Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:9254

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
03-11-2016
Datum publicatie
23-01-2017
Zaaknummer
16/4648 en 16/4649
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Verzoek 89/591a Sv niet-ontvankelijk. Handtekening onder verzoekschrift is niet van verzoeker maar van zijn raadsman.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2017/61
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 2016077801

RK: 16/4648 en 16/4649

BESCHIKKING

op het verzoek ex artikel 89 en artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering van

[verzoeker] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,

wonend op het adres [adres 1] , [woonplaats] ,

te dezen woonplaats kiezend op het kantooradres van zijn raadsman,

mr. W.H. Jebbink, [adres 2] , [plaats] ,

verzoeker.

1 Procesgang

Het verzoek is op 7 juli 2016 ter griffie van deze rechtbank ingekomen.

De rechtbank heeft op 3 november 2016 de raadsman van verzoeker en de officier van justitie in openbare raadkamer gehoord.

Verzoeker is, hoewel daartoe rechtsgeldig opgeroepen, niet in raadkamer verschenen.

2 Inhoud van het verzoekschrift

Het verzoekschrift houdt het volgende in:

  1. Verzoeker is op 8 april 2016 aangehouden op verdenking van – kort gezegd – overtreding van artikel 13/1 Wet wapens en munitie (bezit overige wapens). Op 9 april 2016 is de zaak door de officier van justitie geseponeerd, op de grond dat verzoeker ten onrechte als verdachte is aangemerkt (sepotgrond 01).

  2. Verzoeker heeft een nacht gedetineerd gezeten in een politiecel ten gevolge van onrechtmatige vrijheidsbeneming.

  3. Ingevolge artikel 9 lid 5 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en artikel 5 lid 5 van het Europees verdrag voor de rechten van de mens heeft een ieder, die het slachtoffer is geweest van een arrestatie of een detentie die in strijd is met de overige bepalingen van dat artikel, recht op schadeloosstelling. Het gaat daarbij om de onrechtmatige toepassing van vrijheidsbeneming door de overheid. Artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek vormt het nationaal wettelijk kader om een beroep te doen op het recht op schadevergoeding door de overheid na dergelijk onrechtmatig handelen (waaronder begrepen schade als gevolg van het onrechtmatig ophouden voor verhoor).

  4. Bij de totstandkoming van het huidige wetboek van strafvordering – meer dan 100 jaar geleden – heeft de wetgever ervoor gekozen om met artikel 89 van het Wetboek van Strafvordering een wettelijke grondslag te creëren voor toekenning van een vergoeding voor schade die is ontstaan door de rechtmatige toepassing van vrijheidsbeneming door de overheid (vgl. Kamerstukken II, 1913/1914. 286. nr. 3. p. 86 ev.). De wetgever werd hierbij niet geleid door een algemene rechtsplicht tot wegnemen van de niet-beoogde gevolgen van op zichzelf rechtmatig overheidshandelen, maar door billijkheidsoverwegingen.

  5. Deze grondslag dient als achterhaald te worden beschouwd in het licht van de nadien tot stand gekomen, rechtstreeks werkende verdragsbepalingen. Aan de (eenvoudige en snelle) procedure van artikel 89 van het Wetboek van Strafvordering dienen derhalve in het geval van onrechtmatige detentie niet de strikte beperkingen te worden gesteld wat betreft de vormen van vrijheidsbeneming die voor vergoeding in aanmerking komen. Ofwel: redelijke wetsuitleg – te weten in het licht van de internationale mensenrechtenverdragen – behoort mee te brengen dat verzoeker aanspraak kan maken op schadevergoeding op grond van artikel 89 van het Wetboek van Strafvordering ten gevolge van onrechtmatig ophouden voor verhoor.

  6. Gezien het vorenstaande maakt verzoeker aanspraak op immateriële-schadevergoeding ter hoogte van de ‘dagvergoeding’ wegens het ondergaan van één nacht detentie in een politiecel, te verhogen tot het vijfvoudige wegens de onrechtmatigheid van de detentie (dus in totaal op € 525,00).

  7. Verzoeker heeft voorts materiële schade geleden wegens kosten voor bijstand van een raadsman tijdens de detentie en nadien. Deze bedragen € 663,75. Verzoeker maakt tot slot kosten voor de bijstand van een raadsman in verband met dit verzoekschrift, vooralsnog te begroten € 550,00.

In raadkamer heeft de raadsman desgevraagd meegedeeld dat verzoeker op de hoogte is van de zitting en dat niet verzoeker maar hij het verzoekschrift heeft ondertekend.

3 Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft verklaard dat verzoeker niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn verzoekschrift, omdat de raadsman van verzoeker en niet hij zelf het verzoekschrift heeft ondertekend.

4 Het oordeel van de rechtbank

De raadsman van verzoeker heeft in zijn begeleidend schrijven bij het verzoekschrift dat de rechtbank op 7 juli 2016 heeft ontvangen, opgemerkt dat hij zo spoedig mogelijk een door verzoeker ondertekend exemplaar zal nazenden. Bij de naam van verzoeker onderaan het verzoekschrift, waar de handtekening van verzoeker zou moeten staan, staat “i./o.” en een paraaf of handtekening. De raadsman van verzoeker heeft in raadkamer desgevraagd meegedeeld dat dit niet de handtekening van verzoeker is, maar de zijne.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 1 september 1987 (NJ 1988,194) beslist dat het Wetboek niet voorziet in de indiening van een verzoekschrift ex artikel 89 van het Wetboek van Strafvordering door een gemachtigde (advocaat). Hetzelfde geldt voor een verzoekschrift ex artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering (HR 27 juni 1972, NJ 1972, 396).

Het verzoek dient door verzoeker te zijn ondertekend om vast te stellen dat verzoeker persoonlijk aanspraak maakt op het verzochte bedrag. In het arrest van de Hoge Raad van 5 november 1991 (NJ 1992, 482) is bepaald dat het verzuim het verzoek zelf te ondertekenen voor gedekt moet worden gehouden indien verzoeker bij het onderzoek in raadkamer aanwezig is en aldaar verklaart de verzochte vergoeding te wensen. Nu het verzoek niet door verzoeker is ondertekend en hij evenmin in raadkamer is verschenen, is de rechtbank van oordeel dat het verzoek niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

5 Beslissing

De rechtbank komt tot de volgende beslissing.

De rechtbank verklaart verzoeker niet-ontvankelijk.

Deze beslissing is gegeven op 3 november 2016 en in het openbaar uitgesproken door

mr. W.H. van Benthem, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. M. Cordia, griffier.

Tegen deze beslissing staat voor verzoeker hoger beroep open,

in te stellen ter griffie van deze rechtbank,

binnen een maand na betekening van deze beschikking.