Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:9479

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
30-12-2016
Datum publicatie
06-02-2017
Zaaknummer
13/680235-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Poging zware mishandeling. Met auto inrijden op auto. Strafmaat. Contactverbod.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/680235-16 (Promis)

Datum uitspraak: 30 december 2016

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Nederlandse Antillen) op [geboortedag] 1983,

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres [GBA-adres] , gedetineerd in het Huis van Bewaring [locatie te plaats] .

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 16 december 2016.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. S. Sondermeijer en van wat verdachte en zijn raadsman mr. N. Claassen naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging op de zitting – ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 20 augustus 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade (zijn ex-vrouw) [persoon 1] en/of [persoon 2] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, (met hoge snelheid) tegen een (personen)auto is aangereden en/of gebotst, terwijl die [persoon 1] en/of die [persoon 2] in voornoemde

(personen)auto zat(en) en/of terwijl die [persoon 1] uit voornoemde personenauto wilde vluchten en/of uit voornoemde auto stapte en/of naast voornoemde auto stond (achter de nog openstaande portier);

en/of

hij op of omstreeks 20 augustus 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan (zijn ex-vrouw) [persoon 1] en/of [persoon 2] opzettelijk en al dan niet met voorbedachte rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, (met hoge snelheid) tegen een (personen)auto is aangereden en/of gebotst, terwijl die [persoon 1] en/of die [persoon 2] in voornoemde (personen)auto zat(en) en/of terwijl die [persoon 1] uit voornoemde personenauto wilde vluchten en/of uit voornoemde auto stapte en/of naast voornoemde auto stond (achter de nog openstaande portier);

en/of

hij op of omstreeks 20 augustus 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, (zijn ex vrouw) [persoon 1] en/of [persoon 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend met een (personen)auto (met hoge snelheid) in de richting van voornoemde [persoon 1] en/of [persoon 2] gereden en/of tegen de (personen)auto van voornoemde [persoon 2] aangereden en/of gebotst, terwijl die [persoon 1] en/of die [persoon 2] in voornoemde (personen)auto zat(en) en/of terwijl die [persoon 1] uit voornoemde personenauto wilde vluchten en/of uit voornoemde auto stapte en/of naast voornoemde auto stond (achter de nog openstaande portier);

2.

hij op of omstreeks 20 augustus 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om (zijn ex-vrouw) [persoon 1] opzettelijk van het leven te beroven en al dan niet met voorbedachte rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg (met kracht) eenmaal of meermalen met een ijzeren voorwerp, in elk geval met een hard en/of zwaar voorwerp tegen het hoofd en/of lichaam heeft geslagen;

Subsidiair:

hij op of omstreeks 20 augustus 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk (zijn ex-vrouw), [persoon 1] , heeft mishandeld, welke mishandeling bestond uit het eenmaal of meermalen slaan, met een ijzeren voorwerp, in elk geval met een zwaar en/of hard voorwerp, tegen het hoofd en/of lichaam van voornoemde [persoon 1] , waardoor voornoemde [persoon 1] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

3.

hij op of omstreeks 22 november 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk (zijn ex-vrouw), [persoon 1] , heeft mishandeld, welke mishandeling bestond uit het eenmaal of meermalen slaan, met een ijzeren stok, in elk geval met een zwaar en/of hard voorwerp, tegen de duim en/of hand, in elk geval tegen het lichaam van voornoemde [persoon 1] , waardoor voornoemde [persoon 1] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

4.

hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2016 tot en met 31 juli 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, (telkens) opzettelijk (zijn ex-vrouw), [persoon 1] , heeft mishandeld, welke mishandeling bestond uit het eenmaal of meermalen slaan en/of stompen tegen de ribben en/of zij, in elk geval tegen het lichaam van voornoemde [persoon 1] , waardoor voornoemde [persoon 1] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting –kort gezegd- gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 eerste en tweede cumulatief/alternatief, het onder 2 primair en het onder 3 en 4 ten laste gelegde.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde heeft de officier van justitie geconcludeerd dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag van [persoon 1] en een poging tot zware mishandeling van [persoon 2] . Zij heeft hiertoe aangevoerd dat op de camerabeelden is te zien dat verdachte frontaal en met hoge snelheid is ingereden op de personenauto, waar op dat moment [persoon 2] achter het stuur zat en [persoon 1] achter het portier stond. Door op deze wijze te handelen heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat [persoon 1] het leven zou laten en [persoon 2] zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. De officier van justitie acht de verklaring van verdachte, dat in plaats van dat hij op de rem trapte zijn schoen op het gaspedaal slipte, ongeloofwaardig. De officier van justitie heeft daartoe aangevoerd dat de auto accelereerde en verdachte niet is uitgeweken. Sterker nog, nadat verdachte frontaal is ingereden op de auto is hij op [persoon 1] afgelopen en heeft hij haar meermalen met een ijzeren voorwerp tegen het hoofd geslagen.

Ten aanzien van het onder 2 primair ten laste gelegde heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat verdachte, door [persoon 1] meermalen met een ijzeren staaf hard tegen het hoofd te slaan, bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [persoon 1] het leven zou laten.

De officier van justitie komt daarom ook ten aanzien van dit feit tot de conclusie dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag van [persoon 1] .

Ten aanzien van de onder 3 en 4 ten laste gelegde mishandelingen van [persoon 1] heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat ook deze feiten bewezen kunnen worden en baseert zich daarbij op de aangiften van [persoon 1] en de letselverklaringen in het dossier.

4.2.

Standpunt van de verdediging

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde heeft de raadsman ter terechtzitting –kort gezegd– algehele vrijspraak bepleit. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat bij verdachte niet de opzet, ook niet in voorwaardelijke zin, heeft bestaan op de dood van [persoon 1] en [persoon 2] noch op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij [persoon 1] en [persoon 2] noch op de bedreiging van één van beiden. Verdachte is met een geringe snelheid op de auto ingereden en heeft daarvoor een verklaring afgelegd. Verdachte wilde [persoon 1] klem rijden, maar op het moment dat hij de rem wilde intrappen, slipte zijn schoen op het gaspedaal. De raadsman acht daarbij van belang dat het voor verdachte niet voorzienbaar was dat [persoon 1] op dat moment uit de auto stapte.

De raadsman heeft voorts vrijspraak bepleit van het onder 2 primair ten laste gelegde, omdat verdachte geen opzet, ook niet in voorwaardelijke zin, heeft gehad op de dood van [persoon 1] noch op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat -gelet op de vorm van het voorwerp waarmee is geslagen, de wijze waarop is geslagen en het geresulteerde letsel bij [persoon 1] - er geen aanmerkelijke kans bestond op de dood dan wel zwaar lichamelijk letsel, laat staan dat verdachte die kans bewust heeft aanvaard. Verdachte heeft met de platte kant van het voorwerp tegen de hand van [persoon 1] geslagen. Het kan niet worden uitgesloten dat het letsel dat [persoon 1] aan haar hoofd heeft opgelopen is ontstaan doordat zij is gevallen. De verklaring van [persoon 1] dat zij is geslagen op haar hoofd wordt niet ondersteund door de inhoud van het dossier. De raadsman komt tot de conclusie dat verdachte zich wel heeft schuldig gemaakt aan mishandeling van [persoon 1] .

Ten aanzien van de onder 3 en 4 ten laste gelegde mishandelingen van [persoon 1] heeft de raadsman eveneens vrijspraak bepleit. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat [persoon 1] aanvankelijk geen aangifte heeft gedaan en dat de tenlastegelegde gedragingen door verdachte worden weersproken.

4.3.

Oordeel van de rechtbank

4.3.1.

Oordeel ten aanzien van het onder 1 en 2 ten laste gelegde

Feiten en omstandigheden

Uit de aangifte van [persoon 1] blijkt dat verdachte en aangeefster 20 jaar een relatie hebben gehad en dat er al langere tijd sprake was van problemen tussen beiden. Op 20 augustus 2016 stond [persoon 1] te wachten bij de bushalte, waar zij door haar collega [persoon 2] zou worden opgehaald. Nadat [persoon 1] bij haar collega op de passagiersplaats rechts voor was ingestapt, zag zij verdachte, als bestuurder van een Opel Corsa, tegen de rijrichting in, hun kant op rijden. [persoon 1] wilde wegrennen en stapte de auto uit. Echter, op het moment dat zij net was uitgestapt reed verdachte frontaal in op de auto. Door de klap sloeg het geopende portier van de auto tegen het lichaam van [persoon 1] en viel zij op de grond. Het volgende moment zag zij dat verdachte naast haar stond en voelde zij dat zij meermalen met een hard voorwerp werd geslagen. [persoon 2] heeft hierover verklaard dat hij zag dat verdachte met een ijzeren staaf op [persoon 1] sloeg.

Op de beschikbare en ter terechtzitting bekeken camerabeelden is te zien dat verdachte met oplopende snelheid frontaal is ingereden op de personenauto, waar op dat moment [persoon 2] achter het stuur zat en [persoon 1] –die de passagiersdeur al had geopend- achter het portier stond. Verder is te zien dat verdachte na de botsing is uitgestapt en op [persoon 1] is afgelopen en haar viermaal met een voorwerp tegen het lichaam heeft geslagen. Verdachte liep vervolgens bij de personenauto en [persoon 1] weg. Na enkele meters draaide hij zich om, rende hij terug naar [persoon 1] en sloeg haar vervolgens nogmaals met het voorwerp tegen haar lichaam.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij per ongeluk op de auto is ingereden. Hij wilde de auto klem rijden, maar op het moment dat hij de rem in wilde trappen, slipte zijn schoen op het gaspedaal. Verder heeft verdachte verklaard dat hij [persoon 1] met de platte kant van een metalen voorwerp van ongeveer 2 à 3 centimeter dik klappen heeft gegeven tegen haar hand.

De rechtbank acht, met de officier van justitie, de verklaring van verdachte, dat hij –kort gezegd- per ongeluk op de auto is gebotst, ongeloofwaardig. De rechtbank is van oordeel dat de gedraging van verdachte, te weten het met aanzienlijke snelheid frontaal inrijden op de auto, er naar de uiterlijke verschijningsvorm uitziet als een gedraging die opzettelijk is verricht. Op de beelden is te zien dat zeker geen snelheid geminderd wordt door verdachte en evenmin dat hij probeert uit te wijken om een botsing te voorkomen. Verdachte was, zoals hij ook ter zitting heeft gezegd, heel erg boos en heeft kennelijk op deze manier zijn boosheid geuit. Dat het geen ongelukje was blijkt verder uit het feit dat verdachte, nà de aanrijding, niet geschrokken stopt en probeert hulp te verlenen, maar in plaats daarvan op [persoon 1] afloopt en haar meermalen met een ijzeren voorwerp tegen het lichaam slaat. Na dit slaan loopt verdachte even weg, maar komt dan toch terug en slaat nogmaals op [persoon 1] in. De verklaring van verdachte over het per ongeluk slippen met de voet op het gaspedaal in plaats van op de rem is, in het licht van deze gebeurtenissen en een aantal maanden na dato, dan ook ongeloofwaardig. De rechtbank is van oordeel dat het hier omschreven gedrag niet past bij iemand die per ongeluk op een auto is ingereden.

Feit 1 ten aanzien van aangeefster [persoon 1]

Met de officier van justitie en de raadsman acht de rechtbank de onder 1 eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde poging tot moord van [persoon 1] niet bewezen, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

De rechtbank acht, anders dan de officier van justitie en met de raadsman, evenmin bewezen de onder 1 eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde poging tot doodslag van [persoon 1] , zodat verdachte ook daarvan dient te worden vrijgesproken. Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat er geen aanmerkelijke kans bestond op de dood van [persoon 1] en ook niet dat verdachte die kans bewust heeft aanvaard, zodat geen sprake was van opzet op de dood van [persoon 1] , ook niet in voorwaardelijke zin.

Wel is de rechtbank van oordeel dat verdachte door zijn handelen, te weten het met aanzienlijke snelheid frontaal inrijden op de auto, terwijl tijdens het aanrijden het portier werd geopend en [persoon 1] uit de auto kwam bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij [persoon 1] daarmee zwaar lichamelijk letsel zou kunnen toebrengen. Dit te meer nu op de beelden is te zien dat de auto, die [persoon 2] bestuurde, door de aanrijding een aantal meters naar achteren is gereden. De klap is dus heftig geweest. De rechtbank acht daarom de onder 1 tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde poging tot zware mishandeling van [persoon 1] bewezen.

Feit 1 ten aanzien van aangever [persoon 2]

Met de officier van justitie en de raadsman acht de rechtbank de onder 1 eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde poging tot moord en doodslag van [persoon 2] niet bewezen, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

De rechtbank is, met de officier van justitie en anders dan de raadsman, van oordeel dat verdachte door zijn handelen, te weten het met aanzienlijke snelheid frontaal inrijden op de auto die door [persoon 2] werd bestuurd, wel bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij [persoon 2] daarmee zwaar lichamelijk letsel zou kunnen toebrengen en achtt daarom de onder 1 tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde poging tot zware mishandeling van [persoon 2] bewezen. De rechtbank vindt daarvoor ook steun in het feit dat de airbag van de auto van [persoon 2] is opengegaan.

Feit 2 ten aanzien van aangeefster [persoon 1]

Uit de hierboven weergegeven feiten en omstandigheden volgt dat [persoon 1] door verdachte meermalen met een ijzeren staaf tegen het lichaam is geslagen; dit is op de ter zitting getoonde beelden ook goed te zien. Ook verdachte heeft verklaard dat hij [persoon 1] heeft geslagen met een metalen voorwerp. Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat op basis van de inhoud van het dossier (en ook de beelden bieden daarvoor niet voldoende duidelijkheid) onvoldoende is komen vast te staan dat [persoon 1] daarbij op haar hoofd is geraakt, zodat er geen aanmerkelijke kans bestond op de dood van [persoon 1] , en ook niet dat verdachte die kans bewust heeft aanvaard. De rechtbank is daarom van oordeel dat van opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, op de dood van [persoon 1] geen sprake is geweest, zodat verdachte zal worden vrijgesproken van het onder 2 primair ten laste gelegde.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte, door het meermalen met een ijzeren voorwerp tegen het lichaam van [persoon 1] te slaan, wel bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij [persoon 1] daarmee zwaar lichamelijk letsel zou kunnen toebrengen en acht daarom de onder 2 subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling bewezen.

4.3.3.

Oordeel ten aanzien van het onder 3 en 4 ten laste gelegde

Met de officier van justitie en anders dan de raadsman acht de rechtbank de onder 3 en 4 ten laste gelegde mishandelingen van [persoon 1] wettig en overtuigend bewezen. Dat [persoon 1] aanvankelijk van deze feiten geen aangifte heeft gedaan doet daaraan niet af. De rechtbank vindt in de aangiften, samen met de in het dossier gevoegde letselverklaringen die passen bij de aangiften, voldoende wettig bewijs om tot de overtuiging te komen dat verdachte deze mishandelingen heeft begaan.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht, op grond van de wettige bewijsmiddelen die in de bijlage zijn opgenomen en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, bewezen dat verdachte

ten aanzien van het onder 1. tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde

op 20 augustus 2016 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan zijn ex-vrouw [persoon 1] en [persoon 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met hoge snelheid tegen een personenauto is aangereden, terwijl die [persoon 1] uit voornoemde personenauto stapte en die [persoon 2] in voornoemde personenauto zat;

ten aanzien van het onder 2. primair ten laste gelegde

op 20 augustus 2016 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om zijn ex-vrouw [persoon 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met kracht meermalen met een ijzeren voorwerp tegen het lichaam heeft geslagen;

ten aanzien van het onder 3. ten laste gelegde

op 22 november 2015 te Amsterdam opzettelijk zijn ex-vrouw [persoon 1] heeft mishandeld, welke mishandeling bestond uit het slaan met een stok tegen de duim van voornoemde [persoon 1] , waardoor voornoemde [persoon 1] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

ten aanzien van het onder 4. ten laste gelegde

hij in de periode van 1 juli 2016 tot en met 31 juli 2016 te Amsterdam opzettelijk zijn ex-vrouw [persoon 1] heeft mishandeld, welke mishandeling bestond uit het stompen tegen de ribben van voornoemde [persoon 1] , waardoor voornoemde [persoon 1] pijn heeft ondervonden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf

8.1.

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1 eerste en tweede cumulatief/alternatief, de onder 2 primair en de onder 3 en 4 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren, met aftrek van voorarrest, waarvan één jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. De officier van justitie acht daarbij de bijzondere voorwaarden, zoals door de reclassering in het reclasseringsrapport van 13 december 2016 geadviseerd, geïndiceerd.

8.2.

Standpunt van de verdediging

Indien de rechtbank tot een veroordeling komt, heeft de raadsman verzocht de zaak af te doen met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest. Daarnaast kan aan verdachte eventueel een voorwaardelijke gevangenisstraf of taakstraf worden opgelegd met bijzondere voorwaarden. De raadsman heeft daartoe onder meer gewezen op de omstandigheid dat verdachte in zekere zin verminderd toerekeningsvatbaar is en door deze zaak veel is kwijtgeraakt. Verder heeft de raadsman erop gewezen dat verdachte ten aanzien van de onderhavige feiten geen recidive heeft, hij hulp wil en bereid is zich te houden aan eventueel te stellen (bijzondere) voorwaarden.

8.3.

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een deels vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot zware mishandeling van zijn ex-vrouw [persoon 1] en haar collega [persoon 2] door met zijn auto met aanzienlijke snelheid frontaal in te rijden op de auto waar op dat moment [persoon 2] achter het stuur zat en [persoon 1] achter het portier stond. Direct na de aanrijding heeft verdachte zich nogmaals schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van zijn ex-vrouw door meermalen met een ijzeren voorwerp tegen haar lichaam te slaan. Voorts heeft verdachte zich tweemaal schuldig gemaakt aan mishandeling van zijn ex-vrouw door haar respectievelijk tegen haar duim te slaan en tegen haar ribben te stompen. Blijkens de aangiften hebben de slachtoffers veel pijn ondervonden. Zo blijkt uit onder andere de in het dossier bevindende medische informatie dat [persoon 1] een lichte hersenschudding en veel blauwe plekken en (schaaf) wonden heeft opgelopen. Daarnaast hebben de feiten een groot gevoel van onveiligheid bij de slachtoffers teweeggebracht en moet het voor omstanders ook shockerend zijn geweest om dit zo te zien gebeuren, een auto die eerst frontaal inrijdt op een andere auto waaruit iemand probeert weg te komen, terwijl die persoon daarna een aantal keer flink wordt geslagen met een ijzeren staaf en daarna nòg een keer wordt geslagen. Daarbij komt dat de persoon die zo is geslagen de ex-vrouw is van verdachte; de rechtbank vindt dat het niet aangaat om op deze manier – ook al is de relatie dan verstoord – met een ex om te gaan. De rechtbank rekent al deze omstandigheden verdachte in ernstige mate aan.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 30 november 2016, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.

De rechtbank heeft kennis genomen van de inhoud van het reclasseringsadvies van 13 december 2016 van Reclassering Nederland. Dit advies houdt - zakelijk weergegeven - onder meer het volgende in:

Er is bij verdachte en zijn ex-partner al langere tijd sprake van een verstoorde partnerrelatie. Verdachte voelt zich slecht en bedrogen door zijn ex-partner. Opgekropte woede zou hebben geleid tot het delictgedrag. Vanwege het beperkte verstandelijke vermogen heeft hij moeite met het hanteren van conflicten. De relatieproblematiek, in combinatie met zijn zwakbegaafdheid kan als risicofactor voor recidive worden aangemerkt. Er zijn geen duidelijke aanwijzingen dat middelengebruik een rol heeft gespeeld bij de delict pleging, maar de reclassering maakt zich wel zorgen over het middelengebruik van verdachte. Ook zijn er zorgen over de woonsituatie van verdachte. Vanwege de ernst van het strafbare feit acht de reclassering het niet wenselijk dat verdachte terugkeert naar zijn oude woonomgeving. Hij zegt dit zelf ook niet te willen. Er is echter nog geen duidelijkheid over de woonsituatie van verdachte na einde detentie. Het recidiverisico wordt ingeschat als matig. Geadviseerd wordt een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Hierbij worden als bijzondere voorwaarden geadviseerd een meldplicht, een behandelverplichting – ambulante behandeling en een contactverbod.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op een de verdachte betreffend Pro Justitia-rapportage van psychologisch onderzoek d.d. 9 december 2016, onder meer inhoudend, verkort en zakelijk weergegeven:

Er is bij verdachte geen ziekelijke stoornis van de geestvermogens geconstateerd. Wel is sprake van een gebrekkige ontwikkeling in de geestvermogens in de vorm van beperkte intellectuele capaciteiten, waarbij hij in praktische zin functioneert op zwakbegaafd niveau. De ruimtelijk inzichtelijke capaciteiten liggen op een hoger niveau. Er is geen persoonlijkheidsstoornis geconstateerd. De conflicten met zijn ex-vrouw kunnen worden geclassificeerd als partner-relatieproblemen. Van bovengenoemde psychische problematiek was sprake ten tijde van het tenlastegelegde.

De rechtbank wordt geadviseerd om verdachte het tweede ten laste gelegde feit – indien bewezen – in verminderde mate toe te rekenen. Gestructureerde risicotaxatie wijst op een licht verhoogde kans op herhaling. Ten aanzien van de geconstateerde psychische problematiek is behandeling geïndiceerd. Deze behandeling dient zicht te richten op het verbeteren van zijn coping vaardigheden ten aanzien van het hanteren van zijn agressie in conflictsituaties. Een dergelijke behandeling zou verdachte aangeboden kunnen worden bij een forensisch psychiatrische polikliniek zoals De Waag. Hierbij dient de behandeling goed afgestemd te zijn op zijn intellectuele beperkingen. De rechtbank wordt geadviseerd voornoemde behandeling en begeleiding op te leggen. Om verdachte optimaal te motiveren voor een dergelijke behandeling zou deze als bijzondere voorwaarde bij een (deels)voorwaardelijk strafdeel opgelegd kunnen worden. De reclassering zou zorg kunnen dragen voor de aanmelding en zou toe kunnen zien op het handhaven van de voorwaarden.

De rechtbank neemt voornoemde conclusies over en maakt die tot de hare. Bij het opleggen van de straf zal de rechtbank rekening houden met de omstandigheid dat verdachte het onder 2 bewezenverklaarde feit in verminderde mate kan worden toegerekend.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de strafmaat voorts – als bovenstaande al deels aangeduid - rekening gehouden met omstandigheid dat de feiten zijn gepleegd in de relationele sfeer en dat daarbij naast de ex-vrouw van verdachte ook haar collega [persoon 2] slachtoffer is geworden.

Nu de rechtbank ten aanzien van het onder 1 en 2 ten laste gelegde minder bewezen acht dan de officier van justitie, komt zij tot een lagere straf dan door de officier van justitie is gevorderd. Om verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw schuldig te maken aan een strafbaar feit ziet de rechtbank, evenals de officier van justitie en de raadsman, aanleiding om een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, onder na te noemen bijzondere voorwaarden. De rechtbank acht het van belang dat verdachte, gelet op de nog aanwezige problematiek met zijn ex-vrouw, in combinatie met zijn zwakbegaafdheid en de zorgen omtrent zijn middelengebruik, nog geruime tijd onder toezicht zal staan nadat hij is behandeld. Een waas van woede als de onderhavige, waarbij niet alleen zijn ex-partner maar ook een derde slachtoffer is geworden mag niet meer voorkomen. Daarom zal de rechtbank aan het voorwaardelijk deel van de gevangenisstraf een proeftijd van drie jaren verbinden. De rechtbank heeft overwogen de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren, maar ziet daartoe geen aanleiding gelet op het relatief lange onvoorwaardelijke gedeelte van de gevangenisstraf.

9. Ten aanzien van het beslag

Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:

  1. zaktelefoon, Acer Liquid2330 (5239789);

  2. zaktelefoon, Alcatel Onetouch (5239790).

Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de onder 1 en 2 genoemde voorwerpen aan verdachte dienen te worden geretourneerd nu het belang van strafvordering zich daartegen niet verzet.

10 Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

10.1.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij geheel toe te wijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

10.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ter terechtzitting de vordering van de benadeelde partij betwist, met dien verstande dat hij -kort gezegd- van mening is dat de vordering voor wat betreft de schadeposten eigen risico zorgverzekering, kosten leenauto en kosten rechtsbijstand dient te worden afgewezen en de gevorderde immateriële schade dient te worden gematigd.

De raadsman heeft zich ten aanzien van de schadepost eigen risico op het standpunt gesteld dat het bedrag van 195,- euro onvoldoende is onderbouwd. Voor het overige deel van het eigen risico is de raadsman van mening dat dit eventuele toekomstige en nog niet te duiden schade betreft, zodat deze schade -wegens het ontbreken van een causaal verband- niet voor vergoeding in aanmerking komt.

De raadsman heeft zich ten aanzien van de schadepost leenauto op het standpunt gesteld dat en niet kan worden gecontroleerd of de kosten daadwerkelijk zijn gemaakt en bij een allrisk verzekering leenauto’s deel uitmaken van het pakket.

Ten aanzien van de schadepost kosten rechtsbijstand heeft de raadsman aangevoerd dat de benadeelde partij gebruik had kunnen maken van gefinancierde rechtsbijstand, zoals bepaald in artikel 44, vierde lid, Wet Rechtsbijstand.

De raadsman heeft voorts bepleit dat de gevorderde immateriële schade dient te worden gematigd omdat deze schade niet is onderbouwd met een doktersverklaring noch met een verklaring van een psycholoog of psychiater.

10.3.

Oordeel van de rechtbank

De benadeelde partij [persoon 2] vordert € 2.151,53 aan materiële schadevergoeding en

€ 1.500,- aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente over beide bedragen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de behandeling van de vordering van de benadeelde partij niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde rechtstreeks schade heeft geleden.

Ten aanzien van de materiële schade is de rechtbank met de raadsman van oordeel dat het gevorderde te verwachten bedrag aan eigen risico niet voor vergoeding in aanmerking komt, nu onvoldoende is komen vast te staan dat deze kosten daadwerkelijk door de benadeelde partij zijn gemaakt als gevolg van deze zaak. De rechtbank zal de vordering ten aanzien van het eigen risico daarom toewijzen tot een bedrag van € 195,-, zijnde de nota van de zorgverzekeraar met vervaldatum 28 oktober 2016. Voor de overige gevorderde materiële schade acht de rechtbank de vordering voldoende onderbouwd en is deze ook een rechtstreeks gevolg van het aan verdachte toe te rekenen feit. De rechtbank concludeert dat de vordering tot materiële schadevergoeding tot een bedrag van in totaal € 1.961,23, bestaande uit € 195,- eigen risico, € 300,- behandeling fysiotherapie, € 350,- kosten leenauto, € 1.116,23 kosten rechtsbijstand inclusief btw zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over de bedragen € 195,-, € 300,- en € 350,-, vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten 20 augustus 2016, tot aan de dag van de algehele voldoening.

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 1 bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade, aangezien deze ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel en psychische klachten heeft opgelopen. De hoogte van de vordering is ter terechtzitting betwist. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op € 750,-, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten 20 augustus 2016, tot aan de dag van de algehele voldoening.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering, zodat zij dit deel van haar vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer [persoon 2] naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1 bewezen geachte feit is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 2.711,23, bestaande uit € 750,- aan immateriële schade en

€ 1.961,23 aan materiële schade, te weten € 195,- eigen risico, € 300,- behandeling fysiotherapie, € 350,- kosten leenauto, € 1.116,23 kosten rechtsbijstand inclusief btw, te vermeerderen met de wettelijke rente over de bedragen € 195,-, € 300,- , € 350,- en € 750,-, vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten 20 augustus 2016, tot aan de dag van de algehele voldoening.

11 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 36f, 45, 57, 300 en 302 van het Wetboek van Strafrecht. Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

12 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 tweede cumulatief/alternatief, 2 primair, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van het onder 1 tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde en het onder 2 primair bewezenverklaarde:

poging tot zware mishandeling, meermalen gepleegd;

ten aanzien van het onder 3 en 4 bewezenverklaarde:

mishandeling, meermalen gepleegd.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 18 (achttien) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 6 (zes) maanden, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 3 (drie) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde voor het einde van de proeftijd de volgende algemene en bijzondere voorwaarden niet is nagekomen.

Algemene voorwaarden

  1. Veroordeelde maakt zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig aan een strafbaar feit.

  2. Veroordeelde verleent zijn medewerking ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.

3. Veroordeelde verleent zijn medewerking aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Bijzondere voorwaarden

4. Meldplicht

De veroordeelde moet zich binnen drie werkdagen na einde detentie melden bij Reclassering Nederland, op het adres behorende bij zijn woonplek. Hierna moet veroordeelde zich blijven melden zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht en dient hij zich te houden aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft, ook als dit inhoudt deelname aan het woonbegeleidingsprogramma van Stichting Exodus of soortgelijke instantie en/of behandeling voor zijn middelengebruik.

5. Behandelverplichting – ambulante behandeling

De veroordeelde wordt verplicht om zich te laten behandelen bij de Divisie Forensische Psychiatrie van de GGZ of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven.

6. Contactverbod

Veroordeelde wordt verboden contact te (laten) leggen met zijn ex-partner, mevrouw [persoon 1] , zolang de reclassering dit noodzakelijk acht en in overleg met het Openbaar Ministerie.

Geeft aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Gelast de teruggave aan verdachte van:

  1. zaktelefoon, Acer Liquid2330 (5239789);

  2. zaktelefoon, Alcatel Onetouch (5239790).

Wijst de vordering van de benadeelde partij [persoon 2], wonende te [woonplaats] (Suriname) toe tot een bedrag van € 2.711,23 (tweeduizendzevenhonderdelf euro en drieëntwintig eurocent), bestaande uit

  • -

    € 750,- (zevenhonderdvijftig euro) immateriële schade en

  • -

    € 1.961,23 (duizendnegenhonderdéénenzestig euro en drieëntwintig eurocent) materiële schade.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding van € 750,- en voormeld bedragen aan materiele schadevergoeding van € 195,-, € 300,- en € 350, vermeerderd wordt met de wettelijke rente daarover vanaf 20 augustus 2016 tot aan de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte aan [persoon 2] voornoemd het toegewezen bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [persoon 2] , te betalen de som van € 2.711,23, te vermeerderen met de wettelijke rente

over de bedragen € 195,-, € 300,- , € 350,- en € 750,-, vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten 20 augustus 2016, tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 37 (zevenendertig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van de voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. P. B. Martens, voorzitter,

mrs. W.H. van Benthem en C.F. de Lemos Benvindo, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. K. Bruil, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 30 december 2016.