Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:8965

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
06-12-2016
Datum publicatie
29-12-2016
Zaaknummer
HA RK 366.2016
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Verzoek toegewezen. Zaak met tien verdachten. Tijdens het schrijven van het vonnis bleek dat de jongste rechter als rechter-commissaris huiszoekingen had gedaan in het voorbereidend onderzoek. Bij die huiszoekingen waren ook voorwerpen gevonden die de rechtbank voornemens was te gebruiken voor het bewijs. Op grond van de wet was de behandeling ter terechtzitting daarom nietig. De rechtbank heeft vervolgens een voorstel ten aanzien van de afdoening van de zaak aan partijen voorgelegd. Dit voorstel hield in dat de jongste rechter zou worden vervangen door een andere rechter en dat met deze nieuwe zittingscombinatie – met dus dezelfde voorzitter en oudste rechter – de zaken opnieuw zouden worden behandeld. Niet alle verdachten konden zich hierin vinden en vijf van hen hebben een verzoek tot wraking gedaan gericht tegen de voorzitter en de oudste rechter en één verdachte heeft de hele combinatie gewraakt. Nadat de voorzitter en de oudste rechter in de wraking hadden berust zijn vijf verzoeken weggevallen en resteerde de behandeling van het verzoek tot wraking dat mede was gericht tegen de jongste (nieuwe) rechter die niet in de wraking wenste te berusten.

Het verzoek tegen deze rechter berust op de grond dat er “besmettingsgevaar” is ontstaan omdat het hele onderzoek ter terechtzitting al had plaatsgevonden, en de rechters al aan het beraadslagen waren. De rechtbank stelt vast dat de rechter een aantal nietige processen-verbaal van zittingen heeft gelezen, deel heeft uitgemaakt van de zittingscombinatie gedurende de regiezitting, heeft deelgenomen aan de beraadslaging tijdens die regiezitting over het verzoek tot verschoning van de hele combinatie. Het kan zo zijn dat daarbij niet over de inhoud van de zaak van verzoekster is gesproken, maar de rechtbank is van oordeel dat wel de geobjectiveerde schijn van partijdigheid is gewekt, mede omdat dit zich aan de waarneming van de verdediging heeft onttrokken. Daarbij staat de persoonlijke integriteit van de rechter niet ter discussie. De raadsman heeft dat ook erkend. Door het enkele feit van deelname aan een zittingscombinatie, waarvan de meerderheid blijkbaar al beslissingen over bewijs had genomen, is het invoelbaar dat bij verzoekster de vrees is ontstaan dat de rechter niet meer volledig open zal staan voor hetgeen nog aan de orde zou kunnen komen en dat van een onbevangen beoordeling geen sprake meer zal zijn. Deze vrees is naar het oordeel van de rechtbank ook objectief gerechtvaardigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2017/40
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

wrakingskamer

Beslissing op het op 23 september 2016 ter zitting gedane en onder rekestnummer

C/13/616241/HA RK 366.2016 ingeschreven verzoek van:

[verzoekster] ,

wonende te [ ],

verzoekster,

raadsman: mr. J.F. van der Brugge,

advocaat gevestigd te Amsterdam,

welk verzoek strekt tot wraking van mr. A. Eichperger, lid van de meervoudige strafkamer belast met de behandeling van de strafzaak tegen verzoekster, hierna: de rechter.

Verloop van de procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de navolgde processtukken:

- het proces-verbaal terechtzitting van 23 september 2016;

- de e-mail van de raadsman van 6 oktober 2016 met enige aanvullende opmerkingen met betrekking tot het wrakingsverzoek;

- de schriftelijke reactie van de rechter van 11 oktober 2016.

De rechter heeft niet berust in de wraking. Het verzoek is behandeld ter openbare terechtzitting van 25 november 2016, bij welke gelegenheid de rechtbank de raadsman, de rechter en de officier van justitie, mr. M. Boerlage heeft gehoord.

1 Gronden van de beslissing

Van de volgende feiten wordt uitgegaan:

a. Verzoekster is verdachte in de strafzaak met parketnummer 13/845036-10.

Ter terechtzitting van 23 september 2016 is een meervoudige strafkamer, waarvan de rechter de jongste rechter was, overgegaan tot de gelijktijdige behandeling van de zaak van verzoekster samen met die tegen 9 medeverdachten.

Het proces-verbaal vermeldt daarover:“De voorzitter geeft een toelichting op de gang van zaken die heeft geleid tot de regiezitting van vandaag. Na de inhoudelijke behandeling van de zaken van de verdachten is in een laat stadium – toen de griffier bezig was met het schrijven van de vonnissen – geconstateerd dat de jongste rechter, mr. Hillenius, als rechter-commissaris huiszoekingen had gedaan in het voorbereidend onderzoek. Bij die huiszoekingen waren ook voorwerpen gevonden die de rechtbank voornemens was te gebruiken voor het bewijs. Een rechter-commissaris doet in zijn carrière talloze huiszoekingen en slaat dat dus niet altijd (permanent) in zijn geheugen op. Zo heeft het kunnen gebeuren dat er bij de jongste rechter geen belletje is gaan rinkelen toen hij op deze zaak ingedeeld werd. Op grond van de wet is er echter geen andere conclusie mogelijk dan dat de behandeling ter terechtzitting nietig is. De rechtbank heeft daarom geprobeerd om op zo kort mogelijke termijn een regiezitting te beleggen en voorafgaand daaraan een voorstel ten aanzien van de afdoening van de zaak aan partijen voorgelegd. Dit voorstel hield in dat de jongste rechter zou worden vervangen door een andere rechter en dat met deze nieuwe zittingscombinatie – met dus dezelfde voorzitter en oudste rechter – de zaken opnieuw zouden worden behandeld aan de hand van het proces-verbaal van de zittingsdagen in maart en/of april 2016, waarbij alle partijen aanvullende standpunten naar voren zouden kunnen brengen. Meerdere raadslieden hebben hierop gereageerd. Uit deze reacties bleek dat niet iedereen kon instemmen met het voorstel van de rechtbank en dat een aantal raadslieden in ieder geval eerst de processen-verbaal van de (nietige) inhoudelijke behandeling wilden lezen. De griffier heeft deze processen-verbaal vervolgens uitgewerkt. Hierdoor en door verhindering van meerdere partijen op de oorspronkelijk geplande datum van de regiezitting, heeft het wel langer geduurd voordat de regiezitting plaats kon vinden. Vandaag ligt de vraag voor of de nieuwe inhoudelijke behandeling ter terechtzitting plaats kan vinden conform het voorstel van de rechtbank.”

Een raadsman van een medeverdachte van verzoekster heeft ter zitting van 23 september 2016 gevraagd aan de gehele zittingscombinatie om zich te verschonen. Omdat het hele onderzoek ter terechtzitting al had plaatsgevonden, en de rechters al aan het beraadslagen waren, was er volgens deze raadsman besmettingsgevaar ontstaan. Deze raadsman meende dat de schijn van onpartijdigheid in het geding was en dat de hele combinatie zich daarom zou moeten verschonen.

Het proces-verbaal vermeldt als reactie van de voorzitter op dit voorstel: “De voorzitter merkt op dat hij zich in bepaalde gevallen iets kan voorstellen bij het standpunt van de raadsman [van de medeverdachte]. Als de jongste rechter als rechter-commissaris bijvoorbeeld getuigen heeft gehoord, dan zou je je kunnen voorstellen dat hij bepaalde ideeën had over de verdachten en die mogelijk bij de beraadslaging naar voren heeft gebracht. In casu is dat echter niet aan de orde, omdat de jongste rechter zich in het geheel niet bewust was dat hij als rechter-commissaris onderzoekshandelingen had verricht in de zaak. Als hij zich daarvan wel bewust was geweest, had hij nooit plaatsgenomen in de zittingscombinatie. De rechtbank is daarom van oordeel dat bevooroordeling niet aan de orde kan zijn en de voorzitter en de oudste rechter voelen zich daarom vrij om opnieuw deel te nemen aan de inhoudelijke behandeling van de zaak. Aan de hand van dat onderzoek ter terechtzitting zal een nieuwe beraadslaging plaatsvinden. Het is niet zo dat eerder genomen beslissingen aan de jongste rechter zullen worden voorgelegd.” Het proces-verbaal vermeldt voorts als reactie van de voorzitter naar aanleiding van opmerkingen van een andere raadsman: “De voorzitter deelt mee dat een rechter ook al een oordeel over een zaak heeft voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling, dat kan niet voorkomen worden. Dat oordeel kan veranderen door hetgeen op zitting gebeurt en door hetgeen wordt besproken in raadkamer. De voorzitter en de oudste rechter staan ervoor open dat dat ook nu weer gebeurt. De griffier heeft eerder natuurlijk wel al bewijsmiddelen uitgewerkt, maar er zal na de nieuwe inhoudelijke behandeling, eerst helemaal opnieuw worden beraadslaagd en pas daarna worden bekeken of de rechtbank die bewijsmiddelen zou willen gebruiken. Daaraan voorafgaand zal de nieuwe jongste rechter het dossier volledig bestuderen en de processen-verbaal lezen. Zij zal daardoor misschien wel de meest frisse kijk op de zaak hebben. Tijdens de inhoudelijke behandeling krijgen alle partijen ook weer opnieuw het woord, waarbij mogelijk nieuwe zaken naar voren worden gebracht.”

Vervolgens heeft de raadsman van verzoekster verklaard: “We weten niet hoe en op grond waarvan de beraadslaging heeft plaatsgevonden. We weten dus ook niet of u beïnvloed bent door de jongste rechter. U kunt ook niet weten wat de basis van de meningsvorming van de jongste rechter was. Het kan zijn dat hij geen herinnering had van de huiszoekingen, maar hij heeft wel actief deelgenomen aan een opsporingsonderzoek, dus er kan niet worden vastgesteld dat er geen sprake is geweest van beïnvloeding. In deze zaak moet niet worden gekozen voor de praktische oplossing. Dat gaat in de toekomst alleen maar tegen u werken als er hoger beroep of cassatie zou volgen. Tijdswinst op korte termijn zal op de lange termijn alleen maar toy tijdsverlies leiden”.

Ook de overige raadslieden hebben hun standpunt naar voren gebracht. Een aantal van hen kon zich vinden in het voorstel van de voorzitter, maar de meerderheid was van mening dat de rechters (de voorzitter en de oudste rechter) zich dienden te verschonen. Een raadsman merkte daarbij op dat de schijn van vooringenomenheid niet kan worden weggenomen door een nieuwe jongste rechter, zeker nu er eigenlijk al een vonnis werd geschreven.

Nadat de rechtbank in raadkamer had beraadslaagd, heeft de voorzitter meegedeeld dat hijzelf en de oudste rechter niet tot een ander inzicht waren gekomen.

Vervolgens hebben vijf medeverdachten de voorzitter en de oudste rechter gewraakt. Verzoekster heeft de gehele meervoudige kamer gewraakt.

De voorzitter en de oudste rechter hebben naderhand berust in de wraking.

2 Het verzoek en de gronden daarvan

2.1

Het verzoek tot wraking is gebaseerd op de navolgende - zakelijk weergegeven -gronden.

2.2

Door het besmettingsgevaar is de schijn van partijdigheid gewekt. De beraadslaging van de oude zittingscombinatie was in een zodanig vergevorderd stadium dat er bewijsmiddelen uitgewerkt waren en kennelijk veroordelende vonnissen, wellicht ook van verzoekster, in de maak waren. De jongste rechter heeft als lid van de nieuwe, voorgestelde zittingscombinatie de behandeling van de terechtzitting van 23 september 2016 inhoudelijk voorbereid en moet in dat kader ook inhoudelijk de zaak hebben besproken met de beide rechters die thans hebben berust in de wraking. Vervolgens heeft de rechter deelgenomen aan de inhoudelijke raadkamerberaadslaging en heeft zij mede overlegd en beslist over de verzoeken om zich te verschonen. Het lijkt welhaast onvermijdelijk dat tevens het deelnemen van de rechter-commissaris als jongste rechter is besproken, nu de zitting van 23 september 2016 met name zag op de consequenties van een en ander. Het lijkt aannemelijk dat de in deze zaak door de eerdere zittingscombinatie genomen beslissingen zijn besproken. De rechter heeft de processen-verbaal van de eerdere drie zittingen gelezen. Op die zittingen zijn wel beslissingen genomen. De rechter maakte onderdeel uit van de meervoudige kamer die beraadslaagde over een nietig proces-verbaal. Als gevolg hiervan heeft verzoekster de indruk dat ook deze rechter niet zonder vooringenomenheid over deze zaak kan oordelen. Bij verzoekster is zowel objectief als subjectief de schijn van vooringenomenheid van de rechter gewekt. Door het enkele deelnemen aan de raadkamer en haar voorbereiding van de zaak is deze schijn van vooringenomenheid voldoende aannemelijk geworden. Er heeft als het ware “vermenging” van standpunten plaatsgevonden, of de rechter nu wel of niet feitelijk door de vorige jongste rechter is beïnvloed.

3 De reactie van de rechter

Volgens de rechter is er geen sprake van enige vooringenomenheid aan haar zijde. De zitting van 23 september 2016 betrof een regiezitting en geen inhoudelijke behandeling van de strafzaak. Haar voorbereiding heeft zich daarom beperkt tot het lezen van het overzichtsproces-verbaal en het proces-verbaal van de behandeling van de strafzaak op 21 en 22 maart 2016 en 6 april 2016. De rechter heeft zich niet inhoudelijk voorbereid zoals te doen gebruikelijk bij een inhoudelijke behandeling. Er is voorafgaand aan de regiezitting geen overleg geweest met de voorzitter en de oudste rechter over de inhoud van de strafzaak. Pas tijdens de regiezitting vernam de rechter dat er al een raadkamer was geweest. De rechter wist wel dat de eerdere jongste rechter rechter-commissaris was geweest, maar niet wat er aan het eind van die raadkamer was besloten. Ook tijdens de zitting van 23 september 2016 is er op geen enkel moment inhoudelijk over de strafzaak gesproken dan wel over de reeds genomen beslissingen door de eerdere zittingscombinatie. De rechter acht zich daarom vrij om deel te nemen aan een nieuwe meervoudige strafkamer die zal worden belast met de behandeling van de strafzaak van verzoekster.

4 De reactie van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat zich geen grond (voor de vrees van) enige partijdigheid heeft voorgedaan. Het enkele feit dat een rechter eerder heeft deelgenomen aan een raadkamer is daartoe niet voldoende. Een rechter wordt immers vermoed onpartijdig te zijn.

5 De beoordeling van het verzoek

5.1

Op grond van het bepaalde in artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering dient in een wrakingprocedure te worden beslist of er sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

5.2

Daarbij staat voorop dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die

een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter jegens een procespartij partijdig is, althans dat de bij die partij daarvoor bestaande vrees objectief gerechtvaardigd

is. Het (subjectieve) standpunt van verzoekster daarover is belangrijk, maar niet doorslaggevend; de vrees voor partijdigheid moet objectief gerechtvaardigd zijn.

5.3

De rechtbank stelt vast dat de rechter drie processen-verbaal van zittingen heeft gelezen die nietig zijn, omdat daaraan een jongste rechter heeft deelgenomen die tevens als rechter-commissaris betrokken was bij het voorbereidend onderzoek. Voorts heeft de rechter deel uitgemaakt van de zittingscombinatie gedurende de regiezitting. Op die regiezitting is aan de orde gekomen dat de griffier al doende was geweest met het uitwerken van bewijsmiddelen voordat ontdekt was dat de jongste rechter eerder als rechter-commissaris betrokken was geweest. De rechter heeft vervolgens deelgenomen aan de beraadslaging tijdens die regiezitting over het verzoek tot verschoning van de hele combinatie. Het kan zo zijn dat daarbij niet over de inhoud van de zaak van verzoekster is gesproken, maar de rechtbank is van oordeel dat wel de geobjectiveerde schijn van partijdigheid is gewekt, mede omdat dit zich aan de waarneming van de verdediging heeft onttrokken. Daarbij staat de persoonlijke integriteit van de rechter niet ter discussie. De raadsman heeft dat ook erkend. Door het enkele feit van deelname aan een zittingscombinatie, waarvan de meerderheid blijkbaar al beslissingen over bewijs had genomen, is het invoelbaar dat bij verzoekster de vrees is ontstaan dat de rechter niet meer volledig open zal staan voor hetgeen nog aan de orde zou kunnen komen en dat van een onbevangen beoordeling geen sprake meer zal zijn. Deze vrees is naar het oordeel van de rechtbank ook objectief gerechtvaardigd.

5.4

Daarbij speelt mede een rol dat de rechter onderdeel is gaan uitmaken van een zittingscombinatie die het hiervoor, onder 1a en 1c weergegeven voorstel tot afdoening van de zaak aan verzoekster heeft gedaan, waarbij de meerderheid van de rechters uit de eerste zittingscombinatie op de zaak zou blijven zitten. Na bezwaren daartegen van (onder meer) verzoekster en verzoeken tot verschoning van (onder meer) verzoekster, is in eerste instantie – na een beraadslaging in raadkamer – aan dat voorstel vastgehouden. Door de enkele deelname van de rechter aan de meervoudige kamer die dit voorstel heeft gedaan en de beraadslagingen over dat voorstel na bezwaren daartegen, is ook de rechter daarvoor medeverantwoordelijk, omdat de wens tot voortzetting van de behandeling door dezelfde zittingscombinatie als een gezamenlijke beslissing heeft te gelden.

6. Het geheel van de feiten en omstandigheden in deze zaak maakt aldus dat een objectief gerechtvaardigde schijn van partijdigheid is gewekt, waarvan de jongste rechter overigens geen blaam treft.

7. Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.

BESLISSING

De rechtbank:

- wijst het verzoek tot wraking toe.

Aldus gegeven door mr. M.V. Ulrici, voorzitter en mr. A.P. Schoonbrood-Wessels en mr. drs. W.M.C. van den Berg, leden, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 december 2016 in tegenwoordigheid van de griffier.

Tegen deze beslissing staat op grond van het bepaalde in artikel 515 lid 5 Sv geen voorziening open.