Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:9312

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
15-12-2016
Datum publicatie
20-01-2017
Zaaknummer
13.751.759-16, 16/6743
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Overlevering. EAB uitgevaardigd door een ‘rechterlijke autoriteit’ in de zin van art. 6 lid 1 Kaderbesluit 2002/584/JBZ? De overleveringsrechter is – in een voorkomend geval – bevoegd om na te gaan of het EAB is uitgevaardigd door een ‘rechterlijke autoriteit’ die daartoe door de uitvaardigende lidstaat is ‘aangeduid’, maar niet of die ‘aanduiding’ naar het recht van de uitvaardigende lidstaat rechtmatig is. De mededeling van de bevoegde ‘rechterlijke autoriteiten’ als bedoeld in art. 6 lid 3 Kaderbesluit 2002/584/JBZ is niet constitutief voor de bevoegdheid tot het uitvaardigen van EAB’s.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13.751.759-16

RK-nummer: 16/6743

Datum uitspraak: 15 december 2016

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 30 september 2016 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 14 september 2016 door de Rigsadvokaten (Denemarken) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963,

ingeschreven in de Basisregistratie personen en verblijvend op het adres [adres] , [woonplaats] ,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 1 december 2016. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officieren van justitie mrs. A. Oswald en K. van der Schaft. De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. J. Rammelt, advocaat te Amsterdam.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak zou moeten doen met dertig dagen verlengd. De reden hiervan is gelegen in het feit dat zij er niet in slaagt binnen de in de wet bepaalde termijn uitspraak te doen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De opgeëiste persoon heeft ter zitting desgevraagd bevestigd dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft. De rechtbank heeft na de zitting geconstateerd dat in het EAB nog een vierde voornaam ( [naam] ) staat vermeld. De rechtbank vindt hierin geen aanleiding voor nader onderzoek naar de identiteit, aangezien zij geen twijfel heeft dat de voor haar verschenen persoon de in het EAB bedoelde opgeëiste persoon is.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van de uitspraak op 2 mei 2013, gedaan door de Rechtbank van Kolding, waarbij de opgeëiste persoon in absentia werd veroordeeld tot voorlopige hechtenis.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan één naar het recht van Denemarken strafbaar feit.

Dit feit is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4 Bevoegdheid tot uitvaardiging van het EAB

4.1

Inhoud van de stukken

Uit de stukken blijkt dat tegen de opgeëiste persoon op 21 mei 2013 een inhoudelijk gelijkluidend EAB is uitgevaardigd door het Deense ministerie van Justitie. Dit EAB stond geagendeerd op de zitting van deze rechtbank van 22 september 2016, maar de vordering tot het in behandeling nemen van dat EAB is voor die zitting ingetrokken.

De brief van het Deense ministerie van Justitie van 20 september 2016 houdt onder meer het volgende in:

(…)

3. The Danish Ministry of Justice can inform the Dutch authorities, that according to Article 6 paragraph 1 of the Council framework Decision of 13 June 2002 on the European arrest warrant and the surrender procedures between Member States; the issuing judicial authority shall be the judicial authority of the issuing Member State which is competent to issue a European arrest warrant by virtue of the law of that State. The Danish Ministry of Justice is the judicial authority by virtue of the law of Denmark, thus competent to issue European arrest warrants.

Thus, the executing member state may not refuse to execute a European arrest warrant on the grounds that the Danish Ministry of Justice is not a Danish judicial authority and cannot issue a European arrest warrant within the framework of Council Framework Decision 2002/584/JHA. The executing member state may only refuse to execute a European arrest warrant if the grounds for non-execution mentioned in Article 3 and 4 of the framework decision are present.

However, based on the information regarding the court hearing at the Court in Amsterdam on 22 September 2016, the Danish Ministry of Justice has considered the question of issuing a new European arrest warrant. Due to the circumstances of the case, including the seriousness of the charges against [opgeëiste persoon] and the time elapsed since the crime was committed, and taking into account that the Danish Ministry of Justice on 1 June 2016 delegated the competence to issue European arrest warrants to the Danish Director of Public Prosecution, the Danish Ministry of Justice has as an exception decided to withdraw the European arrest warrant of 21 May 2013 and to forward a new European arrest warrant issued by the Danish Director of Public Prosecution.

4. Consequently, the Danish Director of Public Prosecution has issued a new European arrest warrant on 14 September 2016, regarding a request for extradition of [opgeëiste persoon] , for the purpose of prosecution in Denmark regarding the same counts. Please find enclosed the new arrest warrant of 14 September 2016.

(…)

Het e-mailbericht van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 1 december 2016 houdt onder meer het volgende in:

Please find below our answers to the questions posed by the Court of Amsterdam.

1. The delegation of competence to issue a European arrest warrant from the Ministry of Justice to the Director of Public Prosecutions is a general delegation, meaning that the competence in every case now lies with the Director of Public Prosecutions autonomously.

2. The Director of Public Prosecutions is the non‐political head of the hierarchic Prosecution Service. (…)

3. Yes, the Director of Public Prosecutions has the autonomous authority to issue or withdraw an EAW independently without the consent of the Ministry of Justice.

Het EAB van 14 september 2016 is uitgevaardigd door de Rigsadvokaten. De rechtbank begrijpt de brief en het e-mailbericht zo, dat met ‘Director of Public Prosecutions’ de Rigsadvokaten wordt aangeduid. De brief van 27 september 2016 (zie hierna onder 6) bevestigt deze lezing: deze brief is afgedrukt op briefpapier waarop in het briefhoofd zowel Rigsadvokaten als Director of Public Prosecutions is afgedrukt.

4.2

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair betoogd dat de overlevering moet worden geweigerd, omdat de rechtbank niet kan nagaan hoe de toedeling van de bevoegdheid om EAB’s uit te vaardigen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit is geregeld. Hij heeft daartoe, kort gezegd, het volgende aangevoerd.

Het Deense ministerie van Justitie zou de bevoegdheid tot uitvaardiging van het EAB aan de ‘Director of Public Prosecutions’ hebben gedelegeerd. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof van Justitie) volgt dat een ministerie van Justitie niet een ‘rechterlijke autoriteit’ in de zin van artikel 6, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ is. Het Deense ministerie van Justitie had dus geen bevoegdheid om EAB’s uit te vaardigen. Een bevoegdheid die men niet heeft, kan men niet aan een andere instantie overdragen. Er is niet gebleken van een wetswijziging waarbij de Deense wetgever de bevoegdheid om EAB’s uit te vaardigen heeft toegekend aan de ‘Director of Public Prosecutions’.

Bovendien heeft Denemarken niet – overeenkomstig artikel 6, derde lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ – kennis gegeven aan de Europese Unie van de overdracht van de bevoegdheid.

Subsidiair heeft de raadsman aanhouding van de behandeling van het EAB verzocht, teneinde nadere informatie op te vragen bij de uitvaardigende justitiële autoriteit.

4.3

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officieren van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat het primaire verweer niet kan slagen en hebben zich verzet tegen inwilliging van het subsidiaire verzoek om aanhouding van de behandeling van het EAB. Zij hebben daartoe het volgende aangevoerd.

Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie volgt dat onder het begrip ‘rechterlijke autoriteit’ niet alleen rechters, maar ook het Openbaar Ministerie vallen.

Met ingang van 1 juni 2016 is uitsluitend het Deense Openbaar Ministerie bevoegd om EAB’s uit te vaardigen. Hoe deze bevoegdheid naar Deense recht bij deze instantie terecht is gekomen, staat niet ter beoordeling van de rechtbank.

Het Deense Openbaar Ministerie is een ‘rechterlijke autoriteit’ in de zin van artikel 6, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ. De kennisgeving als bedoeld in artikel 6, derde lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ is niet constitutief.

4.4

Oordeel van de rechtbank

Artikel 1, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ luidt als volgt:

Artikel 1

Verplichting tot tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel

1. Het Europees aanhoudingsbevel is een rechterlijke beslissing die door een lidstaat wordt uitgevaardigd met het oog op de aanhouding en de overlevering door een andere lidstaat van een persoon die gezocht wordt met het oog op strafvervolging of uitvoering van een tot vrijheidsbeneming strekkende straf of maatregel.

Artikel 6, eerste en derde lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ luidt als volgt:

Artikel 6

Bevoegde rechterlijke autoriteiten

1. De uitvaardigende rechterlijke autoriteit is de rechterlijke autoriteit van de uitvaardigende lidstaat die bevoegd is om een Europees aanhoudingsbevel uit te vaardigen krachtens het recht van de uitvaardigende lidstaat.

(…)

3. Iedere lidstaat deelt het secretariaat-generaal van de Raad mee welke rechterlijke autoriteit volgens zijn interne recht bevoegd is.

Op grond van de rechtspraak van het Hof van Justitie moet onderscheid worden gemaakt tussen enerzijds de ‘rechterlijke autoriteit’ als bedoeld in artikel 6, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ die naar het recht van een lidstaat bevoegd is om een EAB uit te vaardigen en anderzijds de ‘aanduiding’ door de lidstaten van die ‘rechterlijke autoriteit’.

Alleen EAB’s in de zin van artikel 1, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ moeten ten uitvoer worden gelegd. Het in die bepaling gebezigde begrip ‘rechterlijke beslissing’ vereist de uitvaardiging van een EAB door een ‘rechterlijke autoriteit’ als bedoeld in artikel 6, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ. Volgens de laatste bepaling is de uitvaardigende rechterlijke autoriteit de rechterlijke autoriteit van de uitvaardigende lidstaat die bevoegd is om een EAB uit te vaardigen krachtens het recht van de uitvaardigende lidstaat. Het begrip ‘rechterlijke autoriteit’ is een autonoom begrip van Unierecht dat in de gehele Unie uniform moet worden uitgelegd. De betekenis en strekking van dat begrip kan dan ook niet worden overgelaten aan elke lidstaat (HvJ EU 10 november 2016, C-477/16 PPU, ECLI:EU:C:2016:861 (Kovalkovas), punten 31-33).

Daarentegen is de ‘aanduiding’ van een ‘rechterlijke autoriteit’ die bevoegd is om een EAB uit te vaardigen een zaak van het nationale recht van de lidstaten, overeenkomstig het beginsel van procedurele autonomie (Kovalkovas, punt 31).

De rechtbank leidt daaruit af dat zij – in een voorkomend geval – bevoegd is om na te gaan of het EAB is uitgevaardigd door een ‘rechterlijke autoriteit’ in de zin van artikel 6, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ die daartoe door de uitvaardigende lidstaat is ‘aangeduid’, maar niet of die ‘aanduiding’ naar het recht van de uitvaardigende lidstaat rechtmatig is.

Het Hof van Justitie heeft geoordeeld dat:

- het begrip ‘rechterlijke autoriteit’ ook doelt op de autoriteiten die in de lidstaten deelnemen aan de strafrechtsbedeling, met uitsluiting van de politiediensten (HvJ EU 10 november 2016, C-452/16 PPU, ECLI:EU:C:2016:858 (Poltorak), punt 38) en

- het Openbaar Ministerie een autoriteit is die tot taak heeft in een lidstaat deel te nemen aan de rechtsbedeling in strafzaken (HvJ EU 10 november 2017, C-453/16 PPU, ECLI:EU:C:2016:860 (Özçelik), punt 34).

Daaruit volgt dat het Openbaar Ministerie een ‘rechterlijke autoriteit’ in de zin van artikel 6, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ is (vgl. Özçelik, punten 32-34).

Uit de brief van 20 september 2016 en het e-mailbericht van 1 december 2016 blijkt dat Denemarken de Rigsadvokaten – die aan het hoofd staat en deel uitmaakt van het Deense Openbaar Ministerie – heeft aangeduid als de autoriteit die bevoegd is om een EAB uit te vaardigen. Het EAB is dus uitgevaardigd door een ‘rechterlijke autoriteit’ die daartoe door de uitvaardigende lidstaat is aangeduid.

De omstandigheid dat Denemarken kennelijk niet de kennisgeving als bedoeld in artikel 6, derde lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ heeft gedaan, is niet relevant. Noch uit de tekst noch uit de plaatsing van deze bepaling volgt dat een dergelijke kennisgeving constitutief zou zijn voor de bevoegdheid om een EAB uit te vaardigen. Indien er van wordt uitgegaan dat de voorgeschreven kennisgeving (mede) tot doel heeft om het de uitvoerende rechterlijke autoriteiten van de lidstaten mogelijk te maken op betrekkelijk eenvoudige wijze na te gaan welke autoriteiten de lidstaten hebben aangewezen als uitvaardigende rechterlijke autoriteiten, is deze doelstelling op een andere wijze bereikt. Het Deense ministerie van Justitie heeft in de onderhavige zaak immers meegedeeld dat de Rigsadvokaten naar Deens recht de bevoegde autoriteit is.

De rechtbank verwerpt dan ook het primaire verweer en wijst het subsidiaire verzoek af.

5 Strafbaarheid

Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit het strafbare feit heeft aangeduid als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Het feit valt op deze lijst onder nummer 5, te weten:

illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.

Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op dit feit naar het recht van Denemarken een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

6 De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom alleen worden toegestaan, indien naar het oordeel van de rechtbank is gewaarborgd dat, zo hij ter zake van de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan.

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft op 27 september 2016 de volgende garantie gegeven:

The Danish Director of Public Prosecutions can hereby inform the Dutch authorities

that [opgeëiste persoon] will be allowed to carry out the sentence of imprisonment in the Netherlands in case he is convicted for the counts covered by the European arrest warrant issued on 14 September 2016.

The potential transfer of [opgeëiste persoon] will be dealt with in accordance with the Council Framework Decision of 27 November 2008 on the application of the principle of mutual recognition to judgments in criminal matters imposing custodial sentences or measures involving deprivation of liberty for the purpose of their enforcement in the European Union (2008/909/JHA with subsequent amendments).

Uit artikel 2:13, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties volgt dat deze garantie alleen kan worden geëffectueerd, indien het feit ook naar Nederlands recht een strafbaar feit oplevert.

Aan deze voorwaarde is voldaan. Het onder 5 bedoelde feit is inderdaad naar Nederlands recht strafbaar en levert op:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

7 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW

De rechtbank stelt vast dat het EAB betrekking heeft op een strafbaar feit dat geacht wordt geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW verbiedt in een dergelijk geval de overlevering voor dit feit.

De officieren van justitie hebben echter overeenkomstig artikel 13, tweede lid, OLW gevorderd dat wordt afgezien van de weigeringsgrond en hebben daartoe de volgende argumenten aangevoerd:

- het onderzoek heeft een aanvang genomen in Denemarken;

- het bewijs bevindt zich in Denemarken;

- de verdovende middelen waren bestemd voor de Deense markt en de rechtsorde aldaar is geschaad;

- medeverdachte(n) worden/zijn in Denemarken vervolgd;

- Denemarken heeft desgevraagd een terugkeergarantie verstrekt.

Het voorgaande brengt volgens de officier van justitie mee dat uit het oogpunt van een goede rechtsbedeling overlevering aan de Deense autoriteiten dient plaats te vinden en overname van de strafzaak door Nederland niet de voorkeur verdient.

De raadsman heeft geen verweer gevoerd tegen deze vordering.

De rechtbank stelt voorop dat artikel 13, tweede lid, OLW haar slechts een marginale toetsing van de vordering van de officier van justitie opdraagt en voor een verdergaande beoordeling geen ruimte biedt. Gelet op de door de officieren van justitie aangevoerde argumenten hebben zij in redelijkheid tot hun vordering kunnen komen. Er dient dan ook te worden afgezien van de in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW bedoelde weigeringsgrond.

8 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

9 Toepasselijke wetsartikelen

Artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 2, 5, 6, 7 en 13 van de Overleveringswet.

10 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Rigsadvokaten ten behoeve van het in Denemarken tegen hem gerichte strafrechtelijk onderzoek naar het feit waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Aldus gedaan door

mr. H.P. Kijlstra, voorzitter,

mrs. C. Klomp en A.J. Dondorp, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. V.H. Glerum, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 15 december 2016.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

B