Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:9466

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
20-12-2016
Datum publicatie
28-10-2019
Zaaknummer
13/751502-16
Rechtsgebieden
Europees strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

overlevering, Hongarije, detentieomstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751502-16

RK nummer: 16/5041

Datum uitspraak: 6 december 2016

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 20 juli 2016 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 4 juli 2016 door the Debrecen District Court (Hongarije) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon],

geboren te [geboorteplaats] (Hongarije) op [geboortedag] 1982,

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres:

[adres]

thans gedetineerd in [detentieadres],

hierna te noemen “de opgeëiste persoon”.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 20 september 2016. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. J.J.M. Asbroek.

De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. C.J.M. Jansen, advocaat te Tilburg en door een tolk in de Hongaarse taal.

De rechtbank heeft de behandeling van de zaak aangehouden in afwachting van de antwoorden van de in de vergelijkbare zaak, met nummer ECLI:NL:RBAMS:2016:5207, aan het Hof van Justitie gestelde prejudiciële vragen.

Op 10 november 2016 heeft het Hof van Justitie in zaak C-453/16 PPU (Özçelik) bovenbedoelde prejudiciële vragen beantwoord.

Nadien heeft de rechtbank de behandeling van de vordering hervat op de zitting van 6 december 2016. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie

mr. K. van der Schaft. De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman,

mr. C.J.M. Jansen, advocaat te Tilburg en door een tolk in de Hongaarse taal.

De opgeschorte beslistermijn waarbinnen de rechtbank op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak zou moeten doen is vanaf 10 november 2016, te weten de datum van het arrest van het Hof van Justitie, weer gaan lopen. Tevens heeft de rechtbank met terugwerkende kracht de bedoelde beslistermijn met dertig dagen verlengd.

De reden hiervan is gelegen in het feit dat de rechtbank er niet in slaagt binnen de in de wet bepaalde termijn uitspraak te doen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Hongaarse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

3.1.

Grondslag EAB

In deze zaak is het aan het EAB ten grondslag liggende nationale arrestatiebevel uitgevaardigd door the National Tax and Customs Administration’s (NTCA) Northern Great Plane Criminal Directorate, reviewed and approved op 29 juni 2016 door the Debrecen District and Investigating Prosecutor’s office. De zaak is op dit punt in grote mate gelijk aan de zaak met nummer ECLI:NL:RBAMS:2016:5207 waarin prejudiciële vragen zijn gesteld naar aanleiding van ECLI:EU:C:2016:385 (Bob-Dogi) over de uitleg van de uitdrukking ‘rechterlijke beslissing’ zoals bedoeld in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, Kaderbesluit 2002/584/JBZ.

De rechtbank heeft de volgende prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie voorgelegd:

1. Is de uitdrukking ‘rechterlijke beslissing’ zoals bedoeld in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, Kaderbesluit 2002/584/JBZ een autonoom en uniform uit te leggen begrip van Unierecht?

2. Zo ja, welke betekenis heeft dit begrip?

3. Levert de bekrachtiging door een lid van het Openbaar Ministerie van een voordien door de politie uitgevaardigd nationaal aanhoudingsbevel zoals aan de orde in het onderhavige geval een dergelijke ‘rechterlijke beslissing’ op?

Op 10 november 2016 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) in zaak C-453/16 PPU in antwoord op bovenstaande prejudiciële vragen onder meer het volgende overwogen:

"36. Dienaangaande blijkt uit de informatie die de Hongaarse regering het Hof heeft verschaft dat bekrachtiging van het nationaal aanhoudingsbevel door het openbaar ministerie de uitvoerende rechterlijke autoriteit de garantie biedt dat het Europees aanhoudingsbevel gebaseerd is op een beslissing die rechterlijk is getoetst. Een dergelijke bekrachtiging rechtvaardigt bij gevolg de in het vorige punt van het onderhavige arrest genoemde hoge mate van vertrouwen tussen de lidstaten.

37. Daaruit volgt dat een beslissing van een openbaar ministerie als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, onder het begrip "rechterlijke beslissing” in de zin van artikel 8, lid 1, onder c), van het kaderbesluit valt.

Het HvJ EU heeft voor recht verklaard:

Artikel 8, lid 1, onder c), van kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten, zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299/JBZ van de Raad van 26 februari 2009, moet aldus worden uitgelegd dat een bekrachtiging, zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde is, door het openbaar ministerie van een nationaal aanhoudingsbevel dat voordien door een politiedienst is uitgevaardigd met het oog op strafvervolging, een „rechterlijke beslissing” in de zin van die bepaling is.

De rechtbank stelt vast dat in deze zaak het nationaal arrestatiebevel weliswaar is uitgevaardigd door een uitvoerende macht maar dat deze beslissing later door het Hongaarse Openbaar Ministerie is bekrachtigd waardoor deze beslissing gelet op bovenstaande uitleg van het Hof van Justitie een rechterlijke beslissing in de zin van artikel 8, lid 1, onder c), van het kaderbesluit is. De rechtbank is op grond van al het voorgaande van oordeel dat het nationale arrestatiebevel voldoet aan de daartoe gestelde vereisten.

3.2

Inhoud EAB

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar het recht van Hongarije strafbaar feit.

Dit feit is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4 Strafbaarheid

Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit het strafbare feit heeft aangeduid als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Het feit valt op deze lijst onder nummer 20, te weten:

oplichting

Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op dit feit naar het recht van Hongarije een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

5 Artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie

Uit het arrest van het HvJ EU inzake Aranyosi en Căldăraru volgt dat indien de uitvoerende rechterlijke autoriteit bewijzen heeft dat er in het algemeen een reëel gevaar bestaat dat personen die in de uitvaardigende lidstaat zijn gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld, beoordeeld moet worden of dit gevaar in geval van overlevering voor de opgeëiste persoon aanwezig is. Daarbij moet zij zich allereerst baseren op objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens over de detentieomstandigheden die heersen in de uitvaardigende lidstaat en die kunnen duiden op gebreken die hetzij structureel of fundamenteel zijn, hetzij bepaalde groepen van personen raken, hetzij bepaalde detentiecentra betreffen (HvJ EU 5 april 2016, C-404/15 en C-659/15 PPU, ECLI:EU:C:2016:198 (Aranyosi en Căldăraru), punten 88-89).

De brief van het Hongaarse Ministry of Justice, Department of International Criminal Law, van 22 september 2016 vermeld onder meer het volgende:

"Re: surrender proceedings against [opgeëiste persoon] (born in [geboorteplaats] on [geboortedag], Hungarian national)

(…)

The Ministry of Justice of Hungary – acting as Central Authority – presents its compliments to the Arrondissementsparket Amsterdam and referring to the European arrest warrant 4. Szv.5317/2014 issued by the Court of Justice of Budapest has the honour inform it that the National Headquarters of the Hungarian Prison Service provided the assurance that after his surrender, [opgeëiste persoon] wil be held either at the Penitentiary Institute of Szombathely or Tiszalök, where the detention conditions are CPT compliant. This assurance is recorded in

Mr [opgeëiste persoon]'s personal file, consequently, all penitentiary institutes will be aware of the assurance. Mr [opgeëiste persoon] will have the right to file a complaint in connection with detention conditions.

As of 1 st January 2015, Hungary has signed, ratified and implemented the Optional Protocol to the UN Convention against Torture (OPCAT) and his set up the General Ombudsman as it’s National Preventative Mechanism. Accordingly the General Ombudsman will monitor compliance with this assurance.

The Ministry of Justice of Hungary avails itself of this opportunity to express the assurances of its highest consideration."

Uit bovenstaande brief volgt dat de opgeëiste persoon zal worden geplaatst in hetzij de gevangenis in Szombathely hetzij de gevangenis in Tiszalok. Recentelijk heeft de rechtbank in een vergelijkbare zaak op basis van dezelfde informatie van de Hongaarse autoriteiten geconcludeerd dat er geen bewijzen zijn voor een algemeen gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling in de gevangenissen in Szombathely en Tiszalok, zodat de rechtbank niet toekomt aan de beantwoording van de vraag of de opgeëiste persoon in die gevangenissen een reëel gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling loopt, zie de uitspraak van de rechtbank van 4 augustus 2016, nummer ECLI:NL:RBAMS:2016:4966.

Tevens staat in de aangehaalde brief vermeld dat is vermeld dat de detentieomstandigheden in de gevangenissen van Szombathely en Tiszalok “CPT-compliant” zijn.

De rechtbank ziet geen reden om in de onderhavige zaak andere conclusies te trekken en komt net als in voornoemde zaak tot de conclusie dat er geen bewijzen zijn dat een reëel algemeen gevaar bestaat dat personen die in voornoemde twee inrichtingen zijn gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld in de zin van artikel 4 van het Handvest.

6. Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

7 Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5 en 7 OLW.

8 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Debrecen District Court (Hongarije) ten behoeve van het in Hongarije tegen hem gerichte strafrechtelijk onderzoek naar het feit waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Aldus gedaan door

mr. H.P. Kijlstra, voorzitter,

mrs. A.K. Glerum en R.A.J. Hübel, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. H.L. van Loon, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 6 december 2016.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.