Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:93

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
13-01-2016
Datum publicatie
18-01-2016
Zaaknummer
HA ZA 15-414
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzekeraars weigeren dekking onder opstalverzekering van een gestolen partij 18e eeuwse tegeltjes die uit een keuken van het herenhuis van een landgoed waren verwijderd tijdens een renovatie. De tegeltjes lagen in of naast een bouwkeet naast het herenhuis opgeslagen. Tussen partijen is niet in geschil dat de bedoeling was dat de tegeltjes na voltooiing van de renovatie in de keuken zouden worden teruggeplaatst. Nu de tegeltjes om die reden op grond van verkeersopvattingen bestanddeel gebleven zijn van het herenhuis, vormen zij nog onderdeel van de onroerende zaak en vallen zij onder de dekking van de opstalverzekering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RVR 2016/43
NJF 2016/118
RAV 2016/48
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/586061 / HA ZA 15-414

Vonnis van 13 januari 2016

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. A.J.H.W.M. Versteeg te Amsterdam,

tegen

1. de rechtspersoon naar Belgisch recht

ALLIANZ BENELUX N.V.,

gevestigd te Brussel (België),

2. de naamloze vennootschap

DELTA LLOYD SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

3. de naamloze vennootschap

REAAL SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Zoetermeer,

gedaagden,

advocaat mr. J.H. Duyvensz te Amsterdam.

Eiser zal hierna [eiser] worden genoemd. Gedaagde partijen zullen afzonderlijk worden aangeduid als Allianz, Delta Lloyd en Reaal en gezamenlijk als de Verzekeraars.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 1 juli 2015

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 1 december 2015

  • -

    de brief naar aanleiding van het proces-verbaal van mr. Versteeg, voornoemd, d.d. 9 december 2015.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is eigenaar van de opstallen die zich bevinden op de buitenplaats [langoed] te [woonplaats] , gemeente [gemeente] . De opstallen bestaan uit een herenhuis, de oranjerie en de theekoepel. De eigendom van deze opstallen heeft [eiser] verworven onder de verplichting om de gebouwen te restaureren. Dit herstel vindt plaats sinds [eiser] de eigendom heeft verworven in 19851.

2.2.

Door tussenkomst van Aon Nederland c.v. (hierna: Aon) heeft [eiser] met ingang van 1 juli 2008 een opstalverzekering gesloten met de Verzekeraars. Op het polisblad staat onder meer vermeld:

Risico-omschrijving:

op de opstallen gelegen op het landgoed “ [langoed] ” dienende tot bewoning en expositie/museum, entree poorten, orangerie, theehuis en aanlegsteigers met schoeiing”.

In de afgesloten verzekering is het respectievelijke aandeel van de Verzekeraars 40% voor Allianz, 35% voor Delta Lloyd en 25% voor Reaal.

2.3.

Op de verzekeringsovereenkomst zijn de Nederlandse Beursvoorwaarden voor Uitgebreide Gevarenverzekering (NBUG 2006) van toepassing. Voor zover relevant bevatten deze de volgende voorwaarden:

Artikel 2 OMVANG VAN DE DEKKING

(…)

2.2

Gevaren/gebeurtenissen:

(…)

2.2.9

Diefstal

Diefstal van tot het verzekerde gebouw behorende materialen, alsmede de beschadiging van dat gebouw als gevolg daarvan.

(…)

Artikel 3 DEEKKING NABIJ HET GEBOUW EN ELDERS BINNEN EUROPA

3.1

Deze verzekering dekt (…) tevens schade veroorzaakt door een verzekerd gevaar/gebeurtenis voor zover de verzekerde bedrijfsuitrusting/inventaris en/of goederen zich bevinden:

3.1.1

onder afdaken, onder overkappingen of op het terrein nabij de gebouwen op de adressen die op het polisblad genoemd zijn, (…)

(…)

3.4

Deze verzekering dekt tevens schade aan of verlies van afneembare delen van het verzekerde gebouw, die zich tijdelijk elders binnen Europa bevinden, door een verzekerd gevaar/gebeurtenis indien deze zaken zich bevinden:

- in gebouwen;

- buiten gebouwen (…)”

In artikel 8.2.2.1 van de voorwaarden is opgenomen dat bij de bepaling van de waarde van de verzekerde gevaarsobjecten in het geval dit gebouwen zijn, uitgegaan wordt van herbouwwaarde indien tot herstel wordt overgegaan.

2.4.

Op 19 augustus 2013 is een inbraak op het terrein van het landgoed geconstateerd waarbij gebleken is dat 5.000 18e eeuwse tegeltjes afkomstig uit het onderhuis van het herenhuis zijn gestolen. Deze tegeltjes waren verwijderd uit met name de keuken van dit herenhuis en tijdelijk opgeslagen naast het herenhuis in of nabij een bouwkeet met de bedoeling om na de restauratie te worden teruggeplaatst.

2.5.

[eiser] heeft zich tot de Verzekeraars gewend met de schade. Naar aanleiding van onder meer deze schade is een Rapport van Expertise van 2 september 2014 opgesteld door schade-expert [schade-expert] . In dit rapport valt – voor zover relevant – het volgende te lezen:

“Met betrekking tot de gestolen 18e eeuwse tegels maakt de heer [eiser] een voorbehoud met betrekking tot de hoogte van de schade (…). Indien echt soortgelijke 18e eeuwse tegels geleverd kunnen worden bedragen de kosten daarvan circa € 10,00 exclusief btw per stuk. Er zijn circa 5000 tegels gestolen (in overeenstemming met de politieaangifte). Wij hebben voorgesteld de schade te waarderen op het opnieuw produceren van soortgelijke tegels. Het schadebedrag zoals genoemd in onze schadevaststelling is daarop gebaseerd en de heer [eiser] overweegt dit te accepteren.

(…)

Schadevaststelling

(…)

inbraak 19 augustus (werkkeet)

(…)

Omschrijving opstal Waardering Kosten Omschrijving inboedel Kosten

(…)

**18e eeuwse tegels herstel € 23.688,47 (…)”

2.6.

De Verzekeraars hebben uiteindelijk dekking voor de diefstal van de tegeltjes geweigerd.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert samengevat - veroordeling van de Verzekeraars tot betaling van hun aandeel in de bedragen van € 50.000,- aan schade ten gevolge van de diefstal en een bedrag van € 12.500,- aan overige schade, vermeerderd met rente en kosten.

3.2.

De Verzekeraars voeren verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Dekking?

4.1.

Tussen partijen is allereerst in geschil of de diefstal van de tegeltjes gedekt wordt onder artikel 2.2.9 van de NBUG 2006. De Verzekeraars weigeren dekking op grond van dit artikel omdat zij zich op het standpunt stellen dat de tegeltjes door de verwijdering uit het herenhuis niet meer zijn aan te merken als tot het verzekerde gebouw behorende materialen. De rechtbank deelt dit standpunt niet en heeft daartoe als volgt overwogen.

4.2.

Op grond van artikel 3:4 lid 1 BW is al hetgeen volgens verkeersopvatting onderdeel uitmaakt van een zaak, bestanddeel van die zaak. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt dat een aanwijzing dat een zaak volgens verkeersopvatting als onderdeel van een hoofdzaak heeft te gelden, kan zijn gelegen in de omstandigheid dat de twee zaken in constructief opzicht specifiek op elkaar zijn afgestemd, of in de omstandigheid dat de hoofdzaak, indien het bestanddeel zou ontbreken, als onvoltooid moet worden beschouwd in de zin, dat de hoofdzaak dan niet geschikt is te beantwoorden aan haar bestemming. Het gaat om de bestemming die uit de aard van de hoofdzaak zelf voortvloeit, niet om de economische of maatschappelijke bestemming die de concrete gebruiker subjectief aan de hoofdzaak heeft gegeven. Het komt niet aan op de functie die de zaak vervult. Of in een bepaald geval naar verkeersopvatting sprake is van een bestanddeel moet in het licht van alle omstandigheden van het geval worden beoordeeld. (zie o.a. HR 15 november 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0412, Dépex/curatoren van Bergel, HR 27 november 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0774, Ontvanger/Rabobank, HR 17 september 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1026 en HR 7 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX7474, ProRail/Rijswijk Wonen). Uit deze aanwijzingen is in de literatuur de meer algemene conclusie getrokken dat naar verkeersopvattingen een zaak bestanddeel is geworden indien de hoofdzaak zonder dat bestanddeel als incompleet moet worden beschouwd en niet aan haar economische of maatschappelijke bestemming kan beantwoorden.

4.3.

In het onderhavige geval kan worden vastgesteld dat de tegeltjes zonder meer een bestanddeel vormden van de keuken van het herenhuis, zo lang deze daaruit nog niet waren verwijderd. De vraag die derhalve voorligt, is of de tegeltjes hun hoedanigheid van bestanddeel hebben verloren door verwijdering uit de keuken. Hiervan is sprake zodra het voorwerp in kwestie naar verkeersopvatting niet langer als onderdeel van de hoofdzaak heeft te gelden, met andere woorden: zodra de nauwe ideële band definitief is verbroken dan wel gestaakt (conclusie PG bij arrest van de Hoge Raad van 6 december 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BX7474). In de literatuur en wetsgeschiedenis wordt bij de beoordeling van de vraag of hiervan sprake is aangesloten bij de beoordeling onder het oude BW van de vraag of iets was aan te merken als een hulpzaak in de zin van artikel van het BW (oud). Annotator W.M. Kleijn merkt hieromtrent het volgende op bij het arrest van de Hoge Raad van 25 maart 1981 (LJN AC7186, NJ 1982/58):

“Een speciaal over de hulpzaak handelend art. 3.1.1.4 is weliswaar uit de oorspronkelijke ontwerpen vervallen (zie aant. 42, bew.); leerzaam blijft het derde lid van dit vervallen artikel (zie hierna aant. 42) in verband met de ter zake (in de T-M) gemaakte opmerking, luidende: "Een vervreemding echter zonder verplaatsing zal aan de zaak niet haar karakter van hulpzaak kunnen ontnemen" (Parl. Gesch., p. 84). Het is aan te nemen, dat daarmede zowel het geldende recht is weergegeven, als de toekomstige lijn, die met het vervallen van het betreffende artikel niet zal veranderen. Daarmee wordt gedoeld op het geval dat een zaak krachtens verkeersopvatting onderdeel van het gebouw uitmaakt.”

4.4.

In de Groene Serie Vermogensrecht, art. 3:4 BW, aantekening 38 merkt prof. mr. P.A. Stein het volgende op:

“Bij verbreking van het verband zal derhalve nagegaan moeten worden

a. wie het verband verbrak;

b. of dit meebrengt dat het onzelfstandige deel zelfstandig wordt; en

c. wat dan de gevolgen daarvan zijn.

(…)

ad b.

Het is niet uitgesloten dat het aanvankelijk fysiek verbonden bestanddeel op grond van art. 4 lid 1 bestanddeel blijft, ook al is niet meer (tevens) aan het criterium van lid 2 voldaan.

In het bloembollenarrest is door de Hoge Raad ontkend dat de bollen na afscheiding aan de eigenaar van de grond bleven toebehoren; art. 3, aant. 25-26. Aan de andere kant was in het voormalige wetboek bepaald dat van afbraak vrijkomend bouwmateriaal dat bestemd is om na restauratie weer in het gebouw te worden aangebracht, onroerend is door bestemming. In het huidige recht kan dit niet meer worden betoogd, omdat de categorie van zaken die door bestemming onroerend zijn niet is gehandhaafd. Verdedigbaar is dat het afgebroken bouwmateriaal onroerend als bestanddeel zal blijven, zolang het niet van de bouwplaats wordt afgevoerd.

ad c.

Zoals bij de bespreking van de Zwolse procedure is gebleken zal punt voor punt nagegaan moeten worden wat de gevolgen van afscheiding zijn. In het Zwolse geval werd geconstateerd dat de eigendom op dezelfde plaats bleef. Een verandering zal vaak plaatsvinden in die zin dat een bestanddeel van een onroerende zaak, eenmaal zelfstandig geworden, roerend is en vervolgens wordt afgevoerd.”

4.5.

In het onderhavige geval is tussen partijen niet in geschil dat sprake was van originele tegeltjes in een 18e eeuws historisch gebouw die al die tijd onderdeel vormden van de keuken en dat de bedoeling was om deze na de restauratie terug te plaatsen. [eiser] heeft ook onbetwist aangevoerd dat sprake is van waardevermindering van het gebouw nu de tegeltjes ontbreken. De tegeltjes waren niet van de “bouwplaats” afgevoerd, zodat verdedigbaar is dat ze onroerend zijn gebleven als bestanddeel. De tegeltjes hebben hun hoedanigheid van bestanddeel dan ook niet verloren door de enkele verwijdering uit de keuken. Zij kunnen daarmee worden aangemerkt als “tot het verzekerde gebouw behorende materialen als bedoeld in artikel 2.2.9 van de NBUG 2006. Ook de schade-expert heeft de tegeltjes in zijn schadevaststelling gekwalificeerd als behorend tot de opstal (zie hiervoor onder 2.5). De tegeltjes vormden derhalve onderdeel van de verzekerde opstal.

4.6.

Nu de tegeltjes derhalve op grond van artikel 2.2.9 van de NBUG 2006 gedekt waren onder de verzekering, komt de rechtbank niet toe aan beoordeling van de vraag of de artikelen 3.1.1 jo. 3.4 van de NBUG 2006 eventueel tevens dekking zouden hebben geboden.

Verzekerde waarde?

4.7.

[eiser] vordert een bedrag van € 50.000,- als verzekerde waarde. De Verzekeraars stellen zich op het standpunt dat de schade begroot moet worden op niet meer dan een bedrag van € 23.688,47, nu dit het bedrag is dat de expert in zijn schadevaststelling heeft opgenomen en [eiser] geen contraexpertise in het geding heeft gebracht. [eiser] voert aan dat de schade-expert zowel dit bedrag heeft genoemd als de begrote nieuwwaarde voor de tegels als een bedrag van € 10,- per tegeltje indien uitgegaan wordt van de waarde van de oorspronkelijke tegeltjes. Het rapport vermeldt ook dat [eiser] slechts overwoog het bedrag van € 23.688,47 te accepteren zolang de Verzekeraars geen problemen zouden opwerpen ten aanzien van de dekking. Nu aan die voorwaarde niet is voldaan, stelt hij zich op het standpunt dat op grond van de verzekeringsovereenkomst het volledige verlies moet worden gedekt. Hij heeft weliswaar uiteindelijk nieuwe tegels gebruikt, maar er is nu sprake van waardevermindering omdat de oorspronkelijke 18e eeuwse tegeltjes ontbreken.

4.8.

De rechtbank oordeelt als volgt. De polis bevat geen bepalingen op grond waarvan minder gedekt zou zijn dan het daadwerkelijk geleden verlies. Nu antieke tegeltjes met een waarde van € 50.000,- zijn gestolen, is dit het verlies dat [eiser] heeft geleden. Anders dan de Verzekeraars hebben aangevoerd, is de schade-expert niet tot een andere taxatie gekomen, zoals blijkt uit het onder 2.5 opgenomen rapport. Daarin is immers ook begroot dat de waarde van de verloren tegeltjes € 50.000,- bedroeg. Dat in de schade-opstelling van de expert het lagere bedrag is opgenomen, is toegelicht in het rapport zelf. In zijn rapport heeft de schade-expert opgenomen dat [eiser] overwoog om akkoord te gaan met een lager bedrag dan de daadwerkelijk geleden schade. Dit kan echter niet worden aangemerkt als een bindende schadevaststelling.

4.9.

[eiser] vordert voorts een bedrag van € 5.000,- aan kosten die hij heeft gemaakt om de tegeltjes te vervangen. Hij stelt daartoe dat hij tijd heeft moeten besteden aan het vervangen van de tegeltjes. De Verzekeraars hebben betwist dat dit kosten zijn die onder de verzekering voor vergoeding in aanmerking komen. In reactie hierop heeft [eiser] de vordering niet nader onderbouwd. Dit gedeelte van de vordering ligt daarmee voor afwijzing gereed.

4.10.

[eiser] vordert tot slot een bedrag van € 7.500,- op grond van artikel 6:96 BW aan gemaakte kosten om de Verzekeraars aan te spreken op nakoming van hun verplichtingen. De Verzekeraars hebben verschuldigdheid van dit bedrag betwist bij gebreke van een deugdelijke onderbouwing. Nu een dergelijke onderbouwing ook niet is gegeven in reactie op deze betwisting, zal ook dit gedeelte van de vordering worden afgewezen.

4.11.

De Verzekeraars voeren tot slot terecht aan dat geen sprake kan zijn van een hoofdelijke veroordeling, nu zij slechts zijn aan te spreken voor hun aandeel in de polis. Tegen de verschuldigdheid van wettelijke rente hebben de Verzekeraars geen verweer gevoerd, zodat deze zal toegewezen als in het dictum omschreven.

4.12.

De Verzekeraars zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding € 94,19

- griffierecht 876,00

- salaris advocaat 1.788,00 (2,0 punten × tarief € 894,00)

Totaal € 2.758,19

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt de Verzekeraars om ieder voor hun aandeel aan [eiser] te betalen een bedrag van € 50.000,00 (vijftig duizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het toegewezen bedrag met ingang van 27 november 2014 tot de dag van volledige betaling,

5.2.

veroordeelt de Verzekeraars hoofdelijk in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 2.758,19, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt de Verzekeraars hoofdelijk in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat de Verzekeraars niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis hebben voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.H. Rombouts en in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2016.2

1 zie pr. 6 bij dv

2 type: CHR coll: