Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:8957

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
01-12-2016
Datum publicatie
29-12-2016
Zaaknummer
HA RK 415.2016
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Verzoek afgewezen. Het verzoek komt er in de kern op neer dat verzoekster van mening is dat de rechter door het stellen van bepaalde vragen en haar houding ter zitting haar vijandig heeft bejegend. Als tweede grond voor wraking voert verzoekster aan dat haar gemachtigde door de rechter werd gehinderd in het naar voren brengen van zijn standpunten.

De aard van de zaken die door de kinderrechter worden behandeld, zeker in het geval van een verzoek tot ondertoezichtstelling van minderjarige kinderen zoals in dit geval door de Raad voor de Kinderbescherming, brengt mee dat partijen bevraagd kunnen worden over voor hen onaangename situaties zoals die uit het dossier naar voren komen. Dat kan confronterend zijn, maar het behoort nu eenmaal tot de taak van de rechter om ter zitting ook moeilijke situaties, die naar het oordeel van de rechter voor de beoordeling van belang kunnen zijn, aan de orde te stellen. Dat verzoekster een en ander als vijandig ten opzichte van haar heeft ervaren en zij zich daardoor aangevallen voelde kan zo zijn, maar dat maakt naar het oordeel van de rechtbank nog niet dat de rechter daarmee vooringenomen is geweest jegens verzoekster, of dat zij de objectief gerechtvaardigde schijn daartoe bij verzoekster heeft opgewekt.

In het kader van het voeren van de regie ter zitting staat het de rechter vrij het debat ter zitting te beperken tot de stellingen die naar haar mening voor de beoordeling van, in dit geval, het voorgelegde verzoek tot ondertoezichtstelling relevant zijn. Voor uitzonderlijke omstandigheden in de wijze waarop de rechter die taak heeft ingevuld die maken dat zij jegens een van partijen een (objectief gerechtvaardigde vrees voor) vooringenomenheid koestert heeft de rechtbank geen aanknopingspunten kunnen vinden. Dat de rechter de gemachtigde van verzoekster heeft gevraagd zijn betoog toe te spitsen op het verzoek tot ondertoezichtstelling, kan niet tot de conclusie leiden dat de rechter jegens verzoekster vooringenomen is. Uit het proces-verbaal blijkt niet dat de rechter (de gemachtigde van) verzoekster heeft belet voor de beoordeling van de zaak relevante stellingen in te nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Wrakingskamer

Beslissing op het op 3 november 2016 ingekomen en onder rekestnummer

C/13/618556/ HA RK 415.2016 ingeschreven verzoek van:

[verzoekster] ,

wonende te [ ],

verzoekster,

gemachtigde [ ].

welk verzoek strekt tot wraking van mr. L. Baggerman, in haar hoedanigheid van rechter, tevens kinderrechter te Amsterdam, hierna: de rechter.

Verloop van de procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van het van de zitting van 3 november 2016 opgemaakte proces-verbaal met daarin opgenomen de gronden van het verzoek.

De rechter heeft meegedeeld niet in de wraking te berusten.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 25 november 2016. Aanwezig waren verzoekster, haar gemachtigde en de rechter vergezeld door de voorzitter van het team familie- en jeugdzaken. Verder waren aanwezig de heer [ ] met zijn advocaat.

De voorzitter heeft de in het proces-verbaal weergegeven samengevatte grond voor wraking voorgelezen. Nadat partijen over en weer in de gelegenheid zijn gesteld op elkaars standpunten te reageren, is de behandeling gesloten.

De uitspraak is bepaald op 1 december 2016.

1 Gronden van de beslissing

Van de volgende feiten wordt uitgegaan:

  1. Bij de rechtbank is onder nummer C/13/616096 / JE RK / 16/1147 een verzoek in behandeling van de Raad voor de Kinderbescherming met betrekking tot de minderjarige kinderen van verzoekster.

  2. Op 3 november 2016 heeft in deze zaak een behandeling plaatsgevonden ten overstaan van de rechter. Van die behandeling ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Tijdens de behandeling heeft verzoekster een tegen de rechter gericht verzoek tot wraking gedaan.

2 De gronden van het verzoek.

2.1

Aan het verzoek heeft verzoekster samengevat het volgende ten grondslag gelegd. De zitting begon met een discussie over de vraag of haar gemachtigde wel kon worden toegelaten. Vervolgens kreeg verzoekster direct het woord en werd zij door de rechter in haar beleving kritisch ondervraagd. Verzoekster voelde zich aangevallen en kreeg het gevoel dat de rechter haar op een vijandige wijze benaderde. Tijdens de zitting heeft de rechter in haar ogen teveel de nadruk gelegd op één in het raadsrapport besproken incident. Dat incident is aan verzoekster voorgehouden op een manier alsof ze daarmee aan haar kind onherstelbare schade heeft toegebracht. Deze wijze van bevraging getuigt van vooringenomenheid. De sfeer tijdens de zitting maakte dat de zitting niet prettig verliep. Verzoekster werd door de rechter stevig ondervraagd over het incident en dan mag worden verwacht dat de andere partij ook stevig wordt ondervraagd over andere pijnpunten in het dossier, maar dat gebeurde niet

2.2

De tweede grond is dat de rechter er kennelijk moeite mee heeft haar haar gemachtigde binnen redelijke grenzen, die volgens verzoekster nog niet waren overschreden, zijn betoog te laten doen. Haar gemachtigde werd herhaaldelijk onderbroken. Zolang haar gemachtigde binnen de grenzen van de wet blijft, moet de rechter hem de vrijheid geven om zijn betoog te houden.

2.3

Het gedrag van de rechter, niet alleen in gesproken taal, maar ook non-verbaal, maakt dat verzoekster van mening is dat sprake is van een objectieve vooringenomenheid. Verzoekster vindt dat door de opstelling van de rechter het recht op een eerlijk proces, zoals neergelegd in artikel 6 EVRM, wordt geschonden. Als voorbeeld noemt verzoekster het moment waarop haar gemachtigde mededeelde dat het in deze zaak gaat om een ‘omgangs-ondertoezichtstelling’. De rechter reageerde daarop met de mededeling dat zij dat niet zo in het rapport had gelezen. De rechter liet haar gemachtigde zijn verhaal niet afmaken. Voorts werd er door de rechter een boog gemaakt rondom het door de wederpartij gepleegde huiselijk geweld, dat wel een rode draad is in het dossier is. Toen haar gemachtigde verzoekster voorhield of zij behoefte had aan overleg over de manier waarop zij hier verder mee moesten gaan, heeft de rechter dit in eerste instantie niet willen toelaten. Hierdoor is het recht op een eerlijk proces geschonden. Voorafgaand aan de schorsing heeft de rechter gezegd dat zij zich ook wilde beraden over hoe de zaak nu verder moest. Verzoekster weet niet wat de rechter daarmee bedoelde. Verzoekster heeft ernstige problemen met de wijze van behandeling.

3 De reactie van de rechter

De rechter heeft aangevoerd dat het raadsrapport ter zitting is besproken. De rechter heeft daarbij uitgelegd dat zo’n rapport nogal confronterend kan zijn. Raadsrapporten staan veelal vol met abstracties en de rechter gebruikt in het rapport vermelde voorbeelden om die abstracties nader handen en voeten te geven. De rechter betreurt het dat verzoekster aan de behandeling het gevoel heeft overgehouden dat zij vijandig werd benaderd. Het is de rechter blijkbaar niet gelukt om goed op verzoekster over te brengen waar het in deze zaak om gaat. De rechter erkent dat zij de gemachtigde van verzoekster een aantal malen heeft onderbroken in zijn betoog. Zij heeft de regie op de zitting en heeft dit gedaan om het betoog te beperken tot waar het in deze zaak om gaat.

4 De beoordeling van het verzoek

4.1.

In een wrakingsprocedure dient de rechtbank te onderzoeken of sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarbij staat voorop dat een rechter op grond van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter jegens een procespartij partijdig is, althans dat de daarvoor bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Het (subjectieve) standpunt van een verzoeker daarover is belangrijk, maar niet doorslaggevend. De rechtbank zal het wrakingsverzoek dan ook aan de hand van de hiervoor genoemde maatstaf beoordelen.

4.2.

Het verzoek berust in de eerste plaats op de gedachte dat door het stellen van bepaalde vragen op de zitting van 3 november 2016 en uit haar houding op die zitting, volgt dat de rechter zich vijandig ten opzichte van verzoekster heeft opgesteld en dat zij daarmee de schijn van partijdigheid op zich heeft geladen.

4.3

De aard van de zaken die door de kinderrechter worden behandeld, zeker in het geval van een verzoek tot ondertoezichtstelling van minderjarige kinderen zoals in dit geval door de Raad voor de Kinderbescherming, brengt mee dat partijen bevraagd kunnen worden over voor hen onaangename situaties zoals die uit het dossier naar voren komen. Dat kan confronterend zijn, maar het behoort nu eenmaal tot de taak van de rechter om ter zitting ook moeilijke situaties, die naar het oordeel van de rechter voor de beoordeling van belang kunnen zijn, aan de orde te stellen. Het belang van de minderjarigen staat daarbij steeds voorop. De rechter heeft ter zitting toegelicht dat in een rapport van de Raad voor de Kinderbescherming veelal abstract bepaalde problematiek wordt omschreven. De rechter gebruikt dan concreet in het rapport beschreven voorbeelden om die abstracties in te kleuren. Uit het proces-verbaal van de zitting volgt dat de rechter verzoekster een in het Raadsrapport beschreven situatie heeft voorgehouden om de reactie van verzoekster daarop te verkrijgen. Dat verzoekster een en ander als vijandig ten opzichte van haar heeft ervaren en zij zich daardoor aangevallen voelde kan zo zijn, maar dat maakt naar het oordeel van de rechtbank nog niet dat de rechter daarmee vooringenomen is geweest jegens verzoekster, of dat zij de objectief gerechtvaardigde schijn daartoe bij verzoekster heeft opgewekt.

4.4

Als tweede grond voor wraking voert verzoekster aan dat haar gemachtigde door de rechter werd gehinderd in het naar voren brengen van zijn standpunten. De rechtbank overweegt dat het de rechter is die ter zitting de regie voert. Het staat de rechter in dat kader vrij het debat ter zitting te beperken tot de stellingen die naar haar mening voor de beoordeling van, in dit geval, het voorgelegde verzoek tot ondertoezichtstelling relevant zijn. De rechter heeft daarbij een grote vrijheid, zodat slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden in de wijze waarop de rechter die taak heeft ingevuld een grond kan worden gevonden voor het oordeel dat zij jegens een van partijen een vooringenomenheid koestert, of dat de bij die partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Voor die zeer uitzonderlijke omstandigheden heeft de rechtbank geen aanknopingspunten kunnen vinden. Dat de rechter de gemachtigde van verzoekster heeft gevraagd zijn betoog toe te spitsen op het verzoek tot ondertoezichtstelling, kan niet tot de conclusie leiden dat de rechter jegens verzoekster vooringenomen is. Uit het proces-verbaal blijkt niet dat de rechter (de gemachtigde van) verzoekster heeft belet voor de beoordeling van de zaak relevante stellingen in te nemen.

4.5

Verzoekster heeft ter zitting nog naar voren gebracht dat uit cijfers van het CBS blijkt dat in 90% van de gevallen de rechter het advies van de Raad voor de Kinderbescherming volgt. In combinatie met het feit dat de Tweede Kamer recent een motie heeft aangenomen waarin de regering wordt verzocht een actieplan waarheidsvinding te ontwikkelen ten behoeve van de rapporteringen door de Raad voor de Kinderbescherming is bij verzoekster het beeld ontstaan van Raadsrapporten als een onneembare vesting en van structurele vooringenomenheid bij de kinderrechters. De door verzoekster gestelde schijn van vooringenomenheid van de rechter wordt mede gevoed door deze gegevens.

4.6

Wat ook zij van de juistheid van deze door verzoekster gestelde feiten, geldt dat deze niet kunnen bijdragen tot de conclusie dat de rechter niet onpartijdig is geweest. In een wrakingsprocedure is de vraag aan de orde of er feiten of omstandigheden zijn die maken dat de rechterlijke onpartijdigheid van de rechter die een zaak in behandeling heeft schade zou kunnen lijden. Daarvoor is nodig dat er concrete op de rechter toegespitste feiten en omstandigheden worden aangevoerd waaruit dat zou kunnen blijken. Hetgeen onder 4.5 is aangevoerd voldoet niet aan dit criterium.

4.7

Naar het oordeel van de rechtbank volgt niet uit het voorgaande, ook indien dit in onderlinge samenhang wordt bekeken, dat bij verzoekster de objectief gerechtvaardigde schijn is gewekt dat de rechter jegens haar vooringenomen is. Nu feiten of omstandigheden die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden, niet zijn gebleken, dient het wrakingsverzoek te worden afgewezen.

5. Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.

BESLISSING

De rechtbank:

 wijst het verzoek tot wraking af;

 bepaalt dat de procedure geregistreerd onder zaaknummer C/13/616096 / JE RK / 16/1147 wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment dat het wrakingverzoek werd ingediend.

Deze beslissing is gegeven door mrs. P.B. Martens, voorzitter, S.P. Pompe en W.M. de Vries, in aanwezigheid van F.C.H. Krieger, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 december 2016.

Rechtsmiddel

Tegen deze beslissing staat geen voorziening open.