Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:9283

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
15-12-2016
Datum publicatie
20-01-2017
Zaaknummer
13.752.027-16, 16/8184
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Overlevering vervolg op ECLI:NL:RBAMS:2016:5207 en C-453/16 PPU, ECLI:EU:C:2016:860. Het nationale aanhoudingsbevel is uitgevaardigd door de politie en bekrachtigd door het Openbaar Ministerie. Aan het EAB ligt dus een ‘rechterlijke beslissing’ in de zin van art. 8 lid 1 onder c Kaderbesluit 2002/584/JBZ ten grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13.752.027-16 (EAB 2)

RK nummer: 16/8184

Uitspraakdatum: 15 december 2016

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Het EAB is uitgevaardigd op 21 juni 2016 door the Veszprém District Court (Hongarije) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] (Turkije) op [geboortedatum] 1965,

verblijvende op het adres [adres] te [plaats] .

1 Procesgang

De opgeëiste persoon is voorlopig aangehouden op 15 april 2016.

Op 20 april 2016 heeft de officier van justitie het EAB van 28 mei 2015 ontvangen. Dit EAB vermeldt in punt 1 van onderdeel b) als grondslag:

European Arrest Warrant No. 2.Bny.218/2015/2 of the Veszprém District Court, the scope of which also covers the territory of Hungary, so it qualifies as a domestic arrest warrant.

Op 21 april 2016 heeft de officier van justitie de voorlopige aanhouding omgezet in aanhouding.

De termijn als bedoeld in artikel 22, eerste lid, van de Overleveringswet (OLW) is op die dag ingegaan.

Bij e-mailbericht van 1 juni 2016 heeft de rechtbank – naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof van Justitie) van diezelfde datum in de zaak Bob-Dogi (C-241/15, ECLI:EU:C:2016:385) – de officier van justitie verzocht de volgende vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen:

Wordt het ontbreken van een vermelding in het Europees aanhoudingsbevel (EAB) van een van het EAB te onderscheiden nationaal aanhoudingsbevel verklaard door het feit dat een dergelijk nationaal aanhoudingsbevel inderdaad niet bestaat of dat een dergelijk nationaal aanhoudingsbevel bestaat, maar niet is vermeld? [zie punt 65 van het genoemde arrest]

Indien een dergelijk nationaal aanhoudingsbevel wel bestaat, maar niet is vermeld: wat is de aard van dat bevel en wanneer en door welke instantie is dat bevel gegeven?

Bij brief van 29 juni 2016 heeft het Hongaarse Ministry of Justice, Department of International Criminal Law, een ‘amended European arrest warrant’ toegezonden. Zoals blijkt uit het Hongaarse origineel, dateert dit EAB van 21 juni 2016 en is het uitgevaardigd door dr. Erika Varga. De andersluidende mededelingen in de Engelse vertaling berusten naar het oordeel van de rechtbank op kennelijke vergissingen van de vertaler.

De rechtbank beschouwt het EAB van 21 juni 2016 als een nieuw EAB en niet als een wijziging van het EAB van 28 mei 2015. Zou zij het EAB van 21 juni 2016 immers zien als een wijziging van het EAB van 28 mei 2015, dan zou aan het EAB een vóór de uitvaardiging van het EAB afgegeven nationaal aanhoudingsbevel ten grondslag liggen dat is bekrachtigd ná de uitvaardiging van het EAB, te weten op 14 juni 2016 (zie 4.2).

De rechtbank gaat ervan uit dat de overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon thans berust op het EAB van 21 juni 2016. Gelet op de nauwe verwevenheid met het EAB van 28 mei 2015, berekent de rechtbank de ingang van de termijnen als bedoeld in artikel 22 OLW echter met ingang van 21 april 2016.

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 7 juli 2016. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. A. Oswald. De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. R.P.G. van der Weide, advocaat te Amsterdam, en door een tolk in de Turkse taal.

De rechtbank heeft het onderzoek voor onbepaalde tijd geschorst, teneinde de raadsman in de gelegenheid te stellen de aanvullende stukken te bestuderen en met de opgeëiste persoon te bespreken.

De rechtbank heeft op 8 juli 2016 besloten:

- om prejudiciële vragen voor te leggen aan het Hof van Justitie over de betekenis van het begrip ‘rechterlijke beslissing’ zoals bedoeld in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, van Kaderbesluit 2002/584/JBZ;

- om aan het Hongaarse Ministerie van Justitie vragen te stellen over de positie en de rol van het Hongaarse Openbaar Ministerie, teneinde de prejudiciële vragen zo efficiënt mogelijk te kunnen voorleggen aan het Hof van Justitie;

en geoordeeld:

- dat de beslissing om een prejudiciële vraag voor te leggen aan het Hof van Justitie de schorsing van de termijnen van artikel 22 OLW meebrengt met ingang van de dag van die beslissing, te weten 8 juli 2016.

De vordering is vervolgens behandeld op de openbare zitting van 21 juli 2016. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. R. Vorrink. De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman en door een tolk in de Turkse taal. De rechtbank heeft het onderzoek voor onbepaalde tijd onderbroken en heeft aan partijen meegedeeld dat zij over enkele weken een verwijzingsuitspraak zal wijzen.

Bij tussenuitspraak van 16 augustus 2016 heeft de rechtbank prejudiciële vragen voorgelegd aan het Hof van Justitie (ECLI:NL:RBAMS:2016:5207).

Bij arrest van 10 november 2016 heeft het Hof van Justitie de prejudiciële vragen beantwoord (C-453/16 PPU, ECLI:EU:C:2016:860).

Bij beslissing van 16 november 2016 heeft de rechtbank de overleveringsdetentie vanwege het verstrijken van de termijn van 90 dagen met ingang van 22 november 2016 geschorst (ECLI:NL:RBAMS:2016:7498).

Op de openbare zitting van 1 december 2016 heeft de rechtbank de behandeling van het EAB voortgezet in tegenwoordigheid van de officieren van justitie mrs. A. Oswald en K. van der Schaft, de opgeëiste persoon en zijn raadsman. De opgeëiste persoon werd bijgestaan door een tolk in de Turkse taal.

De raadsman heeft geen verweer gevoerd.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak zou moeten doen voor onbepaalde tijd verlengd, omdat zij er niet in slaagt binnen de in de wet bepaalde termijn uitspraak te doen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Turkse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

Punt 1 van onderdeel b) van het EAB vermeldt als grondslag:

Arrest warrant No. 19060/93/2014.bü. of the Police Department of Ajka, confirmed by decision of 14 June 2016 of the Public Prosecutor’s Office of Ajka.

Type: national arrest warrant.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan twee naar het recht van Hongarije strafbare feiten.

Deze feiten – kort gezegd: medeplegen van valsheid in geschrift – zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage I aan deze uitspraak gehecht.

4 Genoegzaamheid van het EAB

Het Hof van Justitie heeft de prejudiciële vragen als volgt beantwoord:

Artikel 8, lid 1, onder c), van kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten, zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299/JBZ van de Raad van 26 februari 2009, moet aldus worden uitgelegd dat een bekrachtiging, zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde is, door het openbaar ministerie van een nationaal aanhoudingsbevel dat voordien door een politiedienst is uitgevaardigd met het oog op strafvervolging, een ‘rechterlijke beslissing’ in de zin van die bepaling is.

Op grond van dit antwoord staat vast dat aan het onderhavige EAB een ‘rechterlijke beslissing’ in de zin van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 2, tweede lid, aanhef en onder c, OLW ten grondslag ligt.

Het EAB is dus genoegzaam.

5 Strafbaarheid

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 23, te weten:

vervalsing van administratieve documenten en handel in valse documenten; vervalsing van betaalmiddelen.

Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op deze feiten naar het recht van Hongarije telkens een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

6 Detentieomstandigheden in Hongarije

Uit de door de Hongaarse autoriteiten verstrekte informatie blijkt dat de opgeëiste persoon na de overlevering na een kort verblijf in the Budapest Penitentiary Institute zal worden geplaatst in hetzij de gevangenis in Szombathely hetzij de gevangenis in Tiszalök.

In eerdere zaken heeft de rechtbank geoordeeld dat:

- voor zover er bewijs is voor een algemeen reëel gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling in the Budapest Penitentiary Institute, er geen reëel gevaar bestaat dat de opgeëiste persoon in geval van overlevering in de uitvaardigende lidstaat zal worden onderworpen aan een onmenselijke of vernederende behandeling in die gevangenis;

- zij geen bewijzen heeft voor een algemeen reëel gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling in de gevangenissen in Szombathely of Tiszalök, zodat zij niet toekomt aan de beoordeling of voor de opgeëiste persoon in die gevangenissen een reëel gevaar bestaat (Rb. Amsterdam 4 augustus 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:4966).

De rechtbank ziet geen aanleiding om in de onderhavige zaak anders te oordelen.

7 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

8 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Veszprém District Court ten behoeve van het in Hongarije tegen hem gerichte strafrechtelijk onderzoek naar de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Aldus gedaan door

mr. H.P. Kijlstra, voorzitter,

mrs. C. Klomp en A.J. Dondorp, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. V.H. Glerum, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 15 december 2016.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

A