiseren. Hij is echter bitter en vindt dat er in het verleden vrijwel alleen aan zijn verslaving is gewerkt en nooit aan de onderliggende psychische problematiek. De mogelijkheden om daaraan te werken buiten de ISD-maatregel zijn nog lang niet uitgeput.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van GGZ Inforsa JVz Amsterdam van 27 januari 2016, opgemaakt door [naam deskundige 1] . Dit rapport houdt – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende in:

De heer [verdachte] komt reeds langdurig en frequent met het strafrecht in aanraking. Het UJD laat een patroon zien van vermogenscriminaliteit, welke te relateren valt aan de ernstige harddrugsverslaving waar betrokkene aan lijdt. Mishandeling en misbruik in de jeugd van betrokkene heeft de grondslag gelegd voor deze harddrugsverslaving. Betrokkene is lijdend aan PTSS en heeft daaraan te relateren depressieve klachten. De ambulante begeleiding die betrokkene middels toezichten met meldplicht en behandelverplichtingen door de jaren heen opgelegd heeft gekregen, hebben niet tot het gewenste resultaat mogen leiden. De periode dat betrokkene opgenomen is geweest in de FPK Lentis doet vermoeden dat daarmee de juiste richting is gekozen. De behandeling zou echter veel langer moeten kunnen duren, zonder dat betrokkene zich daar aan kan onttrekken. Aansluitend een re-integratie traject buiten de agglomeratie Amsterdam lijkt eveneens aangewezen. (…)

Vraag is wat er met de heer [verdachte] moet gebeuren om te voorkomen dat betrokkene in de toekomst wederom vervalt in harddruggebruik en crimineel gedrag. Betrokkene valt binnen de Top600 aanpak van de gemeente Amsterdam. Inmiddels voldoet hij echter ook aan de harde en zachte criteria van de ISD-maatregel. Deze maatregel biedt mogelijkheden om een langdurig behandel- en resocialisatie traject te realiseren waarbij behandeling is gericht op enerzijds het druggebruik en anderzijds de onderliggende trauma’s die bijdragen aan het druggebruik van betrokkene. Voor een dergelijk behandeltraject mag gedacht worden aan een jarenlange behandeling en ondersteuning. In het gesprek met de heer [verdachte] kwam naar voren dat hij opnieuw een poging wil wagen om de voorwaarden te scheppen tot een leven zonder druggebruik en criminaliteit. De heer [verdachte] zegt dat hij daarvoor ook mee wil werken als hem de ISD-maatregel zou worden opgelegd. Inforsa GGZ reclassering zal daarom zoals boven beschreven adviseren.

Inschatting recidiverisico

Hoog.

Indien betrokkene niet langdurig wordt behandeld voor zijn harddrugsverslaving én de daaraan ten grondslag liggende problemen, zal hij blijven recidiveren.

Risico op onttrekken aan voorwaarden

Hoog.

Vrijwel alle aan betrokkene opgelegde toezichten zijn onvoldaan geretourneerd.

Geadviseerd wordt bij bewezenverklaring de ISD-maatregel op te leggen.

De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van de bewezen geachte feiten aan alle voorwaarden is voldaan die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht aan het opleggen van de ISD-maatregel stelt. Hiervoor is bewezen verklaard dat verdachte een misdrijf heeft begaan waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Uit het uittreksel justitiële documentatie van 22 oktober 2015 blijkt dat verdachte gedurende de vijf jaren voorafgaand aan het bewezen verklaarde meer dan driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf, terwijl het in dit vonnis bewezen verklaarde feit is begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen en er, zoals blijkt uit de hiervoor genoemde rapportage, ernstig rekening mede moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan. Verder eist de veiligheid van personen of goederen het opleggen van deze maatregel, gezien de ernst en het aantal door verdachte begane soortgelijke feiten.

De rechtbank is niet gebleken van redenen om de ISD-maatregel niet op te leggen. In het verleden is al meermalen geprobeerd om verdachte ambulant te behandelen. Dit heeft tot op heden echter nog geen succes gehad. Uit het rapport van de reclassering blijkt bovendien dat niet te verwachten is dat een nieuw toezicht, ondanks de gestelde motivatie van verdachte, succesvol zou zijn, nu alleen een langdurige behandeling waaraan verdachte zich niet kan onttrekken, kans van slagen kan hebben. De rechtbank ziet daarom geen andere mogelijkheid dan oplegging van de ISD-maatregel en zal daarom de officier van justitie op dit punt van de vordering volgen.

Om de beëindiging van de recidive van verdachte te bevorderen en het leveren van een bijdrage aan de oplossing van zijn problematiek alle kansen te geven en voorts ter optimale bescherming van de maatschappij, is het van groot belang dat voldoende tijd wordt genomen om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen. Daarom zal de rechtbank de maatregel voor de maximale termijn van twee jaren opleggen en de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht niet in mindering brengen op de duur van de maatregel.

9 De vordering van de benadeelde partij

Nu aan verdachte – zonder toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht – geen straf of maatregel is opgelegd ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde, op welk feit de vordering van benadeelde partij [benadeelde 1] ziet, is zij in de vordering niet-ontvankelijk.

10 Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich de op 28 oktober 2015 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam, in de zaak met parketnummer 13/665146-15, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 9 juli 2015 van de meervoudige kamer in het arrondissement Amsterdam, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 224 (tweehonderdvierentwintig) dagen, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot 150 (honderdvijftig) dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op 2 (twee) jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Tevens bevindt zich bij de stukken een akte waaruit blijkt dat de kennisgeving, bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering, aan verdachte is toegezonden.

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. Nu de rechtbank een onvoorwaardelijke ISD-maatregel aan verdachte zal opleggen, is er echter aanleiding om niet de tenuitvoerlegging van dat voorwaardelijke strafdeel te gelasten. De rechtbank zal de vordering tot tenuitvoerlegging daarom afwijzen.

11 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen 38m en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

12 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

 Legt op de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 (twee) jaren, zonder aftrek van de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht.

 Verklaart [benadeelde 1] niet-ontvankelijk in haar vordering.

 Wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 13/665146-15.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.A.E. Somsen, voorzitter,

mrs. F.W. Pieters en M.F. Ferdinandusse, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. Spliet, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 12 februari 2016.

Bijlage - De bewijsmiddelen

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:

1. Een proces-verbaal van aangifte van 22 oktober 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [naam verbalisant] p. 1 en 2).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [benadeelde 3] , zakelijk weergegeven:

Vandaag woensdag 21 oktober 2015 omstreeks 23:30 uur was ik thuis aan het werk. Ik was de administratie aan het doen toen ik een verdacht geluid hoorde. (…) Het geluid wat ik hoorde deed mij denken aan het openbreken van een slot. Toen ik door het raam keek, (…) zag ik in eerste instantie niets bijzonders. Ik ging verder met mijn administratie en bedacht wat ik zou doen als ik een fiets van een ander zou willen wegnemen. Ik zou dan eerst even wachten om zeker te weten dat ik niemand gealarmeerd had en daarna terugkomen. Ik ging opnieuw kijken. Ik zag dat daar waar er eerst 2 fietsen stonden er nu nog maar 1 stond. De fiets van mijn vriendin en die van mij staan samen tegen dezelfde lantaarnpaal. Ik zag dat de fiets, waarop mijn vriendin rijdt, weg was. Ik zag op de grond het slot waarmee de fiets om de paal vast zat. Ik keek naar rechts. Ik zag dat een man de fiets van mijn vriendin in zijn linkerhand had. Ik zag dat hij richting [straat 1] liep. (…)

Ik ben op mijn blote voeten naar buiten gegaan. (…) Ik liep in de richting van de [straat 1] . Op de hoek van de [straat 2] zag ik de man staan waarop ik hem staande hield. (…) Ik zag een politiebus de straat in komen rijden en vervolgens, ondanks mijn wenken en fluiten, weer een andere straat inrijden. Daarop liet de man mijn fiets vallen en zette het op een lopen. Ik rende achter hem aan. Een paar straten verderop gaf de man het op. Ik weet niet welke straat ik hem uiteindelijk te pakken had. Ik hoorde een metaal op de grond vallen. Later zag ik dat het een steeksleutel was. (…) Op dat moment zag ik een politieauto aan komen rijden. De politieagent heeft de man aangehouden.

2. Een proces-verbaal van bevindingen van 22 oktober 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [naam verbalisant] (p. 7).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde verbalisant, zakelijk weergegeven:

Op woensdag 21 oktober 2015, omstreeks 23:25 uur bevond ik mij op de openbare weg [straat 3] te Amsterdam. (…) Ter hoogte van perceel [perceelnummer] zag ik dat twee manspersonen een derde manspersoon vast hielden. Later bleek dit te gaan om een mogelijke fietsendief. Dit bleek te zijn: [verdachte] , [verdachte] . De aangever welke later ook de benadeelde bleek te zijn was genaamd: [benadeelde 3] , [benadeelde 3] .