Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:9239

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
08-11-2016
Datum publicatie
23-01-2017
Zaaknummer
16/4106
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

552a Sv. Auto met gestolen onderdelen. Klaagschrift ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

RK: 16/4106

BESCHIKKING

op het klaagschrift ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[klager 1] (h.o.d.n. [bedrijf 1] ) ,

geboren te [geboorteplaats] (Libanon) op [geboortedatum] 1974,

wonend op het adres [adres 1] , [woonplaats] ,

te dezen woonplaats kiezend op het kantooradres van zijn raadsvrouw,

mr. N.D. Schraa, advocaat te Arnhem, [adres 2] , [plaats 1] ,

klager.

1 Procesgang

Het klaagschrift van 13 juni 2016 is op 15 juni 2016 en op 16 juni 2016 is het klaagschrift bij akte ingediend ter griffie van deze rechtbank.

De rechtbank heeft op 25 oktober 2016 klager, zijn raadsvrouw en de officier van justitie in openbare raadkamer gehoord.

De beslagene, [beslagene] , is hoewel daartoe rechtsgeldig opgeroepen, niet in raadkamer verschenen.

2 Inhoud klaagschrift en standpunt klager

Het klaagschrift strekt tot teruggave van de in beslag genomen Volkswagen Golf met kenteken [kenteken 1] .

De raadsvrouw van klager heeft in raadkamer ter aanvulling op het klaagschrift het volgende aangevoerd. Klager heeft een chassis (van een auto met waterschade) en losse auto-onderdelen van een andere auto (een motorblok in combinatie met een versnellingsbak en diverse onderdelen (airbagset en dashboard) gekocht en geassembleerd tot een complete auto en deze ter keuring bij de RDW aangeboden. De auto-onderdelen zijn getuige de factuur te goeder trouw gekocht bij [bedrijf 2] . Klager heeft btw betaald en de goederen zijn netjes verpakt afgeleverd. Het is bovendien nog maar de vraag of de auto-onderdelen zijn gestolen omdat het rapport waarin zou komen te staan dat de desbetreffende onderdelen zijn gestolen, nog niet is opgemaakt. Nu zowel het chassis als de auto-onderdelen te goeder trouw zijn gekocht, dient de auto en in elk geval het chassis, dat een waarde van € 10.500 vertegenwoordigd, aan klager te worden teruggegeven.

3 Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft – onder verwijzing naar het schriftelijk standpunt van het Openbaar Ministerie – verklaard zich te verzetten tegen opheffing van het beslag en teruggave van de in beslag genomen auto aan klager en daartoe het volgende aangevoerd. Het argument van klager, inhoudende dat hij de rechtmatige eigenaar van de gestolen onderdelen is geworden doordat hij de onderdelen te goeder trouw heeft gekocht, gaat niet op. Klager heeft slechts één factuur overlegd die enkel ziet op het motorblok. Daarmee kan geenszins worden vastgesteld dat hij dat motorblok te goeder trouw heeft gekocht. Dat geldt eveneens voor de overige gestolen onderdelen nu daarvoor in het geheel geen stukken zijn overlegd. Klager heeft onvoldoende aangetoond dat hij de onderdelen te goeder trouw heeft gekocht waardoor hij niet als rechtmatige eigenaar van de gestolen goederen kan worden aangemerkt. Het gaat om een voertuig met een gestolen motorblok, een gestolen versnellingsbak, een gestolen dashboard, gestolen airbags en nog wat ander gestolen materiaal. De Hoge Raad heeft aangegeven dat voertuigen of onderdelen daarvan niet in het verkeer gebracht mogen worden indien het bezit ervan niet gecontroleerd kan worden. Dit is namelijk in strijd met het algemeen belang van de rechtstaat, aldus de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2003:AL6178). Gelet op deze jurisprudentie heeft de officier van justitie in een eerder stadium reeds besloten dat de auto dient te worden onttrokken aan het verkeer. De officier van justitie heeft in raadkamer desgevraagd bevestigd dat klager geen verdachte is en dat het Openbaar Ministerie bij separate vordering ex artikel 552f van het Wetboek van Strafvordering ten aanzien van de in beslag genomen auto de onttrekking aan het verkeer zal vorderen.

4 Het oordeel van de rechtbank

Op 16 maart 2016 kreeg de politie de melding om naar de Rijksdienst voor het Wegverkeer te Amsterdam te gaan in verband met een melding van een auto met gestolen onderdelen. Een van de medewerkers van de RDW heeft het volgende verklaard: “Wij hebben hier een auto met gestolen onderdelen. Het betreft een Volkswagen Golf voorzien van kenteken [kenteken 1] . Deze auto is geïmporteerd vanuit Duitsland en heeft toen een Nederlands kenteken gekregen. Bij de keuring is wel een opmerking gemaakt over het motorblok dat deze niet bij de auto hoorde, maar er was toen niet bekend dat dit gestolen was.

Uit onderzoek door de forensisch voertuigidentificatie-onderzoeker van het Landelijk Informatiecentrum Voertuigcriminaliteit (LIV) is gebleken dat diverse onderdelen van de auto van diefstal afkomstig zijn. Het betreft het motorblok, de versnellingsbak, het dashboard, de airbags en wat klein materiaal. Deze onderdelen zouden afkomstig zijn uit een voertuig met het kenteken [kenteken 2] dat in zijn geheel als gestolen gesignaleerd staat. Uit onderzoek is gebleken dat de auto met het kenteken [kenteken 2] tussen 17 en 18 november 2015 is gestolen. Uit de door klager ingebracht factuur blijkt dat hij ( [bedrijf 1] ) op 10 december 2015 een VW-motorblok in combinatie met een versnellingsbak en diverse onderdelen heeft gekocht voor een bedrag van € 3.448,50 bij [bedrijf 2] te [plaats 2] .

Nadat de auto op 16 maart 2016 onder hem in beslag genomen is, heeft de eigenaar,

[beslagene] , de koop ontbonden en is klager, bij wiens bedrijf de auto was gekocht, weer eigenaar van de auto geworden.

De officier van justitie heeft in raadkamer bevestigd dat klager geen verdachte is en dat het Openbaar Ministerie een separate vordering tot onttrekking aan het verkeer zal indienen.

In de onderhavige procedure dient de rechtbank te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert. Als dat niet zo is, komt de vraag aan de orde of klager te goeder trouw is en redelijkerwijs als rechthebbende op het inbeslaggenomene kan worden aangemerkt.


Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor – in dit geval – artikel 94 Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt.

In het onderhavig geval is sprake van een voorwerp dat volgens het Openbaar Ministerie vatbaar is voor onttrekking aan het verkeer.

De rechtbank merkt op dat het haar bevreemdt dat het Openbaar Ministerie blijkbaar al op 20 mei 2016 heeft besloten dat de auto aan het verkeer moet worden onttrokken, maar nog altijd nog geen vordering tot onttrekking aan het verkeer heeft ingediend. Het Openbaar Ministerie heeft in het indienen van het klaagschrift door klager kennelijk ook geen aanleiding gezien deze vordering in te dienen opdat deze gelijktijdig met het klaagschrift kon worden behandeld en kennelijk is bij het bepalen van het schriftelijk standpunt deze gedachte ook niet opgekomen. Hoe dan ook, nu de officier van justitie heeft aangekondigd dat de desbetreffende vordering alsnog zal worden gedaan, dient de rechtbank te beoordelen of het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de rechter die later moet beslissen op de vordering ex artikel 552f van het Wetboek van Strafvordering, de vordering tot onttrekking aan het verkeer van de auto zal toewijzen en de auto aan het verkeer zal onttrekken.

De rechtbank heeft op grond van de stukken vastgesteld dat het motorblok, de versnellingsbak en het dashboard die onderdeel uitmaken van de in beslag genomen auto afkomstig zijn uit een gestolen auto. Zij is van oordeel dat op basis van artikel 5:14 van het Burgerlijk Wetboek de in beslag genomen auto (het chassis) en de van diefstal afkomstige onderdelen (o.a. het motorblok) door natrekking als één geheel moeten worden beschouwd. De rechtbank is voorts van oordeel dat niet kan worden uitgesloten dat de rechter die over de onttrekking aan het verkeer zal moeten beslissen van oordeel is dat het hier aldus een omgekatte auto betreft waarvan het ongecontroleerde bezit van zodanige aard is dat het afbreuk doet aan een effectieve voorkoming en bestrijding van met gestolen auto’s bedreven handel en dat dit ongecontroleerde bezit daarom in strijd is met de wet of het algemeen belang. De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat zich niet het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de auto zal onttrekken aan het verkeer.

De omstandigheden dat de in beslag genomen auto eigendom is van klager en hij niet als verdachte wordt aangemerkt van enig strafbaar feit en dat hij in elk geval ten aanzien van het chassis van de auto te goeder trouw is, brengen niet mee dat er geen sprake kan zijn van ongecontroleerd bezit in de zin van artikel 36c van het Wetboek van Strafrecht en staan aan de oplegging van de maatregel van onttrekking aan het verkeer niet in de weg.

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat klager hoewel dat met stukken te staven een aanzienlijk bedrag voor het chassis heeft betaald en dat hetzelfde geldt voor de onderdelen. De inbeslagname betekent een grote financiële strop voor klager en zijn bedrijf. Een eventuele belangenafweging dient vanwege de financiële gevolgen voor klager en zijn bedrijf in zijn voordeel van uit te vallen, aldus de raadsvrouw. Zij heeft subsidiair verzocht de auto met uitzondering van de gestolen onderdelen aan klager terug te geven. Hoewel de rechtbank dit voorstel niet onbegrijpelijk voorkomt en de officier van justitie daar niet onwelwillend tegenover staat, kan de rechtbank klager hierin in deze procedure niet tegemoetkomen. Zoals hiervoor overwogen moet de auto als een geheel worden gezien en is aangekondigd dat zal worden gevorderd dat de auto aan het verkeer moet worden onttrokken. Bovendien ligt er alleen beslag op de auto en niet op de afzonderlijke onderdelen.

De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat het strafvorderlijk belang zich verzet tegen opheffing van het beslag. Het beklag dient derhalve ongegrond te worden verklaard.

De rechtbank merkt ten overvloede op dat in geval van onttrekking aan het verkeer aan de rechthebbende ter compensatie van eventueel daardoor geleden nadeel conform artikel 36b van het Wetboek van Strafrecht in verbinding met artikel 33c lid 2 van het Wetboek van Strafrecht een billijke tegemoetkoming kan worden toegekend zodat klager niet onevenredig wordt getroffen. Klager doet er dus verstandig aan te zijner tijd bij de behandeling van de vordering tot onttrekking aan het verkeer de door hem gestelde schade te staven en zoveel mogelijk te onderbouwen dat en waarom sprake is van goede trouw.

5 Beslissing

De rechtbank komt tot de volgende beslissing.

De rechtbank verklaart het beklag ongegrond.

Deze beslissing is op 8 november 2016 gegeven en in het openbaar uitgesproken door
mr. V.V. Essenburg, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. M. Cordia, griffier.

Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor klager beroep in cassatie bij de Hoge Raad open, in te stellen bij de griffie van deze rechtbank, binnen veertien (14) dagen na betekening van deze beschikking.