Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:9336

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
29-12-2016
Datum publicatie
16-02-2017
Zaaknummer
AMS 16/127
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2018:666, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing Wob-verzoek over openbaarmaking van documenten over organisaties betrokken bij protesten tegen gaswinning. Eiser heeft de rechtbank geen toestemming verleend kennis te nemen van de niet openbaar gemaakte documenten met weergave weigeringsgrond per documentonderdeel. Zonder inzage in deze stukken is het niet mogelijk te beoordelen of verweerder terecht heeft geweigerd de desbetreffende passages openbaar te maken. De gevolgen hiervan dienen naar het oordeel van de rechtbank voor rekening van eiser te komen. Geen sprake van schending van het beginsel van equality of arms of strijd met de goede procesorde. Zonder kennisneming van deze stukken is niet gebleken dat verweerder de aangehaalde weigeringsgronden niet aan zijn besluit ten grondslag mocht leggen of onvoldoende gemotiveerd heeft waarom openbaarmaking van de opgevraagde documenten wordt geweigerd. Verweerder moet wel proceskosten vergoeden in verband met wijziging van zijn standpunt in beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 16/127

uitspraak van de meervoudige kamer van 29 december 2016 in de zaak tussen

[eiser] , te Amsterdam, eiser

(gemachtigde: mr. H. van Drunen),

en

[verweerder] , verweerder

(gemachtigde: mr. F.E.I.H. Muijtjens).

Procesverloop

Bij besluit van 28 juli 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers verzoek om informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) afgewezen.

Bij besluit van 1 december 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft de stukken waarvan openbaarmaking is geweigerd, overgelegd met een beroep op artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Eiser heeft de rechtbank toestemming verleend om kennis te nemen van de niet openbaar gemaakte documenten als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb.

Verweerder heeft op 26 mei 2016 een tweede set van de stukken overgelegd en heeft tevens een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft de rechtbank bij brief van 8 juni 2016 geen toestemming verleend om van de tweede set stukken kennis te nemen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 september 2016.

Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Namens verweerder was ook [naam] aanwezig.

Bij beslissing van 12 september 2016 heeft de rechtbank het onderzoek heropend, zodat de gemachtigde van verweerder een machtiging over kan leggen waaruit blijkt dat zij bevoegd is de minister in deze procedure te vertegenwoordigen.

Bij brief van 16 september 2016 heeft verweerder de gevraagde machtiging overgelegd.

Met toestemming van partijen is vervolgens een nadere zitting achterwege gelaten en is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Bij brief van 10 april 2014 heeft eiser (onder meer) op grond van de Wob verzocht om openbaarmaking van alle documenten met betrekking tot organisaties in de provincie Groningen en omstreken die actief zijn betrokken bij of deelnemen aan protesten tegen handelen van de overheid en het bedrijfsleven in het kader van gaswinning in de periode 2012 tot en met 2014.

2. Bij het primaire besluit heeft verweerder bericht dat op basis van het verzoek van eiser in totaal 111 documenten zijn aangetroffen waarin aan het verzochte onderwerp wordt gerefereerd. Eisers verzoek is om de navolgende redenen afgewezen.

In een aantal gevallen zijn de passages die betrekking hebben op de in het Wob-verzoek genoemde aangelegenheid afkomstig uit open bronnen en al openbaar. Op deze informatie is de Wob niet van toepassing.

De integrale tekst van de documenten 2-27, 29-47, 49-69 en 111 ziet grotendeels op andere onderwerpen dan de in het Wob-verzoek genoemde bestuurlijke aangelegenheid. Deze stukken vallen daarom grotendeels buiten de reikwijdte van het Wob-verzoek.

Verweerder heeft het verzoek voor het overige – kort gezegd – afgewezen op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e (persoonlijke levenssfeer), onder g (onevenredige benadeling) en artikel 11 (persoonlijke beleidsopvattingen ten behoeve van intern beraad) van de Wob.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en het primaire besluit onder aanvulling van de motivering gehandhaafd.

4. De rechtbank stelt vast dat verweerder op 2 februari 2016 een eerste set van de geheime stukken heeft overgelegd. Eiser heeft de rechtbank toestemming gegeven kennis te nemen van deze niet openbaar gemaakte informatie.

5. Vervolgens heeft verweerder bij brief van 25 mei 2016 nogmaals de documenten toegezonden waarvan openbaarmaking is geweigerd. Anders dan bij de eerste set stukken, is bij deze tweede set stukken per documentonderdeel weergegeven welke weigeringsgrond volgens verweerder hierop van toepassing is. Eiser heeft de rechtbank geen toestemming gegeven voor kennisneming van de niet openbaar gemaakte informatie in deze tweede set stukken. Volgens eiser heeft verweerder ten onrechte nagelaten aan eiser inzichtelijk te maken welke passage op welke grond is geweigerd. Door de rechtbank wel en eiser niet dit inzicht te verschaffen, handelt verweerder in strijd met het beginsel van equality of arms en de goede procesorde. Ter zitting is eiser gewezen op de gevolgen van het niet verlenen van toestemming en heeft eiser zijn standpunt gehandhaafd. Eiser heeft toegelicht dat hij in zijn belang wordt geschaad, omdat hem niet bekend is welke weigeringsgrond verweerder op welke passage heeft toegepast.

6. Onder verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank van 26 februari 2016 (ECLI:NL:RBAMS:2016:946) overweegt de rechtbank dat het voor de beoordeling of de openbaarmaking terecht is geweigerd, noodzakelijk is dat verweerder specificeert welke weigeringsgrond op (ten minste) welke alinea van toepassing is. De rechtbank dient daarvoor kennis te nemen van de tweede set stukken. Eiser heeft daarvoor geen toestemming verleend. Zonder inzage in deze stukken is het voor de rechtbank niet mogelijk te beoordelen of verweerder op grond van de door haar aangegeven Wob-grond terecht heeft geweigerd de desbetreffende passages openbaar te maken. De gevolgen hiervan dienen naar het oordeel van de rechtbank voor rekening van eiser te komen.

7. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat het niet eerlijk is wanneer de rechtbank wel en eiser niet de tweede set stukken mag inzien. De rechtbank stelt voorop dat het inherent is aan een Wob-procedure dat eiser niet op gelijke wijze als de rechtbank over informatie beschikt, nu het juist ter beoordeling aan de rechtbank is of verweerder openbaarmaking van de informatie op goede gronden heeft geweigerd. In dit geval heeft verweerder openbaarmaking van de stukken integraal geweigerd. Verweerder heeft ter motivering daarvan verwezen naar de motivering in de besluitvorming en de ter zitting overgelegde inventarislijst. De rechtbank is van oordeel dat met de door verweerder gegeven motivering voor eiser in dit geval voldoende inzichtelijk is gemaakt op welke grond verweerder openbaarmaking heeft geweigerd. Er is geen sprake van schending van het beginsel van equality of arms of strijd de goede procesorde, zoals eiser heeft gesteld. Ook overigens is de rechtbank zonder de kennisneming van de geheime stukken, niet op een andere wijze gebleken dat verweerder de aangehaalde weigeringsgronden niet aan zijn besluit ten grondslag mocht leggen of onvoldoende gemotiveerd heeft waarom openbaarmaking van de opgevraagde documenten wordt geweigerd.

8. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het beroep ongegrond verklaren.

9. Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat ten aanzien van de documenten 2, 19 en 66 afkomstig van de AIVD niet de Wob maar de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 (Wiv) van toepassing is.

10. Nu verweerder ter zitting zijn standpunt ten aanzien van deze drie documenten heeft gewijzigd, ziet de rechtbank aanleiding te bepalen dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt en wordt veroordeeld in de door eiser gemaakte proceskosten.

Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 992,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 496,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168,- aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 992,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Hirzalla, voorzitter, en mr. N.J. Koene en mr. B.C. Langendoen, leden, in aanwezigheid van mr. C. Pol, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 december 2016.

griffier

voorzitter

Bij afwezigheid van de voorzitter is deze uitspraak ondertekend door de oudste rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.