Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:9485

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
16-11-2016
Datum publicatie
15-02-2017
Zaaknummer
13/654128-16
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Brandstichting

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/654128-16 (Promis)

Datum uitspraak: 16 november 2016

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Nederlandse Antillen) op [geboortedatum] 1974,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in de [detentie adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 2 november 2016.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.L.A. ter Veer en van wat verdachte en zijn raadsman mr. A.M.J. Comans naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 19 juli 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk brand heeft gesticht in een woning ( [adres 1] ), immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk de vlam van een brandende lucifer, in elk geval (open) vuur, in aanraking gebracht met papier, in elk geval met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan onder meer een matras en/of een of meer andere goederen in de woning geheel en/of gedeeltelijk is / zijn verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor een of meer belendende (flat)woning(en) en/of zich in die woning(en) bevindende perso(o)n(en), in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor één of meer perso(o)n(en), in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde opzettelijke brandstichting. Uit het dossier blijkt dat een brand heeft gewoed en de brandweer heeft geconstateerd dat deze brand in de woonkamer is ontstaan. Verdachte heeft bekend dat hij een afvalbak met papier in brand heeft gestoken en dat hij deze naast zijn bed heeft neergezet. Daardoor is zijn matras in brand gevlogen, waardoor gemeen gevaar voor goederen te duchten was. Het ten laste gelegde kan voor zover bewezen worden verklaard. Uit het dossier blijkt echter onvoldoende dat sprake was van levensgevaar of zwaar lichamelijk letsel voor de omwonenden. Verdachte dient van dit gedeelte van de tenlastelegging partieel te worden vrij gesproken.

4.2

Het standpunt van de verdediging

Over de tenlastelegging heeft de raadsman opgemerkt dat de strafverzwarende omstandigheid van artikel 157 sub 2 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) – het duchten van levensgevaar of gevaar voor lichamelijk letsel – zich in casu niet voordoet.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

Partiële vrijspraak

Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de strafverzwarende omstandigheid van ‘het duchten van levensgevaar of gevaar voor lichamelijk letsel’ zich in dit geval niet voordoet. Verdachte zal derhalve worden vrijgesproken van dit onderdeel van de tenlastelegging.

4.3.2

Bewijsoverweging

Verdachte heeft ter terechtzitting bekend dat hij op 19 juli 2016 in zijn toenmalige woning, op het adres [adres 1] te Amsterdam, met lucifers papier in een prullenbak heeft aangestoken, dat hij deze prullenbak met brandend papier naast zijn bed heeft gezet en daarna de woning voor een aantal uren heeft verlaten. Voorts heeft verdachte verklaard dat hij bewust het papier in de prullenbak heeft aangestoken als een soort noodkreet om hulp voor zijn problemen. De brandweer heeft vastgesteld dat de matras in de woonkamer in brand stond. Nu de prullenbak met het brandende papier door verdachte naast zijn matras was gezet kon het vuur gemakkelijk overslaan op dat matras en andere goederen in de woonkamer of zelfs daarbuiten. Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank dan ook van oordeel dat objectief voorzienbaar was dat de brand zich had kunnen verspreiden en dat gemeen gevaar voor goederen te duchten was. Aan de bijkomende voorwaarde voor strafbaarheid is voldaan.

Nu verdachte dit feit heeft bekend en de raadsman hiervoor geen vrijspraak heeft bepleit, kan, op grond van artikel 359, derde lid van het Wetboek van Strafvordering met de hierna genoemde opgave van bewijsmiddelen worden volstaan:

1. De bekennende verklaring die verdachte ter terechtzitting heeft afgelegd;

2. Een proces-verbaal van bevindingen, inclusief fotobijlage, met nummer PL1300-2016157454-10 van 20 juli 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , doorgenummerde pag. 7 e.v.;

3. Een proces-verbaal van bevindingen, met nummer PL1300-2016157454-14 van 21 juli 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3] , doorgenummerde pag. 17 e.v.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4.3.2 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

op 19 juli 2016 te Amsterdam opzettelijk brand heeft gesticht in een woning ( [adres 1] ), immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk de vlam van een brandende lucifer in aanraking gebracht met papier, ten gevolge waarvan onder meer een matras in de woning is verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf

8.1

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan vier maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Verdachte moet zich in die proeftijd aan bijzondere voorwaarden houden, namelijk een meldplicht bij de Reclassering, een ambulante behandelverplichting en een opname in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang. Zij heeft tot slot de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden gevorderd.

8.2

Het strafmaatverweer van de verdediging

De raadsman heeft verzocht verdachte een gevangenisstraf op te leggen die qua duur het voorarrest niet overtreft. Hij heeft voorts als standpunt naar voren gebracht dat verdachte hulp nodig heeft en dat verdachte akkoord gaat met de gestelde bijzondere voorwaarden in het advies van de reclassering.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan opzettelijke brandstichting in zijn eigen woning in een flatgebouw. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een ernstig feit waarbij gevaar voor goederen te duchten is geweest. Als gevolg van de brand is de woning van verdachte onbewoonbaar geworden. Verdachte mag van geluk spreken dat de brand niet is overgeslagen naar de woningen ernaast. Het feit is niet alleen voor de direct betrokkenen in het flatgebouw zeer verontrustend, maar ook voor de samenleving.

In het voordeel van verdachte houdt de rechtbank rekening met de Pro Justitia rapportage d.d. 7 oktober 2016, opgemaakt door GZ-psycholoog A. Witvliet, en de Pro Justitia rapportage d.d. 5 oktober 2016, opgemaakt door psychiater L. Beverloo. In deze rapportages wordt geconcludeerd dat verdachte ten tijde van het tenlastegelegde leed aan een psychotische stoornis niet anderszins omschreven. Verder lijdt verdachte aan een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, in de vorm van een licht verstandelijke beperking (LVB). Zij adviseren verdachte ten aanzien van het tenlastegelegde als verminderd toerekeningsvatbaar te achten. De rechtbank neemt de conclusies van de deskundigen over en volgt het advies dat verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd.

Tevens houdt de rechtbank rekening met het reclasseringsrapport d.d. 1 november 2016, opgemaakt door A. Oedit, waaruit blijkt dat de reclassering begeleiding, een (klinische) behandeling van verdachte en een opname in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang noodzakelijk acht. Daarnaast geeft de reclassering aan minimaal drie maanden nodig te hebben om de gewenste hulpverlening voor verdachte te organiseren.

Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 10 oktober 2016 waaruit blijkt dat verdachte met betrekking tot brandstichting geen eerdere documentatie op zijn naam heeft staan.

Gelet op voornoemde adviezen zal de rechtbank een gevangenisstraf in deels voorwaardelijke vorm opleggen, met daaraan gekoppeld de na te noemen bijzondere voorwaarden. Hoewel de raadsman van verdachte heeft betoogd dat de door de officier van justitie geëiste straf te fors is, is de rechtbank van oordeel dat de ernst van het feit – met name het grote gevaar voor goederen dat verdachte heeft veroorzaakt – in combinatie met de persoon van verdachte en het ontbreken van huisvesting als verdachte thans zou worden vrijgelaten, een dergelijke straf rechtvaardigt.

Anders dan de officier van justitie heeft geëist, zal de rechtbank niet de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden gelasten, nu niet voldaan is aan het vereiste genoemd in artikel 14 e lid 1 Sr.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c en 157 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 12 (twaalf) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 4 (vier) maanden, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet aan de volgende algemene voorwaarden houdt.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde

1. zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

3. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

  • -

    zich met ingang van de toezichtstermijn meldt bij Reclassering Nederland op het adres [adres 2] te Amsterdam. Hierna moet hij zich blijven melden zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

  • -

    zich gedurende de proeftijd van twee jaren onder behandeling zal stellen bij een nog nader te bepalen (forensische) behandelinstelling, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij hij zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven, welke voorschriften en aanwijzingen mede kunnen inhouden een kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal zeven weken ten behoeve van crisis, detoxificatie, stabilisatie, observatie en/of diagnostiek, teneinde zich te laten behandelen voor zijn psychotische klachten en ter begeleiding bij zijn licht verstandelijke beperking. Mocht tijdens het toezicht blijken dat ambulante behandeling onvoldoende is, dan dient hij mee te werken aan het opstellen van een indicatiestelling door het NIFP-IFZ;

- gedurende de proeftijd van twee jaren zal verblijven in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang of een soortgelijke instelling, zulks ter beoordeling van de reclassering, en zich zal houden aan het (dag-)programma dat deze instelling in overleg met de reclassering heeft opgesteld, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

Geeft aan genoemde instelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Dit vonnis is gewezen door

mr. R.A. Overbosch, voorzitter,

mrs. E.M.M. Gabel en W.H. van Benthem, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. van der Mark, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 16 november 2016.