Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:9683

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
21-12-2016
Datum publicatie
12-04-2017
Zaaknummer
HA RK 16-405
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Verzoek toegewezen. Een verdachte heeft het recht om het laatste woord te voeren. Dit recht is fundamenteel, maar niet onbeperkt. De rechter kan volgens jurisprudentie van de Hoge Raad ingrijpen als een verdachte bij het uitspreken van het laatste woord nodeloos in herhaling valt en herhaalt wat ter zitting al is besproken of zaken naar voren brengt die niet dienstig zijn aan de strafzaak. In het onderhavige geval heeft verzoekster tijdens de behandeling van de strafzaak slechts gesproken tijdens het laatste woord. De tekst die verzoekster heeft kunnen uitspreken bevindt zich bij de stukken. Zakelijk weergegeven geeft verzoekster hierin haar visie op een deel van het vreemdelingenbeleid en trekt zij een vergelijking met het feit dat haar in de strafzaak wordt verweten. Dat verzoekster tijdens het uitspreken van het laatste woord heeft herhaald wat ter zitting al aan de orde is geweest is de wrakingskamer uit het proces-verbaal en de daarbij gevoegde pleitnota van haar raadsman niet gebleken. Hetgeen verzoekster naar voren heeft gebracht kan voorts naar het oordeel van de wrakingskamer niet evident als niet ter zake dienend of zonder meer als niet relevant voor de strafzaak van verzoekster worden beschouwd. Dat verzoekster nodeloos in herhaling is gevallen is de wrakingskamer uit het dossier evenmin gebleken. Ook is niet gebleken dat aan verzoekster kenbaar is gemaakt dat haar motieven de rechter duidelijk waren.

Onder deze omstandigheden is de wrakingskamer van oordeel dat de beslissing van de rechter om verzoekster te beperken in haar laatste woord, bij verzoekster de objectief gerechtvaardigde vrees heeft kunnen laten ontstaan dat de rechterlijke partijdigheid schade zou kunnen lijden. Hieraan draagt in het bijzonder ook bij hetgeen de rechter bij aanvang van het laatste woord heeft kenbaar gemaakt. De rechter kon daardoor immers de indruk wekken dat zij op voorhand de motieven van verzoekster voor de beoordeling van de zaak niet van belang achtte. De wrakingskamer benadrukt daarbij dat overigens niet is gebleken dat de rechter jegens verzoekster ook vooringenomen is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2017/153
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Wrakingskamer

Beslissing op het op 4 november 2016 gedane en onder rekestnummer HA RK 16-405 ingeschreven verzoek van

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster,

raadsman mr. W.K. Jebbink.

welk verzoek strekt tot wraking van mr. Y. Cenik. politierechter, hierna: de rechter.

Verloop van de procedure

De wrakingskamer heeft kennisgenomen van de navolgende stukken:

 proces-verbaal van 4 november 2016 van de zitting bij de politierechter vanwege de strafzaak tegen verzoekster, met daarin opgenomen liet wrakingsverzoek, waaraan zijn gehecht de pleitnota van int. Jebbink voor de zitting bij de politierechter en het voorgedragen deel van liet opschrift gestelde laatste woord van verzoekster;

 proces-verbaal van 4november2016 van de zitting bij de politierechter vanwege de strafzaak tegen een medeverdachte van verzoekster:

 brief van mr. Jebbink van 23 november 2016 naar aanleiding van de processenverbaal van 4 november 2016;

 herstelprocessen-verbaal van 30 november 2016 in beide zaken;

 de reactie van de rechter op liet wrakingsverzoek;

 de reactie van de officier van justitie mr. F.W.M. van Straelen op het wrakingsverzoek namens het Openbaar Ministerie;

 de op 16 november 2016 door mr. Jebbink namens verzoekster bij de rechtbank ingediende klacht tegen de rechter.

De rechter heeft medegedeeld niet in de wraking te berusten.

Het verzoek is behandeld ter openbare terechtzitting van 7 december 2016. Verzoekster is verschenen, vergezeld door haar raadsman. De rechter en de officier van justitie zijn – met voorafgaand bericht - niet verschenen. De raadsman van verzoekster heeft het verzoek toegelicht aan de hand van een pleitnota.

1. De feiten

1.1. Verzoekster is verdachte in een strafzaak, geregistreerd onder nummer 13.06377 1-16. Verzoekster wordt verdacht van lokaalvredebreuk in de RAI te Amsterdam. Zij was daar aan het flyeren bij een stand van een bouwbedrijf dat betrokken is bij de bouw van een detentie instelling op het terrein van “kamp Zeist” met daarin “gezinsvoorzieningen voor uitgeprocedeerde vluchtelingen”. De rechter is belast met de behandeling van de strafzaak.

1.2. De strafzaak tegen de medeverdachte is op 4 november 2016 gelijktijdig maar niet gevoegd behandeld met de strafzaak tegen verzoekster. Uit het bij de stukken gevoegde proces verbaal van de zaak tegen de medeverdachte blijkt dat de politierechter de medeverdachte tijdens haar laatste woord heeft voorgehouden: “de bedoeling van het laatste woord is niet dat u een betoog houdt over Kamp Zeist. vluchtelingen en andere problematiek en wat uw visie daarop is. Ik verzoek u het kort te houden. Uw laatste woord dient betrekking te hebben op de zaak, op hetgeen aan u is ten laste gelegd”.

1. Verzoekster heeft zich tijdens de behandeling van haar zaak beroepen op haar

zwijgrecht. Aan het begin van de zitting heeft verzoekster te kennen gegeven dat zij wel gebruik wil maken van het laatste woord.

1. In het proces-verbaal van de behandeling van de strafzaak van verzoekster is onder meer het volgende vermeld:

“[...]

De politierechter deelt mee dat voor de verdachte hetzelfde geldt als voor de medeverdachte. De politierechter verzoekt de verdachte haar laatste woord te beperken tot hetgeen betrekking heeft op de zaak.

De verdachte verklaart in haar laatste woord onder meer:

Een rechter heeft mij al eerder onderbroken. Als u mij niet laat praten dan wraak ik u. (...)

De politierechter voert het woord: Wat u zegt lijkt op chantage: als ik u niet laat uitpraten dreigt u mij te wraken. Ik laat mij niet chanteren. t...) U krijgt gelegenheid om het laatste woord te houden, maar ik verzoek u het kort te houden. De bedoeling van het laatste woord is niet om een lang algemeen betoog te houden over uitgeprocedeerde vluchtelingen in Kamp Zeist, andere problematiek en wat uw visie daarop is. Het is de bedoeling dat het laatste woord betrekking heeft op de zaak, op hetgeen aan u is tenlastegelegd.

[...]“

1.5. Tijdens het uitspreken van het door verzoekster op schrift gestelde laatste woord heeft de rechter verzoekster onderbroken en haar medegedeeld het laatste woord kort te houden en dat het niet de bedoeling is dat zij een lang algemeen betoog houdt. Verzoekster heeft daarop met stemverheffing geantwoord dat het laatste woord 10 minuten in beslag zal nemen.

1.6. Op enig moment heeft de rechter verzoekster voorgehouden dat zij nog een paar zinnen uit het laatste woord mocht voordragen en haar verzocht om af te ronden. Verzoekster heeft daarop blijkens het proces-verbaal gereageerd als volgt: “ik lees gewoon door, ik zie wel hoe ver ik kom en bij onderbreking zal ik u wraken

1.7. De rechter heeft verzoekster na de aan het eind van de eerste pagina opgenomen zinsnede “laten we het eens hebben over de vrede die mensen en hun kinderen mei leven lang niet gekend hebben” in het laatste woord onderbroken en gezegd dat verzoekster moet stoppen omdat verzoekster geen gehoor geeft aan het verzoek om tot een afronding te komen. Daarop heeft verzoekster de rechter gewraakt.

1.8. De rechter heeft de behandeling vervolgens voor onbepaalde tijd geschorst.

2 Het verzoek en de gronden daarvan

2.1.

Aan het verzoek wordt, samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. Verzoekster stelt dat het laatste woord in een strafzaak een fundamenteel recht is van een verdachte. neergelegd in artikel 311 lid 4 Wetboek van Strafvordering (Sv). Uitgangspunt is dat aan een verdachte geen beperkingen kunnen worden opgelegd als deze het laatste woord voert. Dit betekent volgens de Hoge Raad niet dat een verdachte onbeperkte tijd als laatste kan spreken. De rechter kan de verdachte beperken in het laatste woord bij nodeloze herhalingen of in het geval de verdachte afdwaalt tot niet relevante uitweidingen. Daarvan is in liet onderhavige geval echter geen sprake. Verzoekster zette haar motieven uiteen waarom zij heeft gehandeld

zoals zij heeft gedaan. Verzoekster wilde haar politieke motieven voor het voetlicht brengen. Zij is niet in herhaling vervallen.

2.2.

Het verzoek van verzoekster raakt aan één van de meest elementaire rechtsbeginsel: het beginsel van hoor en wederhoor. Dat beginsel maakt onderdeel uit van het recht op een eerlijk proces. Schending van dit beginsel kan aanleiding geven tot het vermoeden van onpartijdigheid. Door verzoekster het laatste woord niet te laten uitspreken, zonder goede grond, heeft de rechter de schijn van vooringenomenheid op zich geladen.

3 De reactie van de rechter

3.1.

De rechter heeft — samengevat — naar voren gebracht dat verzoekster meerdere keren de gelegenheid heeft gekregen om het laatste woord te spreken. De rechter heeft verzoekster er diverse keren op gewezen dat zij het laatste woord dient te beperken tot hetgeen relevant is voor de zaak en dat zij geen algemeen betoog kan houden over de situatie van uitgeprocedeerde vluchtelingen en wat de visie van verzoekster daarop is. Verzoekster heeft getracht de rechter monddood te maken met de waarschuwing dat zij de rechter zou wraken als zij niet de gelegenheid zou krijgen haar laatste woord volledig uit te spreken. Het laatste woord is echter niet onbeperkt. Een rechter mag een verdachte het laatste woord ontnemen indien het aangevoerde niet in verband staat met de berechting. Hoewel de rechter verzoekster vele

keren heeft verzocht om zich te beperken tot hetgeen relevant is voor haar strafzaak, heeft verzoekster dat niet gedaan. Daarop heeft de rechter gezegd dat ze moest stoppen. Dat is geen grond voor wraking. De rechter is niet vooringenomen jegens verzoekster en ze heeft niet de schijn van vooringenomenheid op zich geladen.

4 De reactie van het Openbaar Ministerie

4.1.

Het Openbaar Ministerie heeft geconcludeerd tot afwijzing van het wrakingsverzoek. Het Openbaar Ministerie heeft naar voren gebracht dat het niet duidelijk is hoe het wrakingsverzoek ter zitting zal worden onderbouwd. Het beschikt wel over een klacht die de advocaat van verzoekster heeft ingediend bij de rechtbank Amsterdam en de brief met het verzoek tot wijziging van het proces-verbaal. Dat geeft enige indicatie en daarop zal worden ingegaan.

4.2.

De toon van verzoekster kwam op het Openbaar Ministerie bedreigend en intimiderend over. Het is niet verbazingwekkend dat de rechter hierop reageerde. De rechter heeft het heft in handen genomen en deed dat rustig en beheerst. De rechter heeft de leiding op de zitting en bepaalt de orde. De rechter heeft volstrekt terecht de verdachte aangesproken op het onwenselijke van haar gedrag. De rechter was direct rechtstreeks en helder en dat was gegeven de situatie ook nodig. De rechter heeft het volste recht om de verdachte te verzoeken het laatste woord kort te houden. zeker als het punt van de ideologische achtergrond en het motief van het handelen van de verdachte al ruimschoots is gemaakt. Nadat verzoekster is verzocht het kort te houden, is zij met de woorden: “ik zie wel hoe ver ik kom” onverdroten doorgegaan. De rechter heeft haar vervolgens terecht het woord ontnomen. Met haar gedrag daagde verzoekster de rechter uit en vroeg zij om een interventie. De rechter

heeft geprobeerd de zitting in goede banen te leiden en daarbij niets gezegd waaruit ook maar de schijn van vooringenomenheid kan worden afgeleid.

5 De beoordeling van het verzoek

5.1.

In de reactie van het Openbaar Ministerie wordt verwezen naar een door verzoekster ingediende klacht bij de rechtbank. Hoewel de klacht van verzoekster geen onderdeel uitmaakt van het wrakingsdossier, heeft de wrakingskamer wel kennis genomen van de klacht. Het Openbaar Ministerie refereert daaraan in zijn reactie en anders kon die reactie niet worden begrepen. De klacht is niet bij de beoordeling betrokken.

5.2.

Op grond van het bepaalde in artikel 512 Sv kan op verzoek van de verdachte of het Openbaar Ministerie elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. In het onderhavige geval ligt aan de wrakingskamer de vraag ter beantwoording of de beslissing van de rechter om verzoekster in het laatste woord te beperken, daartoe aanleiding geeft.

5.3.

Bij de beoordeling van het verzoek staat voorop dat de rechter de orde tijdens de zitting moet bewaken. De rechter heeft de leiding over het onderzoek ter terechtzitting en zij kan daarover de nodige bevelen geven (artikel 272 lid 1 Sv). Daaronder valt niet alleen het bewaken van de orde ter zitting als een verdachte de fatsoensnormen overtreedt of(te) intimiderend overkomt, maar ook bevelen of aanwijzingen met betrekking tot het uitoefenen van het laatste woord van een verdachte. Een verdachte heeft op grond van artikel 311 lid 4 Sv het recht om het laatste woord te voeren. Dit recht is fundamenteel, maar niet onbeperkt. De rechter kan volgens jurisprudentie van de Hoge Raad bijvoorbeeld ingrijpen als een

verdachte bij het uitspreken van het laatste woord nodeloos in herhaling valt (HR 23 maart 1982, ECLI:NL:HR:1982:AC7569) en herhaalt wat ter zitting al is besproken of zaken naar voren brengt die niet dienstig zijn aan de strafzaak (HR 12 mei 2015,

ECLI:NL:HR:2015: 1239).

5.4.

In het onderhavige geval heeft verzoekster tijdens de behandeling van de strafzaak zich (vrijwel geheel) beroepen op haar zwijgrecht. Zij heeft wel gesproken tijdens het laatste woord, dat volgens verzoekster ongeveer 10 minuten in beslag zou nemen. De tekst die verzoekster heeft kunnen uitspreken bevindt zich bij de stukken. Zakelijk weergegeven geeft verzoekster hierin haar visie op een deel van het vreemdelingenbeleid en trekt zij een vergelijking met het feit dat haar in de strafzaak wordt verweten. Dat verzoekster tijdens het uitspreken van het laatste woord heeft herhaald wat ter zitting al aan de orde is geweest is de wrakingskamer uit het proces-verbaal en de daarbij gevoegde pleitnota van mr. Jebbink niet gebleken. Hetgeen verzoekster naar voren heeft gebracht kan voorts naar het oordeel van de

wrakingskamer niet evident als niet ter zake dienend of zonder meer als niet relevant voor de strafzaak van verzoekster worden beschouwd. Verzoekster wenste kennelijk in haar laatste woord uiteen te zetten wat haar (politieke) motieven zijn geweest om te handelen zoals zij heeft gedaan. Dat verzoekster daarin nodeloos in herhaling is gevallen is de wrakingskamer uit het dossier evenmin gebleken. Ook is niet gebleken dat aan verzoekster kenbaar is gemaakt dat haar motieven de rechter duidelijk waren.

5.5.

Onder voormelde omstandigheden en gelet op hetgeen hiervoor onder 5.3. is

overwogen, is de wrakingskamer van oordeel dat de beslissing van de rechter om verzoekster te beperken in haar laatste woord, bij verzoekster de objectief gerechtvaardigde vrees heeft kunnen laten ontstaan dat de rechterlijke partijdigheid schade zou kunnen lijden. Hieraan draagt in het bijzonder ook bij hetgeen de rechter bij aanvang van het laatste woord heeft kenbaar gemaakt. De rechter kon daardoor immers de indruk wekken dat zij op voorhand de motieven van verzoekster voor de beoordeling van de zaak niet van belang achtte. De wrakingskamer benadrukt daarbij dat overigens niet is gebleken dat de rechter jegens verzoekster ook vooringenomen is.

5.6.

Het verzoek moet worden toegewezen.

BESLISSING

De rechtbank:

De wrakingskamer:

 wijst het verzoek tot wraking toe.

Deze beslissing is gegeven door mr. A.J. Dondorp, voorzitter, mrs. G.H. Marcus en E.D. Bonga - Sigmond, leden in tegenwoordigheid van mr. M. Nieuwenhuijs als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 december 2016.

Tegen deze beslissing staat op grond van het bepaalde in artikel 515 lid 5 Sv, geen voorziening open.