Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:8710

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
23-12-2016
Datum publicatie
02-02-2017
Zaaknummer
AWB - 14 _ 8250
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De pastorie van het pand is gelet op het Besluit rijkssubsidiering instandhouding monumenten 2013 (Brim 2013) een woonhuis en komt daarom niet in aanmerking voor subsidie voor onderhoudswerkzaamheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 14/8250

uitspraak van de meervoudige kamer van 23 december 2016 in de zaak tussen

Stichting [naam stichting] , te Amsterdam, eiseres

(gemachtigde: mr. W.M.N. Eggenkamp)

en

Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, verweerder

(gemachtigde: mr. K. El Addouti).

Procesverloop

Bij besluit van 29 juli 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder de subsidieaanvraag van eiseres in het kader van het Besluit rijkssubsidiering instandhouding monumenten 2013 (Brim 2013) afgewezen.

Bij besluit van 10 november 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 maart 2016.

Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Bij tussenuitspraak van 14 april 2016 (de tussenuitspraak) heeft de rechtbank verweerder in de gelegenheid gesteld om een motiveringsgebrek in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van de tussenuitspraak.

Bij brief van 30 mei 2016 heeft verweerder het bestreden besluit aanvullend gemotiveerd.

Eiseres heeft hier bij brief van 15 juli 2016 op gereageerd.

Partijen hebben de rechtbank toestemming verleend om gelet op artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder nadere zitting uitspraak te doen. De rechtbank heeft partijen vervolgens medegedeeld dat zij het onderzoek sluit.

Overwegingen

1. Voor de relevante feiten en omstandigheden, alsmede het wettelijk kader, die aanleiding hebben gegeven tot de tussenuitspraak volstaat de rechtbank op deze plaats met een verwijzing naar die tussenuitspraak.

2. De rechtbank heeft in haar tussenuitspraak geoordeeld dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft. Verweerder is in de gelegenheid gesteld nader te motiveren waarom de pastorie niet als gebouw van liefdadigheid wordt aangemerkt. De pastorie is immers de plaats van waaruit de liefdadigheid voor [naam stichting] vorm kan krijgen en mogelijk wordt gemaakt.

3. Bij brief van 26 mei 2016 heeft verweerder het bestreden besluit aanvullend gemotiveerd. Verweerder heeft aangegeven dat in de toelichting van de Subsidieregeling instandhouding monumenten 2013 (Sim) is bepaald: “Zo worden pastorieën en kosterswoningen altijd aangemerkt als woonhuis, ook als ze met de kerk in één omschrijving zijn genoemd. Het woonhuis is dan een zelfstandig onderdeel.” [naam stichting] bestaat uit allemaal zelfstandige woningen, de kerk en de pastorie. Dit moet als een cultuurhistorisch geheel worden gezien en zou ook met één monumentnummer kunnen worden geregistreerd. Eén monument kan echter ook uit meerdere zelfstandige onderdelen bestaan (zoals bij [naam stichting] , waarbij de pastorie een eigen monumentnummer heeft). De systematiek van Brim/Sim is dat elk zelfstandig onderdeel apart beoordeeld wordt. Vergelijk het met de dienstwoning bij een kasteel die direct het wonen in het kasteel faciliteert. Het is een ondersteunende functie, maar niet de functie zelf. Volledigheidshalve merkt verweerder nog op dat de liefdadigheid van [naam stichting] is het bieden van een veilige levensvorm voor alleenstaande vrouwen, [naam groep] . De liefdadigheid is niet gebaseerd op het werk dat [naam groep] in de maatschappij deden.

4. Eiseres heeft in reactie op de aanvullende motivering aangevoerd dat juist omdat panden in hofjes van liefdadigheid bijna altijd woonhuizen zijn, deze in de regelgeving zijn uitgezonderd (en dus wél subsidiabel zijn). In die zin past de pastorie dan ook naadloos bij die uitzonderingsbepaling voor woonhuizen in een hofje van liefdadigheid.

Daarnaast geldt dat de pastorie integraal onderdeel uitmaakt van [naam stichting] , zoals regentenkamers, buitentoiletten en lijkhuisjes dat ook zijn. Het pand heeft altijd een functie ten dienste van [naam stichting] gehad. Vroeger werd de liefdadigheid vanuit [naam stichting] bedreven, nu vervult de Stichting [naam stichting] een vergelijkbare functie naar de bewoners toe.

5. De rechtbank verenigt zich met de uitleg van verweerder dat uit de toelichting van de Sim volgt dat pastorieën, of zij nu onderdeel zijn van een cultuurhistorisch geheel al dan niet met één monument nummer of van een geheel met verschillende eigen monument nummers, altijd afzonderlijk worden beoordeeld. De afzonderlijke beoordeling van de pastorie leidt er inderdaad toe dat deze gelet op artikel 1, aanhef en onder 1 van de Sim 2013 als woonhuis moet worden aangemerkt en derhalve niet in aanmerking komt voor subsidie. Met de aanvullende motivering van 26 mei 2016 heeft verweerder het motiveringsgebrek dat kleefde aan het bestreden besluit hersteld.

6. De beroepsgrond van eiseres dat de pastorie als integraal onderdeel van [naam stichting] moet worden gezien, kan gelet op de overweging hiervoor dus niet tot een ander oordeel leiden. Dit geldt ook voor de beroepsgrond van eiseres dat de pastorie tegenwoordig wordt gebruikt om vanuit daar haar liefdadigheidswerkzaamheden vorm te geven. Het gebouw is immers naar zijn aard gebouwd als pastorie en dat is niet veranderd.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Omdat het bestreden besluit, gelet op hetgeen in de tussenuitspraak is overwogen, ondeugdelijk gemotiveerd was, zal de rechtbank bepalen dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht moet vergoeden. Van (andere) proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is de rechtbank niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 328,- aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Polak, voorzitter, en mr. N.J. Koene en mr. B.C. Langendoen, leden, in aanwezigheid van mr. A. Mol, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 december 2016.

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.