Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:970

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
01-03-2016
Datum publicatie
25-03-2016
Zaaknummer
AMS 15/2520
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het invoeren van betaald parkeren in het gebied bij de NDSM-werf in Amsterdam Noord kan de exceptieve toets doorstaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2018/329 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 15/2518 en AMS 15/2520

uitspraak van de meervoudige kamer van 1 maart 2016 in de zaken tussen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [bedrijf] Verhuis- en Transportbedrijf B.V., te Amsterdam, eiseres 1,

[naam] , handelend onder de naam [naam bedrijf] , te Amsterdam, eiseres 2,

gezamenlijk: eiseressen

(gemachtigde: mr. M.R. Plug),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: D.R. de Vries).

Procesverloop

Bij besluit van 8 april 2014 respectievelijk 22 april 2014 (de primaire besluiten) heeft verweerder aan eiseressen een bedrijfsparkeervergunning verleend.

Bij afzonderlijke besluiten van 9 maart 2015 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de bezwaren van eiseressen tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard.

Eiseressen hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.

Verweerder heeft afzonderlijke verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 januari 2016. Eiseres 1 is vertegenwoordigd door [betrokkene] en wordt bijgestaan door haar gemachtigde. Eiseres 2 is vertegenwoordigd door haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Tevens is verschenen [belanghebbende] , [functie] van de Vereniging van Bedrijven in Amsterdam Noord (VEBAN).

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Met de Verordening Parkeerbelastingen 1991 (Gemeenteblad 1991, afd. 3, volgnr. 63) is voor het gehele grondgebied van Amsterdam het fiscale parkeerregime ingevoerd. Dit betekent dat de bevoegdheid werd gecreëerd om belasting te kunnen heffen voor parkeren op een door verweerder te bepalen plaats, tijd en wijze (de zogenoemde a‑belasting) dan wel voor een vergunning voor parkeren op die vergunning aangewezen plaats en tijd (de zogenoemde b-belasting). Om het fiscale parkeerregime in een bepaald gebied daadwerkelijk in te voeren, geeft de Verordening Parkeerbelastingen aan verweerder de opdracht om de plaats, tijdstip en wijze te bepalen, waarop geparkeerd mag worden tegen betaling van de a‑belasting.

Naast de Verordening Parkeerbelastingen bestaat voorts de Parkeerverordening 2013 (Gemeenteblad 2013, afd. 3A, nr. 254/1131). In deze verordening zijn de kaders voor het parkeerbeleid gegeven, met name voor de b-belasting, zoals de verschillende soorten parkeervergunningen. Uit artikel 4 van deze verordening volgt dat het college nadere regels kan vaststellen aangaande de indeling van vergunninggebieden en de grenzen daarvan.

1.2.

Alvorens in het gebied bij de NDSM-werf in Amsterdam Noord parkeerbelasting te heffen, heeft verweerder een buurtbijeenkomst gehouden en een onderzoek laten uitvoeren door adviesbureau Goudappel Coffeng, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in het rapport “Parkeren in Amsterdam-Noord, stand van zaken 2012” van 31 juli 2012. De conclusies van de buurtbijeenkomst en het onderzoek van Goudappel Coffeng zijn verwerkt in de Nota Actualisering parkeerbeleid stadsdeel Noord, gemeente Amsterdam 2013-2017 (hierna: de Nota).

1.3.

Eiseres 1 is gevestigd op het adres [straatnaam] te Amsterdam. Eiseres 2 is gevestigd op het adres [straatnaam] te Amsterdam. Beide adressen bevinden zich op de NDSM-werf in Amsterdam Noord.

1.4.

Eiseressen hebben aanvragen ingediend voor een bedrijfsparkeervergunning. Naar aanleiding daarvan zijn aan eiseressen bij de primaire besluiten bedrijfsparkeervergunningen verleend. Daarbij is vermeld dat deze vergunningen gelden voor het vergunninggebied [wijk] NDSM-werf. Eiseressen hebben tegen de primaire besluiten bezwaar gemaakt.

1.5.

Op 23 april 2014 is het Uitwerkingsbesluit Parkeerverordening stadsdeel Noord (hierna: het Uitwerkingsbesluit) 2014 in werking getreden. Dit besluit is op 4 maart 2014 door het Dagelijks Bestuur van het Staddeel Noord vastgesteld. Met dit besluit zijn nadere regels vastgesteld, aangaande de indeling van de vergunninggebieden. Op grond van artikel 2, aanhef en onder d, van het Uitwerkingsbesluit 2014 bestaat in het stadsdeel het Vergunninggebied [wijk] .

1.6.

Op 1 mei 2014 is het Uitvoerings- en Aanwijzingsbesluit op grond van de Verordening Parkeerbelastingen 2014 en Parkeerverordening 2013 van 17 december 2013 (hierna: het Aanwijzingsbesluit) in werking getreden. Met dit besluit heeft verweerder invulling gegeven aan de hiervoor in overweging 1.1. genoemde opdracht.

Uit de bijlage bij het Aanwijzingsbesluit blijkt dat de vestigingsadressen van eiseressen in tariefgebied [wijk] vallen.

2.1.

Bij de bestreden besluiten heeft verweerder de bezwaren tegen de primaire besluiten, onder verwijzing naar de adviezen van de bezwaarschriftencommissie van 26 februari 2015, ongegrond verklaard.

2.2.

Hiertegen hebben eiseressen gemotiveerd beroep ingesteld.

3. De rechtbank gaat uit van het volgende juridische kader.

3.1.

Op grond van artikel 225, eerste lid, van de Gemeentewet kunnen in het kader van de parkeerregulering de volgende belastingen worden geheven:

a. een belasting ter zake van het parkeren van een voertuig op een bij de belastingverordening dan wel krachtens de belastingverordening in de daarin aangewezen gevallen door het college te bepalen plaats, tijdstip en wijze (rechtbank: de hiervoor genoemde a‑belasting);

b. een belasting ter zake van een van gemeentewege verleende vergunning voor het parkeren van een voertuig op de in die vergunning aangegeven plaats en wijze (rechtbank: de hiervoor genoemde b‑belasting).

3.2.

De Verordening Parkeerbelastingen 2014, die ten tijde van de primaire besluiten gold, is ten tijde van de bestreden besluiten vervangen door de Verordening Parkeerbelastingen 2015. De in dit geschil relevante bepalingen zijn ongewijzigd gebleven.

3.2.1.

Op grond van artikel 1 van de Verordening Parkeerbelastingen 2015 wordt onder de naam van parkeerbelastingen de volgende belastingen geheven:

a. een belasting ter zake van het parkeren van een voertuig op een bij dan wel krachtens deze verordening in de daarin aangewezen gevallen door het college van burgemeester en wethouders te bepalen plaats, tijdstip en wijze;

b. een belasting ter zake van een van gemeentewege verleende vergunning voor het parkeren van een voertuig op de in die vergunning aangegeven plaats en wijze.

3.2.2.

Op grond van artikel 2, onder f, van de Verordening Parkeerbelastingen 2015 wordt voor de toepassing van deze verordening verstaan onder vergunning: een van gemeentewege verleende vergunning voor het parkeren (parkeervergunning) zoals geregeld en beschreven in de Parkeerverordening 2013.

3.2.3.

Op grond van artikel 3, vierde lid, van de Verordening Parkeerbelastingen 2015 wordt de belasting, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, geheven van degene aan wie de vergunning is verleend. De belastingplicht van de belasting, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, sluit de belastingplicht van de belasting, bedoeld in artikel 1, onderdeel a, uit voor de in de vergunning aangegeven wijze en plaats met uitzondering van gebieden waar en voor zover een parkeerduurbeperking geldt. Deze uitsluiting geldt uitsluitend ter zake van het kenteken waarvoor de vergunning is verleend.

3.2.4.

Op grond van artikel 7 van de Verordening Parkeerbelastingen 2015 geschiedt de aanwijzing van de plaats waar en het tijdstip en de wijze waarop tegen betaling van de belasting, bedoeld in artikel 1, onderdeel a, mag worden geparkeerd, in alle gevallen bij besluit van het college van burgemeester en wethouders, gehoord de stadsdelen. Dit is het Aanwijzingsbesluit.

3.3.

Op grond van artikel I van het Aanwijzingsbesluit – voor zover van belang – mag alleen tegen voldoening van de belasting als vermeld in artikel 1, onder a, van de Verordening Parkeerbelastingen 2014, geparkeerd worden op in de tariefgebieden zoals omschreven in de bij de tarieventabel 2014 behorende bij de Verordening Parkeerbelastingen 2014.

3.3.1.

Artikel XII van het Aanwijzingsbesluit bepaalt dat ter nadere bepaling van de plaats en het tijdstip van parkeren, als bedoeld in artikel 1, onder a van de Verordening Parkeerbelastingen 2014, bij dit besluit tevens de in de bijlage opgenomen stratentabel vastgesteld wordt.

3.4.

In de tarieventabel 2014 behorende bij de Verordening Parkeerbelastingen 2014, onveranderd gebleven bij de Verordening Parkeerbelastingen 2015, is het gebied bij de NDSM-werf in Amsterdam Noord opgenomen als tariefgebied. Dit gebied is gelijk aan het [wijk]

3.5.

Op grond van artikel 1, aanhef en onder hh, van de Parkeerverordening 2013 (versie januari 2014) wordt in die verordening en de daarop berustende bepalingen verstaan onder tariefgebied: gebied waar krachtens de vigerende Verordening Parkeerbelastingen voor het parkeren van een voertuig parkeerbelasting wordt geheven.

3.5.1.

Op grond van artikel 1, aanhef en onder ll, van de Parkeerverordening 2013 – voor zover van belang – wordt in die verordening en de daarop berustende bepalingen verstaan onder vergunninggebied: gebied waarbinnen parkeervergunningen kunnen worden verleend indien en voor zover in dat gebied voor parkeren parkeerbelasting wordt geheven.

3.5.2.

Op grond van artikel 4, eerste lid, onder a, van de Parkeerverordening 2013, kan het college regels vaststellen aangaande de indeling in vergunninggebieden en de grenzen daarvan. Het Uitwerkingsbesluit 2014 bevat deze regels voor het gebied van het stadsdeel Noord.

3.5.3.

Uit artikel 2, aanhef en onder d, van het Uitwerkingsbesluit 2014 volgt dat in het stadsdeel het [wijk] bestaat. Volgens de artikelsgewijze toelichting bij dit artikel zijn de vergunninggebieden de gebieden waar op basis van de Verordening Parkeerbelastingen, betaald parkeren van kracht is.

4. De rechtbank is als volgt van oordeel.

Procesbelang

4.1.

De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of eiseressen voldoende procesbelang hebben bij een beoordeling van hun beroep. Voor het antwoord op deze vraag is volgens vaste rechtspraak bepalend of het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift nastreeft ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijke betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van procesbelang.

4.1.1.

Verweerder betwist dat eiseressen procesbelang hebben en heeft zich hiertoe op het standpunt gesteld dat de door eiseressen aangevraagde bedrijfsparkeervergunningen zijn verleend. Verder hebben eiseressen geen procesbelang omdat – indien het Uitwerkingsbesluit onverbindend wordt verklaard – er evengoed a-belasting dient te worden betaald. De invoering van het betaald parkeren vindt immers zijn grondslag in de (ten tijde van het primaire besluit geldende) Verordening Parkeerbelastingen 2014 en het daarbij behorende Aanwijzingsbesluit, aldus verweerder.

4.1.2.

Anders dan verweerder is de rechtbank van oordeel dat eiseressen belang hebben bij de beoordeling van hun beroepen. Dit belang is gelegen in het feit dat eiseressen zich keren tegen het heffen van parkeerbelasting op de NDSM-werf. Zoals eiseressen ter zitting hebben toegelicht, ageren zij zowel tegen de invoering van de a- als tegen de invoering van de b-belasting. Daarnaast wensen zij niet te worden beperkt in het aantal voertuigen dat zij middels een bedrijfsparkeervergunning kunnen parkeren bij hun vestigingsadres. Zij kunnen namelijk nu slechts één bedrijfsparkeervergunning per tien werknemers krijgen. Dat eiseressen zelf een aanvraag voor parkeervergunning hebben ingediend, om een appellabel besluit hierover te krijgen, maakt niet dat zij het invoeren van betaald parkeren niet meer kunnen bestrijden.

Bevoegdheid vergunningverlening

Exceptieve toets

4.2.

Eiseressen hebben in beroep gesteld dat verweerder niet bevoegd was om de bedrijfsparkeervergunningen te verlenen. Daartoe hebben eiseressen zich allereerst op het standpunt gesteld dat aan artikel 2 van het Uitwerkingsbesluit verbindende kracht dient te worden ontzegd, door middel van de zogenoemde exceptieve toetsing. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat als het Uitwerkingsbesluit onverbindend zou worden verklaard, eiseressen alsnog a-belasting verschuldigd zouden zijn, omdat het Aanwijzingsbesluit nog steeds van kracht is. Hierna hebben eiseressen de rechtbank ter zitting verzocht de exceptieve toetst te laten uitstrekken over zowel het Uitwerkingsbesluit als het Aanwijzingsbesluit, dat wil zeggen zowel tegen het invoeren van a- als b-belasting op de NDSM-werf. Voor zover de rechtbank van oordeel is dat eiseressen in het beroepschrift slechts hebben verzocht om aan het Uitwerkingsbesluit verbindende kracht te ontzeggen en niet tevens de regelgeving, op grond waarvan de a-belastingen zijn ingevoerd, dan trekken eiseressen hun beroepsgrond in zoverre in, aldus eiseressen.

De rechtbank begrijpt de beroepsgrond van eiseressen zo dat gevraagd wordt de invoering van de parkeerbelasting in op de NDSM-werf te beoordelen, maar geen situatie te creëren waarbij de invoering van b-belasting onverbindend wordt verklaard terwijl a-belasting verschuldigd zou blijven. Uit de systematiek van de regelgeving volgt dat pas een vergunninggebied voor het heffen van b-belasting kan bestaan indien een gebied is aangewezen middels het Aanwijzingsbesluit als een gebied waarin a-belasting dient te worden betaald. Dat betekent dat de beroepsgrond van eiseressen zo moet worden uitgelegd dat alleen gevraagd wordt of het Aanwijzingsbesluit de exceptieve rechterlijke toets kan doorstaan. Indien immers het Aanwijzingsbesluit die toets kan doorstaan – zodat a-belasting mag worden geheven – en het Uitwerkingsbesluit niet, ontstaat de voornoemde voor eiseressen ongewenste situatie. De rechtbank beschouwd hiermee de beroepsgrond, voor zover die gericht was tegen het Uitwerkingsbesluit, als ingetrokken.

4.2.1.

De rechtbank stelt vast dat het Aanwijzingsbesluit een algemeen verbindend voorschrift is. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) – zie bij wijze van voorbeeld de uitspraak van 8 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2162 – kan aan een dergelijk voorschrift verbindende kracht worden ontzegd, indien het in strijd is met een hoger wettelijk voorschrift of met een algemeen rechtsbeginsel. Het is aan het regelgevend bevoegd gezag alle verschillende belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van een algemeen verbindend voorschrift tegen elkaar af te wegen. De rechter heeft bij de toetsing daarvan niet tot taak om de waarde of het maatschappelijk gewicht, dat aan de betrokken belangen moet worden toegekend, naar eigen inzicht vast te stellen en heeft ook overigens daarbij terughoudendheid te betrachten (vergelijk ook het arrest van de Hoge Raad van 16 mei 1986; NJ 1987, 251).

4.2.2.

Uit wat onder 4.2 is overwogen, volgt dat eiseressen wensen dat de artikelen I en XII van het Aanwijzingsbesluit onverbindend worden verklaard. Eiseressen stellen dat sprake is van strijd met het parkeerbeleid, zoals neergelegd in de Nota. Uit het onderzoek van Goudappel Coffeng blijkt dat er gemiddeld sprake is van een parkeerdruk van 65%. Het invoeren van een betaald parkeerregime is dan ook beleidsmatig ongewenst en overbodig. Bovendien heeft een blauwe zone de voorkeur boven een betaald parkeerregime. Voorts blijkt uit een door eiseressen overgelegde ‘second opinion’ van ir. Stienstra van oktober 2014 onder andere dat het voorstel tot het invoeren van betaald parkeren uiterst karig is voorbereid en dat de opbrengsten van het betaald parkeerregime te hoog en de kosten te laag zijn ingeschat. Er is volgens eiseressen verder sprake van strijd met het verbod van willekeur omdat een verlieslijdende parkeermaatregel in stand wordt gehouden met als enige reden dat de ondernemers niet bereid zijn de schade op zich te nemen. Ook is sprake van misbruik van bevoegdheid omdat de keuze om deze parkeermaatregelen te nemen uitsluitend is ingegeven door financiële motieven in plaats van het verbeteren van de parkeersituatie op de NDSM-werf. In afwijking van het in de Nota neergelegde parkeerbeleid is de NDSM-werf echter wel als vergunninggebied aangewezen. Deze afwijking is in strijd met het zorgvuldigheidbeginsel, het beginsel van evenredige belangenafweging en het beginsel van een deugdelijke motivering, aldus eiseressen.

4.2.3.

De rechtbank stelt vast dat blijkens de Nota er een evaluatie heeft plaatsgevonden omtrent de parkeerontwikkelingen onder andere op de NDSM-werf. De evaluatie heeft in twee fasen plaatsgevonden, namelijk de onderzoeksfase door het adviesbureau Goudappel Coffeng en een discussiefase onder andere bestaande uit buurtbijeenkomsten. De Nota is het resultaat van de evaluatie. Met betrekking tot de NDSM-werf is daarin het volgende vermeld. De voormalige scheepswerf wordt massaal als Park & Ride locatie gebruikt. Veel van de beschikbare ruimte voor het stallen van auto’s van niet gebiedgerelateerde bezoekers wordt hierdoor gebruikt. Hoewel een meting aangeeft dat op de totale werf de parkeerdruk ruim onder de 90% blijft, is er reden tot het instellen van een parkeerregime. Enkele bedrijven hebben tijdelijk exclusieve parkeerplaatsen totdat de geplande parkeergarages worden ontwikkeld. Bedrijven die dat niet hebben en in de nabijheid van de pontaanlanding zijn gevestigd ondervinden dagelijks grote hinder van het oneigenlijk parkeergedrag. Op de buurtbijeenkomst in december 2011 werd dan ook door verschillende bedrijven verzocht om het invoeren van een parkeerregime, waarbij geen duidelijke voorkeur is uitgesproken voor een blauwe zone of betaald parkeren. Uit de Nota blijkt verder dat het mogelijk lijkt op de NDSM-werf het probleem van ongewenst (lang)parkeren door niet gebied gerelateerde gebruikers met de invoering van een blauwe zone met een beperkte tijdsduur op te lossen. Dit heeft alleen succes indien er intensief gehandhaafd wordt. Intensieve handhaving leidt tot het (gewenste) parkeergedrag waardoor weinig boetes zullen worden uitgedeeld. Hierdoor zullen tegenover de kosten van de blauwe zone weinig inkomsten staan. Daarbij is het de vraag, zo vermeldt de Nota, of het Rijk een deel van de inkomsten uit de boetes ook in de toekomst aan de gemeente blijft afdragen. Als deze afdracht stopt of substantieel minder wordt, dan is het perspectief dat een blauwe zone op de NDSM-werf niet kostendekkend zal zijn maar het stadsdeel uiteindelijk wellicht een forse rekening oplevert. In de afweging tussen het invoeren van een blauwe zone of betaald parkeren is – zo staat in de Nota – ook onder ogen gezien dat de bezoekers die op de NDSM-werf lang parkeren voornamelijk van buiten Amsterdam Noord komen. Noorderlingen worden dus nauwelijks getroffen door het instellen van betaald parkeren op de werf. Het instellen van betaald parkerenop de NDSM-werf is volgens de Nota in eerste instantie bedoeld om het lang parkeren tegen te gaan, niet om bewoners en ondernemers onnodig op kosten te jagen. Een voordeel van het betaald parkeren op de NDSM-werf is dat het inkomsten genereert voor het stadsdeel. Deze inkomsten komen ten gunste van het Parkeerfonds, waardoor geld beschikbaar is voor maatregelen om (parkeer-)problemen elders in Noord op te lossen, volgens de Nota.

4.2.4.

Niet in geschil is dat sprake is van een parkeerprobleem bij de pontaanlanding. De rechtbank begrijpt dat eiseressen vraagtekens hebben bij het invoeren van de parkeermaatregel, aangezien niet is voldaan aan de norm van 90% die volgens het beleid wordt gehanteerd en omdat financiële belangen van het invoeren van de parkeermaatregel een grote rol blijken te hebben gespeeld. De rechtbank is echter, terughoudend toetsend, van oordeel dat niet gezegd kan worden dat het invoeren van het betaald parkeerregime uitsluitend is ingegeven door het financiële belang, nu – zoals verweerder ook ter zitting heeft toegelicht – uit de Nota blijkt dat de wens om een betaald parkeerregime in te voeren ook gelegen is in de wens om de parkeerproblematiek rondom de pontaanlanding aan te pakken. Nu niet geconcludeerd kan worden dat het financiële belang het enige belang is geweest om tot invoeren van het betaald parkeerregime over te gaan, kan niet worden geoordeeld dat dat sprake is van misbruik van bevoegdheid dan wel van strijd met het verbod op willekeur.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat niet gezegd kan worden dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij is overgegaan tot het invoeren van een betaald parkeerregime. Uit de Nota komt immers voldoende duidelijk naar voren waarom hiervoor gekozen is, namelijk omdat bedrijven die niet beschikken over exclusieve parkeerplaatsen en in de nabijheid van de pontaanlanding gevestigd zijn, hinder ondervinden van de auto’s die aldaar geparkeerd zijn. Zoals verweerder onbestreden ter zitting nader heeft gemotiveerd, zijn deze exclusieve parkeerplaatsen wel meegenomen bij het meten van de parkeerdruk, waardoor het percentage lager uitkomt. Hoewel de keuze van verweerder niet in het voordeel van eiseressen uitvalt, kan niet worden gezegd dat er strijd is met het motiveringsbeginsel.

De rechtbank ziet verder geen grond voor het oordeel dat sprake is van strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. De rechtbank overweegt hiertoe dat verweerder onderzoek naar de parkeerdrukte heeft laten uitvoeren door adviesbureau Goudappel Coffeng en zijn besluit tot invoeren van het betaald parkeerregime hierop heeft gebaseerd. De rechtbank komt niet tot de conclusie dat het advies van Goudappel Coffeng op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen, feitelijke onjuistheden bevat of ondeugdelijk is gemotiveerd. Verweerder mocht zich op dit advies baseren. De rechtbank overweegt hierbij dat in het advies van Goudappel Coffeng weliswaar voornamelijk op de financiële belangen is ingegaan, maar dat andere belangen, zoals de parkeerdrukte, ook een rol hebben gespeeld. Naar het oordeel van de rechtbank bevat de ‘second opinion’ van ir. Stienstra onvoldoende aanknopingspunten om anders te concluderen over van het advies van Goudappel Coffeng. Verweerder had hierin dan ook geen aanleiding hoeven te zien om een nader advies uit te laten brengen.

4.2.5.

Gezien het voorgaande is de rechtbank niet gebleken van strijdigheid van het Aanwijzingsbesluit met een algemeen rechtsbeginsel. Evenmin is gebleken dat sprake is van strijd met een hoger wettelijk voorschrift. Het beroep van eiseressen op onverbindendheid van het Aanwijzingsbesluit slaagt dan ook niet.

Aanwijzing [wijk]

4.3.

Eiseressen hebben zich voorts op het standpunt gesteld dat verweerder niet bevoegd was om de bedrijfsparkeervergunningen te verlenen, omdat op het moment van vergunningverlening de NDSM-werf nog niet was aangewezen als vergunninggebied. Verweerder heeft dan ook ten onrechte bedrijfsparkeervergunningen verleend. Ter zitting hebben eiseressen dat standpunt aangepast in die zin dat verweerder niet eerder de vergunningen kon verlenen dan per 9 maart 2015, de datum van de bestreden besluiten.

4.3.1.

De rechtbank stelt vast het Uitwerkingsbesluit 2014, waarin is bepaald dat het [wijk] bestaat, op 23 april 2014 in werking is getreden. Op 1 mei 2014 is het Aanwijzingsbesluit in werking getreden, op grond waarvan in het tariefgebied waar de adressen van eiseressen liggen a-belasting dient te worden betaald. Gezien de systematiek van de regelgeving, namelijk dat pas een vergunning kan worden verleend indien een gebied is aangewezen als een gebied waarin a-belasting dient te worden betaald, kon verweerder niet eerder dan 1 mei 2014 aan eiseressen een vergunning verlenen. Hieruit volgt dat verweerder de primaire besluiten onbevoegd heeft genomen. Verweerder heeft dit echter niet opgemerkt bij de heroverweging in bezwaar en heeft nagelaten dit gebrek bij de bestreden besluiten te herstellen. De bestreden besluiten zijn naar het oordeel van de rechtbank om die reden niet zorgvuldig voorbereid. Verweerder heeft dit gebrek ter zitting erkend en zich op het standpunt gesteld dat de gevraagde vergunningen niet eerder dan per 1 mei 2014 hadden kunnen worden verleend. Verweerder heeft voorgesteld dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te passeren. De rechtbank ziet hiertoe geen aanleiding, onder meer omdat eiseressen door de onzorgvuldige voorbereiding van de bestreden besluiten (financieel) zijn benadeeld. Zij hebben immers ten onrechte per datum van de primaire besluiten de kosten voor de parkeervergunningen betaald, terwijl zij deze kosten pas per 1 mei 2014 hadden mogen maken.

4.3.2.

Gelet op het voorgaande zijn de beroepen gegrond. De bestreden besluiten worden vernietigd wegens strijd met het artikel 3:2 van de Awb. De rechtbank ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien door de primaire besluiten te herroepen en te bepalen dat de aangevraagde bedrijfsparkeervergunningen met ingang van 1 mei 2014 worden verleend. De rechtbank bepaalt verder dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde bestreden besluiten.

Conclusie

5. Omdat de rechtbank de beroepen gegrond verklaart, ziet de rechtbank aanleiding om te bepalen dat verweerder de door eiseressen betaalde griffierechten aan elk van hen vergoedt.

6. De rechtbank veroordeelt verweerder tot slot in de door eiseressen gemaakte proceskosten. Ten aanzien van de op de zitting gevoegd behandelde zaken is sprake van samenhangende zaken in de zin van artikel 3, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bbp). Dit heeft tot gevolg dat deze zaken ten aanzien van de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand moeten worden beschouwd als één zaak. De rechtbank verwijst naar het bepaalde in de artikel 3, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van het Bbp. De rechtbank stelt de proceskosten vast op € 1.984,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 496,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen gegrond;

  • -

    vernietigt de bestreden besluiten;

  • -

    herroept de primaire besluiten en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde bestreden besluiten;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 331,- aan eiseres 1 te vergoeden;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 167,- aan eiseres 2 te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseressen tot een bedrag van in totaal € 1.984,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Otten, voorzitter, en mr. E. de Rooij en mr. A.D. Belcheva, leden, in aanwezigheid van mr. C.A.R. Bleijendaal, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 maart 2016.

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.