Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:8715

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
22-12-2016
Datum publicatie
23-12-2016
Zaaknummer
13/751600-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

EAB Polen, gedeeltelijke weigering ogv artikel 12 OLW, artikelen 35 en 36 OLW bevoegdheden Officier van justitie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751600-16

RK nummer: 16/5973

Datum uitspraak: 22 december 2016

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 9 augustus 2016 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 29 juni 2016 door de Judge at the Circuit Court in Wroclaw (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedatum] 1984,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans uit anderen hoofde gedetineerd in het [detentie adres] ;

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 27 oktober 2016. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. R. Vorrink.

De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. G.A. Dorsman, advocaat te Rotterdam.

De rechtbank heeft het onderzoek voor bepaalde tijd tot 8 december 2016 geschorst om de officier in de gelegenheid te stellen de nadere informatie van de Poolse uitvaardigende justitiële autoriteit af te wachten.

De rechtbank heeft op die zitting ook de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak zou moeten doen voor onbepaalde tijd verlengd. De reden hiervan is gelegen in het feit dat de rechtbank er niet in slaagt binnen de in de wet bepaalde termijn uitspraak te doen.

De vordering is vervolgens weer behandeld op de openbare zitting van 8 december 2016. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. U.A.E. Weitzel. De opgeëiste persoon heeft afstand gedaan van zijn recht om op de vordering te worden gehoord. De opgeëiste persoon heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigd raadsman, mr. G.A. Dorsman, advocaat te Rotterdam.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft op de zitting van 27 oktober 2016 de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van twee vonnissen van het District Court van Zagan, te weten een vonnis van 31 maart 2014 met zaaknummer II K 1085/13 en een vonnis van
28 februari 2012 met zaaknummer II K 93/12.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen voor de duur van twee jaar en 4 maanden en van één jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat.

Van deze straffen resteren volgens het EAB nog twee jaar, twee maanden en 21 dagen (II K 1085/13) en twee maanden en drie dagen (II K 93/12).

In de brief van 3 november 2016 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit daaraan toegevoegd dat de opgeëiste persoon reeds 39 dagen heeft uitgezeten van het vonnis van II 1085/13 en 302 dagen heeft gezeten op grond van het vonnis van II K 93/12.

De stelling van de raadsman dat niet duidelijk is hoe lang de opgeëiste persoon nog zou moeten zitten, treft dan ook geen doel. De rechtbank gaat op grond van het vertrouwensbeginsel uit van de door de Poolse autoriteiten verstrekte gegevens.

De vrijheidsstraffen zijn aan de opgeëiste persoon opgelegd bij voornoemde vonnissen.

Deze vonnissen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

3.1

Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW

Vonnis 31 maart 2014 (II K 1085/13)

De rechtbank stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 27 oktober 2016 en 8 december 2016 het volgende vast.

Het vonnis van 31 maart 2014 betreft een zogenaamd samengesteld vonnis van:

  • -

    Het vonnis van 13 september 2010 (II K 732/09)

  • -

    Het vonnis van 27 juni 2011 (II K 492/11)

  • -

    Het vonnis van 30 juni 2011 (II 521/11).

In het EAB is in onderdeel d) niet vermeld of de opgeëiste persoon in persoon aanwezig is geweest op de zittingen die tot deze drie vonnissen hebben geleid.

Het Openbaar Ministerie heeft hierover bij email van 26 oktober 2016 aanvullende vragen gesteld.

Bij brief van 4 november 2016 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit het EAB aangevuld.

Daarbij is - samengevat weergegeven - vermeld dat de opgeëiste persoon niet in persoon aanwezig is geweest bij de terechtzittingen die tot de vonnissen hebben geleid, maar dat de betekeningen naar Pools recht op de juiste wijze zijn uitgereikt aan een volwassen huisgenoot. De Poolse autoriteiten beschouwen de opgeëiste persoon verder als een voortvluchtige.

De Poolse autoriteiten hebben verder vermeld dat de opgeëiste persoon nog een verzetgarantie op grond van artikel 540b van het Poolse Wetboek van Strafrecht heeft.

Deze garantie is echter niet onvoorwaardelijk en voldoet volgens vaste jurisprudentie van deze rechtbank niet aan de vereisten van artikel 12 van de OLW.

De officier van justitie en de raadsman hebben zich op de zitting van 8 december 2016 op het standpunt gesteld dat de uitvaardigende justitiële autoriteit niet de in artikel 12, aanhef en onder c, van de OLW bedoelde situatie heeft aangekruist en niet de in artikel 12, aanhef en onder d, OLW bedoelde garantie heeft gegeven.

De officier van justitie heeft vervolgens op grond van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 24 mei 2016 in de zaak Paweł Dworzecki (C‑108/16 PPU), gepubliceerd onder nummer ECLI:EU:C:2016:346 en de uitspraak van de rechtbank van 16 juni 2016, (ECLI:NL:RBAMS:2016:3643) geconcludeerd tot de weigering van de verzochte overlevering voor het samengestelde vonnis van 31 maart 2014 (II K 1085/13).

De raadsman heeft ook bepleit dat de overlevering voor voornoemd vonnis moet worden geweigerd omdat niet is voldaan aan de vereisten van artikel 12 van de OLW.

De rechtbank concludeert eveneens dat geen van de in de onderdelen a) tot en met d) van artikel 12 OLW geformuleerde uitzonderingen op de verplichting tot weigering van de overlevering zich voordoet en gelet op de dwingende formulering laat artikel 12 van de OLW de overleveringsrechter, als hij tot de conclusie komt dat zich geen van de – kaderbesluitconform uitgelegde – gevallen van de onderdelen a) tot en met d) voordoet, ook geen ruimte om af te zien van weigering van de overlevering.

De rechtbank weigert derhalve de overlevering voor het samengestelde vonnis van 31 maart 2014 (II K 1085/13).

Vonnis 28 februari 2012 (II K 93/12)

De rechtbank stelt met de officier van justitie en de raadsman vast dat het EAB met betrekking tot dit vonnis niet strekt tot de tenuitvoerlegging van een verstekvonnis omdat de opgeëiste persoon persoonlijk aanwezig was op de terechtzitting die tot het vonnis heeft geleid.

4 Strafbaarheid, feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten met betrekking tot het vonnis van
28 februari 2012 (II K 93/12) niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt.

Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a, 2e OLW zijn neergelegd.

De raadsman heeft betoogd dat hieraan niet wordt voldaan nu het niet betalen van alimentatie naar Nederlands recht niet strafbaar is.

De rechtbank volgt dit verweer niet en is met de officier van justitie van oordeel dat het feit naar Nederlands recht strafbaar is gesteld op grond van artikel 255 van het Wetboek van Strafrecht. In de feitsomschrijving onder e) van het EAB is immers vermeld dat de opgeëiste persoon door het niet betalen van de alimentatie zijn ex-vrouw en hun twee kinderen in een situatie heeft gebracht waarbij zij niet in hun noodzakelijke behoeften konden voorzien.

De feiten leveren naar Nederlands recht op:

Opzettelijk iemand tot wiens onderhoud, verpleging en verzorging hij krachtens wet of overeenkomst verplicht is, in hulpeloze toestand brengen, meermalen gepleegd

5 Artikelen 35 en 36 van de OLW

De raadsman heeft verder betoogd dat de overlevering geweigerd moet worden vanwege de psychische gesteldheid van de opgeëiste persoon. De opgeëiste persoon is op grond van de maatregel van artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht opgenomen in het Penitentiair Psychiatrisch Centrum. De oorzaak van zijn psychische problemen is gelegen in de eerder ondergane Poolse detentie. Hij dient langdurig verpleegd te worden en het is niet te overzien hoe lang zijn verpleging zal duren. Er is volgens de raadsman dan ook sprake van een semi-permanent beletsel om feitelijk over te leveren. Hierin voorzien de artikelen 35 en 36 van de OLW niet omdat deze artikelen betrekking hebben op kortdurende situaties waardoor de overlevering tijdelijk feitelijk geen doorgang kan vinden.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het gestelde door de raadsman geen weigeringsgrond op grond van de OLW oplevert en heeft verwezen naar de haar op grond van artikel 35 en 36 van de OLW toekomende bevoegdheden.

De rechtbank overweegt dat de officier van justitie op grond van artikel 35, derde lid, van de OLW - onverminderd de mogelijkheid voor de opgeëiste persoon om tegen de feitelijke overlevering in kort geding op te komen - de overlevering bij wijze van uitzondering achterwege kan laten zolang er ernstige humanitaire redenen zijn die aan de feitelijke overlevering in de weg staan.

In artikel 36, eerste lid, van de OLW is bepaald dat de beslissing omtrent de tijd en plaats van de feitelijke overlevering door de officier van justitie wordt aangehouden, indien en zolang tegen de opgeëiste persoon een strafrechtelijke vervolging in Nederland gaande is, of een door een Nederlandse rechter tegen hem gewezen strafvonnis nog geheel of ten dele voor tenuitvoerlegging vatbaar is.

De psychische gesteldheid van de opgeëiste persoon, kan dan ook niet leiden tot weigering van de overlevering, maar kan een rol spelen bij de afweging of feitelijke overlevering (tijdelijk) achterwege zou moeten blijven.

Als de rechtbank de overlevering toestaat, dan is het aan de officier van justitie om te beoordelen of de psychische gesteldheid overeenkomstig artikel 35, derde lid, van de OLW tot uitstel van de feitelijke overlevering zou moeten leiden. Ook de beoordeling hoe lang de overlevering dan feitelijk tijdelijk achterwege moet blijven, is voorbehouden aan de officier van justitie.

De beslissing over de feitelijke overlevering raakt de rechtbank dus niet in haar beoordeling over de toelaatbaarheid van de overlevering. De rechtbank verwerpt dan ook het verweer.

8 Slotsom

Nu ten aanzien van het vonnis van 28 februari 2012 (II K 93/12) waarvoor de overlevering wordt gevraagd is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 van de OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering hiervoor te worden toegestaan.

Voor de feiten van het vonnis van 31 maart 2014 (II K 1085/13) moet zij worden geweigerd.

De rechtbank kan meestal niet beoordelen welk gedeelte van de vrijheidsstraf geacht moet worden te zijn opgelegd met betrekking tot de feiten waarvoor de overlevering moet worden toegestaan. Een en ander staat ter beoordeling van de bevoegde autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat, die gehouden zijn om, na de feitelijke overlevering, de tenuitvoerlegging van de straf tot het hiervoor bedoelde gedeelte te beperken.

Echter, zoals ook al is vermeld onder 3 van deze uitspraak, heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit in het EAB aangegeven dat van het vonnis van 28 februari 2012 (II K 92/12) nog twee maanden en drie dagen resteren.

9 Toepasselijke wetsbepalingen

Artikel 255 van het Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 7 van de OLW.

10 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Judge at the Circuit Court in Wroclaw (Polen) ten behoeve van de tenuitvoerlegging van het gedeelte van de vrijheidsstraf, te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat, dat is opgelegd wegens de feiten van het vonnis van 28 februari 2012 (II K 93/12).

WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Judge at the Circuit Court in Wroclaw (Polen) voor zover het EAB betrekking heeft op het gedeelte van de vrijheidsstraf dat is opgelegd wegens de feiten van het vonnis van 31 maart 2014 (II K 1085/13).

Aldus gedaan door

mr. M. van Mourik, voorzitter,

mrs. J. Edgar en M. Woerdman, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D. Smeets, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 22 december 2016.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

[A/B/C]