Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:8719

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
23-12-2016
Datum publicatie
03-01-2017
Zaaknummer
13/680153-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Geen medeplegen woninginbraken. Medeplichtigheid woninginbraak. Heling. Vernieling. Dragen van een wapen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummer: 13/680153-16

Datum uitspraak: 23 december 2016

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1] 1996,

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres [adres 1] ,

[woonplaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

1.1.

Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 9 december 2016.

1.2.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,

mr. M. Modder, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. J. Veenstra, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan

1. het tezamen en in vereniging plegen van een woninginbraak op 23 juni 2016 aan de [adres 2] te Haarlem, waarbij meerdere goederen zijn weggenomen;

2. het tezamen en in vereniging plegen van een woninginbraak in de periode van 4 juni 2016 tot en met 5 juni 2016 aan de [adres 3] te Amsterdam, waarbij meerdere goederen zijn weggenomen, subsidiair ten laste gelegd als medeplichtig aan deze woninginbraak;

3. het tezamen en in vereniging plegen van een woninginbraak op 13 februari 2016 aan het [adres 4] te Amsterdam, waarbij meerdere goederen zijn weggenomen;

4. het tezamen en in vereniging plegen van een woninginbraak op 13 februari 2016 aan de [adres 5] te Amsterdam, waarbij meerdere goederen zijn weggenomen,

subsidiair ten laste gelegd als de heling van deze goederen;

5. vernieling van een of meer toegangsdeuren van kelderboxruimtes in de periode van 31 december 2015 tot en met 7 februari 2016 te Amsterdam;

6. het tezamen en in vereniging plegen van heling in de periode van 21 december 2015 tot en met 10 maart 2016 te Amsterdam;

7. het dragen van een luchtdrukwapen in de periode van 31 december 2015 tot en met 10 maart 2016 te Amsterdam.

De tekst van de integrale tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht en maakt daarvan deel uit.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

De officier van justitie acht alle primair ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen. Zij heeft, aan de hand van haar op schrift gestelde requisitoir, daartoe de relevante bewijsmiddelen opgesomd.

4.1

Vrijspraak ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

De raadsvrouw van verdachte heeft aan de hand van haar pleitaantekeningen betoogd dat verdachte van het hem onder 1 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs. Zij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte heeft verklaard dat hij met [medeverdachte] naar Haarlem is gegaan en dat hij vervolgens naar de kamer van [persoon 1] is gegaan en daar is gebleven. Voorts wordt in de tapgesprekken tussen [medeverdachte] en [persoon 1] op 23 juni 2016 gesproken over het openen van een deur, waarmee volgens verdachte de deur van de woning van [persoon 1] wordt bedoeld. Dit is door [persoon 1] bevestigd, aldus de raadsvrouw.

De rechtbank overweegt als volgt.

Zelfs al zou de rechtbank ervan uitgaan dat in het tapgesprek tussen [medeverdachte] en [persoon 1] met het openen van de deur niet de deur van de woning van [persoon 1] wordt bedoeld, maar het openen van de deur van de woning aan de [adres 2] door [persoon 1] , dan zegt dat nog niets over de betrokkenheid van verdachte bij de ten laste gelegde inbraak. Ook overigens komen uit het dossier geen concrete handelingen naar voren die erop duiden dat verdachte betrokken is geweest bij de woninginbraak. Verdachte zal daarom van dit feit worden vrijgesproken.

4.2

Vrijspraak ten aanzien van het onder 2 primair ten laste gelegde

De raadsvrouw van verdachte heeft betoogd dat verdachte van het hem onder 2 primair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de verklaring van verdachte, dat hij slechts door de ramen in de woning heeft gekeken of hij de bewoners zag en dat hij niet in de woning is geweest, aannemelijk is. Deze verklaring wordt ondersteund door de inhoud van de tapgesprekken, nu daaruit blijkt dat verdachte zeven seconden nadat hij heeft gezegd dat hij in de woning gaat kijken al constateert dat er geen beweging is, aldus de raadsvrouw.

De rechtbank overweegt als volgt.

Anders dan de officier van justitie en met de raadsvrouw van verdachte is de rechtbank van oordeel dat de stelling van de raadsvrouw dat verdachte slechts door de ramen bij de woning naar binnen heeft gekeken en niet in de woning is geweest, niet wordt weerlegd door de inhoud van het tapgesprek met sessienummer [sessienummer] . Nu uit het dossier niet blijkt dat de rol van verdachte groter en meer omvattend is geweest dan het van buitenaf kijken in de woning om na te gaan of de bewoners thuis zijn, en vervolgens het telefonisch doorgeven van zijn bevindingen aan de medeverdachte, is de rechtbank van oordeel dat de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachten niet is komen vast te staan. Verdachte zal daarom van het hem onder 2 primair ten laste gelegde worden vrijgesproken.

4.3

Vrijspraak ten aanzien van het onder 3 en 4 primair ten laste gelegde

De raadsvrouw van verdachte refereert zich ten aanzien van de onder 3 ten laste gelegde woninginbraak aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van de onder 4 primair ten laste gelegde woninginbraak heeft zij zich op het standpunt gesteld dat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken, nu niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de personen die om 20.08 uur op de camerabeelden in de boxruimte te zien zijn, ook de personen zijn die op diezelfde dag tussen 15.00 uur en 20.00 uur de inbraak hebben gepleegd.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

Uit het dossier komen geen concrete handelingen naar voren die erop duiden dat verdachte betrokken was bij de ten laste gelegde woninginbraken aan het [adres 4] en de [adres 5] op 13 februari 2016. De waarneming op de beelden met betrekking tot de inbraak aan het [adres 4] van een zweem van blauw bij een van de personen die in beeld komt, welke waarneming in verband wordt gebracht met kleding van verdachte, acht de rechtbank onvoldoende om verdachte te identificeren als een van de personen die op die beelden is te zien. De rechtbank is voorts van oordeel dat het enkele feit dat verdachte op 13 februari 2016 om 20:41 uur met anderen in de gang van de boxruimte staat terwijl er goederen van hand tot hand gaan, onvoldoende is om bewezen te achten dat verdachte deze inbraken daadwerkelijk gepleegd heeft of daarbij betrokken was in de zin van medeplegen. Weliswaar is dit tijdstip zeer kort na de woninginbraak aan het [adres 4] , maar naar het oordeel van de rechtbank kan uit voornoemde beelden niet worden afgeleid dat de goederen die op de beelden te zien zijn goederen betreffen die bij de onder 3 tenlastegelegde woninginbraak gestolen zijn. Voor zover verdachte op grond van de beelden wel in verband kan worden gebracht met goederen die gestolen zijn bij de onder 4 tenlastegelegde woninginbraak, acht de rechtbank het tijdsverloop tussen de beelden en de inbraak te groot om enkel op basis van de beelden betrokkenheid bij de woninginbraak bewezen te achten. Verdachte zal daarom worden vrijgesproken van de onder 3 en 4 primair ten laste gelegde woninginbraken.

4.4

Vrijspraak ten aanzien van het onder 7 ten laste gelegde en partiële vrijspraak van het onder 5 ten laste gelegde

De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van het onder 5 en 7 ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Aan verdachte is onder 7 ten laste gelegd dat hij een luchtdrukgeweer heeft gedragen in de zin van de Wet wapens en munitie (hierna: WWM). In artikel 1, sub 10, van de WWM staat vermeld dat met het dragen van een wapen in de zin van de WWM wordt bedoeld: het op de openbare weg of andere voor het publiek toegankelijke plaatsen bij zich hebben van een wapen anders dan voor vervoer van het wapen.


De rechtbank is van oordeel dat het voorhanden hebben van een luchtbuks in een kelderboxgang die toegankelijk is voor bewoners van de bovengelegen flat en die met een centrale toegangsdeur is afgesloten, niet valt onder deze definitie van het dragen van een wapen als bedoeld in artikel 1, sub 10, van de WWM. De rechtbank is dan ook van oordeel dat niet bewezen is dat verdachte het wapen heeft gedragen, zodat hij van het ten laste gelegde feit zal worden vrijgesproken.

De rechtbank acht ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde niet bewezen dat ten gevolge van het draaien of steken met een schroevendraaier of een scherp en puntig voorwerp schade is ontstaan aan de betreffende deur(post) nu hiervan niet blijkt uit het dossier, zodat verdachte van dit gedeelte van de tenlastelegging zal worden vrijgesproken.

4.5

Bewijsoverweging ten aanzien van het onder 6 ten laste gelegde

Uit het proces-verbaal van onderzoek met betrekking tot de camerabeelden blijkt dat verdachte regelmatig in de boxgang van de [adres 6] komt en dat hij meermalen de boxdeur van perceelnummer [nummer] opent met een sleutel. Hieruit kan worden opgemaakt dat verdachte (mede) de feitelijke zeggenschap heeft gehad over de goederen. Op grond van het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan medeplegen van schuldheling.

4.6

Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat hij, verdachte,

Ten aanzien van het onder 2 subsidiair ten laste gelegde

[medeverdachte] in de periode van 4 tot en met 5 juni 2016 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning gelegen aan de [adres 3] heeft weggenomen

- telefoons (merk Apple, type iPhone en Samsung, type Galaxy S3 Neo) en

- een iPad (merk Apple, type Air) en

- een Playstation (merk Sony, type 4) en

- een computer (merk Acer) en

- controllers (merk Playstation, type 4) en

- computerspellen en

- een kentekenbewijs (merk Volkswagen, type Golf) en

- een autosleutel (merk Volkswagen, type Golf) en

- een geldbedrag (totaal 570 euro) en

- sieraden en

- flesjes parfum en

- kledingstukken en

- staatsloten en

- een zonnebril (merk Ray-Ban),

toebehorend aan [persoon 2] of [naam installatiebedrijf] of [persoon 3] , waarbij [medeverdachte] zich de toegang tot voornoemde woning heeft verschaft door middel van verbreking van een raam van voornoemde woning, bij het plegen van welk misdrijf hij, verdachte toen daar opzettelijk behulpzaam is geweest door bij voornoemde woning te gaan kijken of de bewoners van voornoemde woning thuis waren en de buurman en de politie bij voornoemde woning aanwezig waren en vervolgens voornoemde [medeverdachte] hiervan op de hoogte te stellen;

Ten aanzien van het onder 4 subsidiair ten laste gelegde

in de periode van 13 februari 2016 tot en met 10 maart 2016 te Amsterdam tezamen

en in vereniging met anderen een groene rugtas en een videocamera (merk Canon) voorhanden heeft gehad, terwijl hij en zijn mededaders ten tijde van het voorhanden krijgen redelijkerwijs hadden moeten vermoeden dat het door misdrijf verkregen goederen betrof;

Ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde

in de periode van 31 december 2015 tot en met 7 februari 2016 te Amsterdam opzettelijk en wederrechtelijk een toegangsdeur van een kelderboxruimte gelegen aan de [adres 6] , toebehorende aan [naam woningcorporatie] , heeft beschadigd door met een luchtbuks op voornoemde toegangsdeur van een boxruimte te schieten;

Ten aanzien van het onder 6 ten laste gelegde

omstreeks de periode van 21 december 2015 tot en met 10 maart 2016 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen

- huissleutels van woningen gelegen in de flat [naam] (goednummer 5155036) en/of

- een tablet (merk Apple, type iPad) (goednummer 5117388) en/of

- een tablet (merk Apple, type iPad) (goednummer 5151891) en/of

- een fotocamera (merk Canon, type EOS 20D) (goednummer 5152346) en/of

- een autosleutel (goednummer 5151916) en/of

- een motorfiets (kenteken [kenteken 1] ) (goednummer 4644523) en/of

- een kentekenplaat (kenteken [kenteken 2] ) en/of

- een creditcard (ING) (goednummer 5151876) en/of

- een horloge (goednummer 5152254) en/of

- een factuur ( [website] ) (goednummer 5151880) en/of

- een Beamer projector (merk Acer, type EMP-71) (goednummer 5152356),

voorhanden heeft gehad, terwijl hij en zijn mededaders ten tijde van het voorhanden krijgen

redelijkerwijs hadden moeten vermoeden, dat het door misdrijf verkregen goederen betrof.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar onder 1, 2, 3, 4 primair, 5 en 6 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 420 (vierhonderdtwintig) dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 348 (driehonderdachtenveertig) dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 (drie) jaren en met de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd. Voor het onder 7 ten laste gelegde verzoekt de officier van justitie verdachte schuldig te verklaren zonder oplegging van een straf.

8.2

Het strafmaatverweer van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft bij pleidooi aan de hand van haar pleitaantekeningen verzocht om het adolescentenstrafrecht toe te passen. Daarnaast heeft zij verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en

geen langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf aan hem op te leggen dan de tijd die hij reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Voorts heeft de raadsvrouw verzocht om enkele door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden, te weten het contactverbod, het locatiegebod in de vorm van een avondklok en het drugsverbod, niet aan verdachte op te leggen.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan medeplichtigheid aan een woninginbraak door bij een woning door het raam te kijken of de bewoners thuis waren, en zijn bevindingen vervolgens telefonisch door te geven aan de medeverdachte. Vervolgens heeft er een inbraak plaatsgevonden waarbij goederen zijn ontvreemd. Verdachte heeft met zijn handelen bijgedragen aan de gevoelens van onveiligheid van het slachtoffer en de in de maatschappij reeds bestaande gevoelens van onveiligheid doen toenemen.
Daarnaast heeft verdachte zich meermalen schuldig gemaakt aan schuldheling van goederen. Helinghandelingen vormen een stimulans voor het plegen van vermogensdelicten en door dit soort activiteiten wordt een afzetmarkt voor gestolen goederen in stand gehouden.

Ten slotte heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan vernieling van een toegangsdeur van een boxruimte, door met een luchtbuks op die toegangsdeur te schieten. Hiermee heeft verdachte geen respect getoond voor andermans eigendom en de benadeelde financiële schade berokkend.

De rechtbank stelt vast dat verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële documentatie van 8 november 2016, eerder is veroordeeld voor het plegen van een vermogensdelict. Dit heeft hem er kennelijk niet van weerhouden onderhavige feiten te plegen.

De rechtbank heeft kennisgenomen van een Pro Justitia rapportage betreffende verdachte van 28 september 2016, opgemaakt door [gezondheidszorg- kinder en jeugdpsycholoog] , gezondheidszorg- en kinder- en jeugdpsycholoog, met assistentie van [orthopedagoog] , orthopedagoog. Deze rapportage houdt

– zakelijk weergegeven – onder meer het volgende in:

Er is bij verdachte sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van een gedragsstoornis en een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling. Tevens is er al meerdere jaren sprake van cannabismisbruik. Door de ontkenning van verdachte kan niet worden gezegd of de gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens zijn gedragingen ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde beïnvloedde, maar verdachte wordt in zijn algemene functioneren wel beïnvloed door zijn gebrekkige ontwikkeling. Hij is als gevolg van zijn gedragsstoornis verhoogd impulsief en in mindere mate in staat om andere gedragskeuzen te maken en conform te handelen. Over het algemeen zijn jongeren met een gedragsstoornis minder strafgevoelig, waardoor zij gemakkelijker ongewenst gedrag vertonen en zich achteraf minder schuldig voelen. In het contact komt verdachte jonger over dan zijn kalenderleeftijd. Het wordt van belang geacht dat hij uit de opstandige kinderrol stapt. Hij moet leren eigen verantwoordelijkheid te nemen en meer zelfredzaam te zijn. Op het gebied van gezinsinterventies is in het verleden al het nodige ingezet, zonder effect. De ouders zijn overbelast en verdachte wil niet dat zijn ouders betrokken worden bij een eventuele interventie. Een pedagogische aanpak wordt niet mogelijk, niet haalbaar en niet effectief geacht. Gelet hierop wordt niet geadviseerd het jeugdstrafrecht toe te passen, maar wordt het wenselijk geacht dat verdachte als jongvolwassene wordt behandeld.


Voorts heeft de rechtbank kennisgenomen van het rapport van Reclassering Nederland van 12 oktober 2016, opgemaakt door L. Aourag. Dit rapport houdt – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende in:

Ondanks de inzet van meerdere hulpverleningsvormen was er tot aan de aanhouding van verdachte geen bevredigend resultaat. Sinds de schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis is er bij verdachte een verandering merkbaar. Hij stelt zich meewerkend op en houdt zich aan de afspraken met de reclassering en de betrokken partijen. Continuering van het reclasseringstoezicht is gewenst, nu het van belang is dat de huidige interventies worden voorgezet om de risicofactoren aan te pakken, structuur en stabiliteit in het leven van verdachte te creëren en hiermee de kans op recidive te verminderen. Zonder

(gedrags-)interventies en/of behandeling acht de reclassering de kans op recidive verhoogd. Geadviseerd wordt om een deels voorwaardelijke gevangenisstraf aan verdachte op te leggen, met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, een behandelverplichting, een drugsverbod, een contactverbod met de medeverdachten, een locatiegebod in de vorm van een avondklok en andere voorwaarden het gedrag betreffende, bestaande uit het beschikken over een dagbesteding in de vorm van werk of school dan wel het verlenen van medewerking aan een traject via Streetcornerwork of vergelijkbare instantie, het meewerken aan begeleiding vanuit Streetcornerwork of vergelijkbare instantie en het meewerken aan plaatsing in een passende woonvoorziening.

De rechtbank verenigt zich met de conclusies van voornoemde rapporten en neemt het advies van Reclassering Nederland over.


Bij de straftoemeting heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de door het LOVS geformuleerde oriëntatiepunten. De rechtbank houdt rekening met de toepassing van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank besluit om in deze zaak het volwassenenstrafrecht toe te passen, nu toepassing van het jeugdstrafrecht niet meer op zijn plaats is. De rechtbank is tot dit oordeel gekomen op grond van inhoud van de psychologische rapportage en de conclusie dat een pedagogische aanpak bij verdachte niet mogelijk, niet haalbaar en niet effectief wordt geacht. De rechtbank ziet zeer goed de noodzaak van begeleiding van verdachte, maar constateert dat de mogelijkheden van de jeugdreclassering zijn benut, zonder effect. Verdachte zal nu onder het volwassenenstrafrecht de kans krijgen om te laten zien dat hij kan veranderen.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op het feit dat de rechtbank minder feiten bewezen acht dan de officier van justitie, aanleiding bestaat om bij de straftoemeting af te wijken van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd.

De rechtbank acht, alles afwegende, een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te noemen duur passend en geboden. Om verdachte in de toekomst van strafbare gedragingen te weerhouden is de rechtbank van oordeel dat het noodzakelijk is om aan verdachte alle door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden op te leggen. De rechtbank zal hieraan een proeftijd van 2 (twee) jaren verbinden, nu de rechtbank geen aanleiding ziet om de proeftijd op 3 (drie) jaren vast te stellen.

9 Beslag

De officier van justitie heeft ten aanzien van het inbeslaggenomen vest (521946) en de inbeslaggenomen sleutels (5219463 en 5219464) de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gevorderd. Ten aanzien van de OV-chipkaart (5219469) en de handschoenen (5219461) heeft de officier van justitie verzocht deze te retourneren aan de eigenaar.

De raadsvrouw van verdachte heeft zich niet uitgelaten over het beslag.

De rechtbank zal ten aanzien van het inbeslaggenomen vest (521946), de inbeslaggenomen sleutels (5219463 en 5219464) en de inbeslaggenomen OV-chipkaart (5219469) de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten.

Voorts zal de rechtbank de teruggave aan de rechthebbende, zijnde verdachte, van de bij de doorzoeking van zijn slaapkamer inbeslaggenomen handschoenen (5219461) gelasten.

10 Benadeelde partij

De benadeelde partij [benadeelde partij] vordert als gevolg van het onder 4 ten laste gelegde feit € 540,86 (vijfhonderdveertig euro en zesentachtig eurocent), bestaande uit € 320,86 (driehonderdtwintig euro en zesentachtig eurocent) aan materiële schadevergoeding en

€ 220,00 (tweehonderdtwintig euro) aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting verklaard dat zij reeds opdracht heeft gegeven om enkele posten die de benadeelde partij in de vordering als materiële schade heeft opgevoerd, te weten de rugtas, de videocamera en de computermuis, aan hem te retourneren. De officier van justitie heeft toewijzing van de vordering van de benadeelde partij gevorderd tot een bedrag van € 388,88 (driehonderdachtentachtig euro en achtentachtig eurocent), bestaande uit € 168,88 (honderdachtenzestig euro en achtentachtig eurocent) aan resterende materiële schade en € 220,00 (tweehonderdtwintig euro) aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsvrouw van verdachte heeft verzocht om de vordering van de benadeelde partij tot materiële schadevergoeding ten aanzien van de videocamera, de rugtas en de computermuis af te wijzen, nu deze aan de benadeelde partij zullen worden geretourneerd. Voorts heeft zij verzocht de materiële schadepost ‘vrije tijd’ af te wijzen. Voor het overige heeft ze zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van de gevorderde materiële schadevergoeding overweegt de rechtbank als volgt.

Zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld, acht de rechtbank bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 4 subsidiair ten laste gelegde schuldheling van de rugtas en de videocamera. Nu de officier van justitie reeds opdracht heeft gegeven om onder andere voornoemde goederen aan verdachte te retourneren, zal de vordering van de benadeelde partij, voor zover die ziet op de rugtas en de videocamera, worden afgewezen. Ten aanzien van de overige gevorderde materiële schadevergoeding zal (gebruik passage indien geheel of gedeeltelijk niet van eenvoudige aard)de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat niet is komen vast te staan dat de schade waarvan vergoeding wordt gevorderd rechtstreeks verband houdt met de bewezen verklaarde schuldheling.

Ten aanzien van de gevorderde immateriële schadevergoeding overweegt de rechtbank het volgende.

De benadeelde partij heeft het verzoek tot vergoeding van immateriële schade nader onderbouwd. Hij heeft aangevoerd dat hij sinds de inbraak heeft plaatsgevonden moeite heeft om een veilige plek te vinden waar hij zich thuis voelt. Voorts blijkt uit de onderbouwing dat er bij de inbraak goederen zijn weggenomen die voor hem emotioneel zeer waardevol zijn. Nu verdachte blijkens hetgeen in rubriek 4 is vermeld zal worden vrijgesproken van de onder 4 primair ten laste gelegde inbraak en zal worden veroordeeld voor de subsidiair ten laste gelegde schuldheling, is niet komen vast te staan dat de immateriële schade waarvan vergoeding wordt gevorderd rechtstreeks verband houdt met het bewezen verklaarde feit. De benadeelde partij zal derhalve ten aanzien van de gevorderde immateriële schade in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

11 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 48, 57, 63, 311, 350 en 417bis van het Wetboek van Strafrecht.

12 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 1, 2 primair, 3, 4 primair en 7 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 2 subsidiair, 4 subsidiair, 5 en 6 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 2 subsidiair ten laste gelegde

medeplichtigheid aan diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van verbreking;

Ten aanzien van het onder 4 subsidiair en onder 6 ten laste gelegde

medeplegen van schuldheling, meermalen gepleegd;

Ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen.


Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 16 (zestien) weken.

Beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 6 (zes) weken, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet aan de volgende algemene voorwaarden houdt.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde

1. zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het
nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in
artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.

3. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede
lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder
begrepen.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden:
Meldplicht
Veroordeelde moet zich houden aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft, voor zover deze niet reeds zijn opgenomen in een andere bijzondere voorwaarde. Daartoe moet hij zich blijven melden bij de reclassering op het adres [adres 7] . Hij moet zich gedurende door de reclassering bepaalde perioden blijven melden zo frequent als de reclassering gedurende deze perioden noodzakelijk acht.

Behandelverplichting – Ambulante behandeling

Gezien de directe samenhang van de criminogene factoren met het gedrag van veroordeelde wordt hij verplicht om zich hiervoor te laten behandelen bij het academisch centrum voor kinder- en jeugdpsychiatrie De Bascule of een soortgelijke instelling, zolang de behandelaar en/of de reclassering dit noodzakelijk acht.

Drugsverbod
Veroordeelde wordt verboden om softdrugs te gebruiken, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht. De controle op de naleving van deze bijzondere voorwaarde zal ondersteund worden door middel van middelencontroles (urinecontrole).

Contactverbod

Veroordeelde wordt verboden contact te (laten) leggen met de volgende personen:

de heer [medeverdachte] , geboren op [geboortedatum 2] ;

de heer [persoon 4] , geboren op [geboortedatum 3] ;

de heer [persoon 5] , geboren op [geboortedatum 4] , zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

Locatiegebod in de vorm van een avondklok
Veroordeelde wordt geboden zich tussen 21.00 uur en 07.00 uur op zijn thuisadres [adres 1] te bevinden, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht. De controle op de naleving van deze bijzondere voorwaarde zal worden gedaan door de politie.

Andere voorwaarden het gedrag betreffende

  • -

    Veroordeelde wordt verplicht te beschikken over een dag besteding in de vorm van school of wel dan wel zijn medewerking te verlenen aan een traject via Streetcornerwork of vergelijkbare instantie.

  • -

    Veroordeelde wordt verplicht mee te werken aan begeleiding vanuit Streetcornerwork of vergelijkbare instantie

  • -

    Veroordeelde wordt verplicht mee te werken aan plaatsing in een passende woonvoorziening/begeleid wonen.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van:

  1. 1.00 STK Vest Kl:blauw
    NIKE
    5219462

  2. 1.00 STK Reisdocument Kl:geel
    onv [kenmerk]

1.00 STK Sleutel
OPEL

5219463

5. 3.00 STK Sleutel
5219464

Gelast de teruggave aan de rechthebbende, zijnde verdachte, van:

4. 2.00 STK Handschoen
ASICS
met gele rand 5219461

Wijst af de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] voor zover deze ziet op de materiële schadeposten rugtas en videocamera, ten bedrage van in totaal € 126,98 (honderdzesentwintig euro en achtennegentig eurocent).

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij] voor het overige deel van de vordering, bestaande uit de overige materiële schadeposten en de immateriële schade, niet-ontvankelijk.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.A. Spoel, voorzitter,

mrs. M.A.E. Somsen en G.D. Kleijne, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.C. Lieberwirth, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 december 2016.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.