Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:9675

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
30-12-2016
Datum publicatie
11-04-2017
Zaaknummer
C/13/621747/ HA RK 17/8
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Verzoek afgewezen. Het verzoek is zakelijk weergegeven gebaseerd op de niet onderbouwde vrees dat stukken zouden zijn achtergehouden en dat buiten verzoeker om proceshandelingen zouden hebben plaatsgevonden. Het verzoek bevat daarmee geen feiten of omstandigheden waaruit vooringenomenheid van de rechter of de objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor, zijn af te leiden. De enkele omstandigheid dat verzoeker minder stukken heeft ontvangen dan hij had verwacht is daartoe niet voldoende. Daarom is verzoeker kennelijk niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot wraking. De mondelinge behandeling daarvan kan dan ook achterwege blijven. Toepassing anti-misbruikbepaling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Wrakingskamer

Beslissing op het op bij brief van 30 december 2016 gedane en onder rekestnummer C/13/621747/ HA RK 17/8 ingeschreven verzoek van:

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

welk verzoek strekt tot wraking van mr. Z.L. Achouak el Idrissi, bestuursrechter te Amsterdam, hierna: de rechter.

Verloop van de procedure

Verzoeker is partij in een bij de rechtbank onder zaaknummer AMS 16/1904 PW geregistreerde en aanhangige procedure. De rechter heeft het dossier in behandeling. In de zaak is een mondelinge behandeling gepland op 5 januari 2017. Door het indienen van het verzoek tot wraking is de procedure van rechtswege geschorst.


Gronden van de beslissing

2.1

Wraking van een rechter is slechts mogelijk op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan kan sprake zijn indien de rechter jegens een partij vooringenomen is of indien de vrees van een partij daarvoor objectief gerechtvaardigd is.

2.2

Bij de beoordeling daarvan moet voorop staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

2.4

Uit de wet en het vermoeden van onpartijdigheid volgt dat een verzoeker concrete feiten en omstandigheden dient aan te voeren waaruit objectief afgeleid kan worden dat de rechter jegens een partij vooringenomen is, of dat de vrees van een partij dat er sprake is van een dergelijke vooringenomenheid objectief gerechtvaardigd is. Alle feiten en omstandigheden moeten tegelijk - in het verzoek - worden voorgedragen.

2.5

Het verzoek berust kort weergegeven op de volgende grond: “Gezien de centrale baliemedewerkster mij gisteren heeft medegedeeld dat het dossier zich onder behandelend bestuursrechter ligt en ik van mening ben dat in deze zaak niet volgens het procesreglement is gehandeld door de griffiers in de voorbereiding ofwel het vooronderzoek, is daardoor de objectiviteit van de rechter niet te garanderen. De griffiers hebben namelijk mogelijk in opdracht van de rechter gehandeld.” Verzoeker stelt dat hij slechts één stuk als verweerschrift heeft ontvangen. Hij weet verder niet zeker of er repliek en dupliek heeft plaatsgevonden en wat eventueel nog meer voor hem verborgen is gehouden.

2.6

Het verzoek is zakelijk weergegeven gebaseerd op de niet onderbouwde vrees dat stukken zouden zijn achtergehouden en dat buiten verzoeker om proceshandelingen zouden hebben plaatsgevonden. Het verzoek bevat daarmee geen feiten of omstandigheden waaruit vooringenomenheid van de rechter of de objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor, zijn af te leiden. De enkele omstandigheid dat verzoeker minder stukken heeft ontvangen dan hij had verwacht is daartoe niet voldoende. Daarom is verzoeker kennelijk niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot wraking. De mondelinge behandeling daarvan kan dan ook achterwege blijven.

2.7

Omdat door verzoeker het middel tot wraking lichtvaardig, want zonder kenbare relevante grondslag is ingezet, is naar het oordeel van de rechtbank sprake van misbruik van recht. De rechtbank zal daarom bepalen dat een volgend verzoek tot wraking van de rechter belast met de behandeling van de zaak van verzoeker niet in behandeling wordt genomen.

3. Het voorgaande leidt tot de navolgende beslissing

BESLISSING

De rechtbank:

 verklaart verzoeker niet ontvankelijk in zijn verzoek tot wraking van de rechter;

 bepaalt dat een volgend verzoek tot wraking gericht tegen de rechter belast met de behandeling van de zaak van verzoeker niet meer in behandeling zal worden genomen;

 bepaalt dat de procedure geregistreerd onder zaaknummer AMS 16/1904 PW wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment dat het wrakingverzoek werd ingediend.

Deze beslissing is gegeven door mrs. N.C.H. Blankevoort, voorzitter A.W.J. Ros en A.J. Dondorp, leden, in aanwezigheid van F.C.H. Krieger, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 januari 2016.

Rechtsmiddel

Tegen deze beslissing staat geen voorziening open.