Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:8717

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
22-12-2016
Datum publicatie
23-12-2016
Zaaknummer
13/751525-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Overlevering Frankrijk, stukken genoegzaam, geen terugkeergarantie nodig, verlies verblijfsrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751525-16

RK nummer: 16/6976

Datum uitspraak: 22 december 2016

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 10 oktober 2016 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 16 maart 2016 (ontvangen op 16 augustus 2016) door de Procureur de la République bij het Tribunal de Grande Instance te Nanterre (Frankrijk) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] (Somalië) op [geboortedatum] 1981,

ingeschreven in de Basisregistratie Persoonsgegevens op het adres [adres] , [woonplaats] ,
thans uit andere hoofde gedetineerd in de [detentie adres] en daarbij met elektronisch toezicht geschorst op zijn verblijfsadres,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 8 december 2016. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. A. Oswald.

De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsvrouw mr. S. G.H. van de Kamp, advocaat te ’s Hertogenbosch en door een tolk in de Somalische taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak zou moeten doen met dertig dagen verlengd. De reden hiervan is gelegen in het feit dat de rechtbank er niet in slaagt binnen de in de wet bepaalde termijn uitspraak te doen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Somalische nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een vonnis van de 12e Strafkamer van de Arrondissementsrechtbank van Nanterre van 27 maart 2008 (parketnummer 11304000001 / vonnisnummer 3365-14).

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 18 maanden. Van deze straf resteert volgens het EAB nog 14 maanden en 10 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij voornoemd arrest. De opgeëiste persoon heeft van 9 juni 2006 tot 29 september 2006 in voorlopige hechtenis gezeten.

Dit vonnis betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

3.1.

Artikel 12 van de OLW

De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een verstekvonnis, dat – kort gezegd – is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, van de OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan.

Op grond van artikel 12, sub d, van de OLW mag de rechtbank in dit geval de overlevering alleen toestaan onder het beding dat de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft vermeld (i) dat het betreffende vonnis na overlevering onverwijld aan de opgeëiste persoon zal worden betekend en hij uitdrukkelijk zal worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarop de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, die kan leiden tot herziening van het oorspronkelijke vonnis en (ii) hij wordt geïnformeerd over de termijn waarbinnen hij verzet of hoger beroep dient aan te tekenen, als vermeld in het desbetreffende Europees aanhoudingsbevel.

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft in het EAB onder d) het volgende verklaard:

1. No, the person did not appear in person at the trial resulting in the decision.

3.4.

the person was not personally served with the decision, but

- the person will be personally served with this decision without delay after the surrender, and

- when served with the decision, the person will be expressly informed of his or her right to a retrial or appeal, in which he or she had the right to participate and which allows the merits of the case, including fresh evidence, to be re-examined, and which may lead to the original decision being reversed, and

- the person will be informed of the timeframe within which he or she has to request a retrial or appeal, which will be 10 days.

The interested party may oppose the decision of the Court. In that situation the original decision would be cancelled and the interested party will be judged for the charges again. On the basis of the European arrest warrant, the judge (the liberties and detention judge) decides whether the pre-trial detention is necessary before a new hearing.

Naar het oordeel van de rechtbank voldoet deze garantie aan de eisen van artikel 12, aanhef en onder sub d, van de OLW en is de in dit artikel bedoelde weigeringsgrond niet van toepassing.

Gelet op voornoemde omstandigheden is het vonnis waarvan de tenuitvoerlegging wordt gevraagd, nog niet onherroepelijk en wordt het EAB door de rechtbank gelezen als strekkende tot vervolging van de opgeëiste persoon, in verband met het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar het recht van Frankrijk strafbare feiten.

3.2.

Genoegzaamheid

De raadsvrouw heeft betoogd dat de feiten en de betrokkenheid van de opgeëiste persoon daaraan niet genoegzaam zijn omschreven. Het is niet duidelijk op grond waarvan de opgeëiste persoon als organisator kan worden aangemerkt.

De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens dient te bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht en het voor de rechtbank duidelijk is of het verzoek voldoet aan de in de Overleveringswet geformuleerde vereisten. Daartoe dient het EAB een beschrijving te bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Bovendien dient die bepaling de naleving van het specialiteitsbeginsel te kunnen waarborgen.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat in dit geval aan voormelde eisen is voldaan.

In het EAB en in de aanvullende informatie van 28 november 2016 is – samengevat weergegeven - vermeld dat de opgeëiste persoon ervan wordt verdacht dat hij tussen 6 en 8 juni 2006 met twee anderen 12 dozen met daarin 52,8 kilo khat van Nederland naar Frankrijk heeft vervoerd, met de bedoeling om deze dozen naar de Verenigde Staten en Canada te versturen.

Anders dan gesteld door de raadsvrouw is deze informatie met betrekking tot de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten waarvan hij wordt verdacht – te weten illegale handel in verdovende middelen – naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam.

Een nadere toelichting met betrekking tot de feiten die hebben geleid tot de verdenking en het vermelden of overleggen van bewijsmiddelen is niet vereist. Daar komt bij dat eventuele bewijsverweren niet in het kader van de overleveringsprocedure , maar pas later in de Franse strafprocedure aan de orde komen .

Gezien het voorgaande verwerpt de rechtbank het genoegzaamheidsverweer van de raadsvrouw.

4 Strafbaarheid, feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 5, te weten:

Illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen

Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op deze feiten naar het recht van Frankrijk een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

De raadsvrouw heeft betoogd dat het lijstfeit niet in redelijkheid is aangekruist omdat khat in 2006, toen de feiten zouden zijn gepleegd, naar Nederlands recht nog niet onder de Opiumwet viel en het bezit van of de handel in khat derhalve niet strafbaar was. Pas vanaf 1 januari 2013 is de khat vermeld op lijst II van de Opiumwet en in Nederland strafbaar gesteld.

De rechtbank overweegt dat het in beginsel aan de uitvaardigende justitiële autoriteit is om te beoordelen of een feit waarvoor overlevering wordt verzocht al dan niet onder voornoemde lijst valt en welk feit dient te worden aangekruist. Alleen in gevallen waarin sprake is van een evidente tegenstrijdigheid tussen de feitsomschrijving en de aangekruiste categorie zou dit tot de conclusie moeten leiden dat de uitvaardigende justitiële autoriteit het feit niet in redelijkheid heeft aangeduid als feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. De rechtbank is van oordeel dat van zo een evidente tegenstrijdigheid in ieder geval geen sprake is.

Verder overweegt de rechtbank dat bij lijstfeiten reeds is vastgesteld dat aan het vereiste van dubbele strafbaarheid is voldaan en onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht moet derhalve achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit het strafbare feit heeft aangeduid als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de Overleveringswet.

Bovendien is volgens vaste jurisprudentie de toetsing in het kader van de OLW ex nunc, te weten op het moment dat de rechtbank op het overleveringsverzoek beslist (zie bijvoorbeeld de uitspraak van deze rechtbank van 21 juli 2015 (ECLI:NL:RBAMS:2015:6214 en een arrest van de Hoge Raad van 20 mei 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BD1852). Het verweer van de raadsman treft reeds om die reden geen doel omdat khat of qat thans op lijst II van de Opiumwet staat vermeld en de in het EAB omschreven handeling daarmee op dit moment ook naar Nederlands recht strafbaar is.

5 Onschuldverweer

De opgeëiste persoon heeft verklaard niet schuldig te zijn aan de feiten. Hij heeft geen enkele van de bedoelde dozen gezien en de enige link naar hem wordt gevormd door de papieren die in het dashboard-kastje zijn aangetroffen.

De rechtbank verwerpt dit verweer. De stelling dat de opgeëiste persoon het hem verweten feit onmogelijk gepleegd kan hebben, is door of namens de opgeëiste persoon niet aangetoond. De conclusie dat de opgeëiste persoon onschuldig is in de zin van artikel 26, vierde lid van de OLW kan niet worden getrokken

De onschuldbewering kan dan ook niet leiden tot weigering van de overlevering.

6 De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de OLW

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat een terugkeergarantie dient te worden verstrekt. De opgeëiste persoon is gelijk te stellen met een Nederlander vanwege zijn verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. Het voornemen om zijn verblijfsvergunning in te trekken is nog niet uitgebracht. De daaropvolgende beroepsprocedure kan nog heel lang duren. De opgeëiste persoon woont al 25 jaar in Nederland. hij heeft een dochter van zes jaar oud, waar hij regelmatig voor zorgt.

De officier van justitie heeft gemotiveerd verweer gevoerd en verwezen naar de brief van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) van 30 november 2016. De opgeëiste persoon kan, nu het voornemen bestaat zijn verblijfsvergunning in te trekken waarmee hij zijn verblijfsrecht verliest, niet gelijk worden gesteld met een Nederlander waardoor er ook geen terugkeergarantie vereist is.

De rechtbank overweegt als volgt.

De opgeëiste persoon heeft de Somalische nationaliteit en beschikt sinds 1 april 2000 over een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. Zijn rechtmatig verblijf is ingegaan op 30 november 1995.

Nederland heeft rechtsmacht over de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht. In zoverre voldoet de opgeëiste persoon aan de eerste twee vereisten van artikel 6, vijfde lid, van de OLW.

Met betrekking tot het derde vereiste overweegt de rechtbank het volgende.

Het is niet aan de overleveringsrechter om ten gronde te beoordelen of de opgeëiste persoon zijn verblijfsrecht verliest als gevolg van een veroordeling voor de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Deze beoordeling zal eventueel op een later moment geschieden door de Minister van Veiligheid en Justitie. De vreemdelingenrechter zal in voorkomende gevallen deze beoordeling ten gronde toetsen. In het geval van de beoordeling van het verlies van het verblijfsrecht heeft de wetgever de overleveringsrechter opgedragen hierover een ‘voorlopig’ oordeel te geven. De overleveringsrechter kan, en moet zich beperken tot de vraag of de verwachting bestaat dat de opgeëiste persoon niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van een hem na overlevering opgelegde straf of maatregel. In de praktijk heeft deze toets vorm gekregen doordat de officier van justitie de IND laat beoordelen of deze verwachting bestaat. De overleveringsrechter baseert zich vervolgens op de beoordeling door de IND bij die voorlopige toetsing.

In de onderhavige zaak geldt het volgende. In de brief van de IND van 30 november 2016 is vermeld dat tegen de opgeëiste persoon al een procedure tot intrekking van zijn verblijfsrecht loopt op basis van veroordelingen door de Nederlandse strafrechter. Een Franse veroordeling zou een intrekkingsbesluit verder kunnen onderbouwen, maar is daarvoor op zichzelf niet noodzakelijk.

De opgeëiste persoon heeft in Nederland meerdere strafrechtelijke veroordelingen op zijn naam staan. De IND heeft bij brief van 15 juli 2014 een voornemen tot intrekking van het verblijfsrecht uitgebracht, met terugwerkende kracht vanaf 1 oktober 2012, een onmiddellijke vertrekplicht en een inreisverbod voor de duur van tien jaar. Deze procedure is vanwege beleidsbepalingen ten aanzien van Somalië aangehouden. Dit beleid is vanaf 3 november 2016 gewijzigd. Bij brief van 18 november 2016 is aangekondigd dat de intrekkingsprocedure wordt hervat en dat na 9 december 2016 een geactualiseerd voornemen zal uitgaan. Bij de besluitvorming zullen de persoonlijke feiten en omstandigheden worden betrokken waarbij een afweging tussen de persoonlijke belangen van de opgeëiste persoon en het algemeen belang, gebaat bij de bescherming van de openbare orde zal worden gemaakt.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van deze brief niet kan worden gezegd dat de verwachting bestaat dat de opgeëiste persoon niet zijn verblijfsrecht zal verliezen ten gevolge van een hem na overlevering opgelegde straf of maatregel. Daarmee voldoet de opgeëiste persoon niet aan het derde vereiste van artikel 6, vijfde lid, van de OLW en kan hij geen aanspraak maken op de in artikel 6, eerste lid OLW bedoelde waarborg.

Het verweer wordt verworpen.

6 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a, van de OLW

De rechtbank stelt vast dat het EAB betrekking heeft op strafbare feiten die geacht worden geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. Artikel 13, eerste lid, onder a, van de OLW verbiedt in een dergelijk geval de overlevering voor deze feiten.

De officier van justitie heeft echter overeenkomstig artikel 13, tweede lid, van de OLW gevorderd dat wordt afgezien van de weigeringsgrond en daartoe de volgende argumenten aangevoerd:

  • -

    De opgeëiste persoon is in Frankrijk al bij verstek veroordeeld;

  • -

    De drugs zijn in Frankrijk ontdekt;

  • -

    De drugs zijn Frankrijk ingevoerd;

  • -

    De drugs zijn Frankrijk uitgevoerd;

  • -

    De rechtsorde is hierdoor in Frankrijk geschokt.

Het voorgaande brengt volgens de officier van justitie mee dat uit het oogpunt van een goede rechtsbedeling overlevering aan de Franse autoriteiten dient plaats te vinden en overname van de strafzaak door Nederland niet de voorkeur verdient.

De rechtbank stelt voorop dat artikel 13, tweede lid, van de OLW haar slechts een marginale toetsing van de vordering van de officier opdraagt en voor een verdergaande beoordeling geen ruimte biedt. Gelet op de door de officier van justitie aangevoerde argumenten heeft de officier van justitie in redelijkheid tot haar vordering kunnen komen. Er dient dan ook te worden afgezien van de in artikel 13, eerste lid, onder a, van de OLW bedoelde weigeringsgrond.

7 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 11 OLW

De raadsvrouw heeft gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd, omdat artikel 6 van het EVRM flagrant is of dreigt te worden geschonden. Zij heeft daartoe aangevoerd dat het om zeer oude feiten uit 2006 gaat. Het is voor de opgeëiste persoon na zoveel jaar erg moeilijk om in Frankrijk met bewijs zijn onschuld aan te tonen. Het is verder onduidelijk waarom Frankrijk niet eerder om de overlevering heeft verzocht. Er is hierdoor sprake van schending van de rechtszekerheid en rechtsgelijkheid.

De rechtbank overweegt dat het verweer dient te falen. De overleveringsprocedure valt niet onder het bereik van artikel 6 van het EVRM dan wel de artikelen 47 en 48 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, omdat in deze procedure niet de burgerlijke rechten en verplichtingen van de opgeëiste persoon worden vastgesteld noch de gegrondheid van een tegen de opgeëiste persoon ingestelde strafvervolging wordt bepaald (vgl. EHRM 7 oktober 2008, nr. 41138/05, Monedero Angora/Spanje).

Verder ligt aan het stelsel van het EAB het wederzijdse vertrouwen van de lidstaten ten grondslag “dat hun respectieve nationale rechtsordes in staat zijn een effectieve en gelijkwaardige bescherming te bieden van de op Unieniveau, in het bijzonder in het Handvest van de grondrechten, erkende grondrechten, zodat de personen tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd dus binnen de rechtsorde van de uitvaardigende lidstaat eventuele rechtsmiddelen kunnen aanwenden ter betwisting van de rechtmatigheid van de procedure van strafvervolging (…)” (HvJ EU 30 mei 2013, zaak C-168/13 PPU, ECLI:EU:C:2013:358 (Jeremy F.), punt 50).

Nu het EAB door het verstrekken van de verzetgarantie (zie paragraaf 3.1. van de deze uitspraak), strekt tot strafvervolging, zal de opgeëiste persoon zich dus bij de strafrechter in Frankrijk kunnen beroepen op zijn recht op berechting binnen een redelijke termijn.

De rechtbank verwerpt het verweer.

8 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 van de OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

9 Toepasselijke wetsbepalingen

Artikelen 2, 5, 6, 7 en 13 van de OLW.

10 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Procureur de la République bij het Tribunal de Grande Instance te Nanterre (Frankrijk) wegens de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Aldus gedaan door

mr. M. van Mourik, voorzitter,

mrs. J. Edgar en M. Woerdman, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D. Smeets, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 22 december 2016.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.