Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:8680

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
28-12-2016
Datum publicatie
30-12-2016
Zaaknummer
C/13/595635 / FA RK 15-7433
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eenvoudige gemeenschap en gemeenschappelijke schulden. Aflossing door de vader van de man schenking aan de man of aan beide partijen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2017-0007
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rekestnummer: C/13/595635 / FA RK 15-7433 (RT/SV)

C/13/611729 / FA RK 16-4795 (RT/SV)

Beschikking van 28 december 2016 betreffende de echtscheiding

in de zaak van:

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekende tevens verwerende partij,

hierna mede te noemen de man,

advocaat mr. A. Krim, kantoorhoudende te Haarlem,

tegen

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verwerende tevens verzoekende partij,

hierna mede te noemen de vrouw,

advocaat mr. S.C.A. van Vlijmen, kantoorhoudende te Amsterdam.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de ingekomen stukken, waaronder:

- het op 1 oktober 2015 ter griffie ingekomen verzoekschrift;

- het faxbericht van 12 november 2015 van de zijde van de man;

- het daartegen tijdig ingediende verweerschrift tevens houdende een zelfstandig verzoek;

- het verweerschrift op het zelfstandig verzoek;

- het op 17 mei 2016 ingediende formulier verdelen en verrekenen van de zijde van de vrouw;

- het op 24 mei 2016 ingediende formulier verdelen en verrekenen van de zijde van de man;

- de brief met bijlagen van 31 oktober 2016, ingekomen ter griffie op 1 november 2016, van de zijde van de man.

1.2.

De zaak is behandeld ter terechtzitting met gesloten deuren van 14 november 2016.

Gehoord zijn: beide partijen en de advocaten. De advocaat van de man heeft pleitaantekeningen overgelegd die aan het procesdossier zijn toegevoegd.

1.3.

Na de mondelinge behandeling is op 30 november 2016 een faxbericht van de zijde van de man ingekomen, waarbij hij zijn verzoek tot het veroordelen van de vrouw tot gezamenlijk doen van aangifte heeft ingetrokken.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn met elkaar gehuwd te Amsterdam op [datum] .

2.2.

Partijen hebben de Nederlandse nationaliteit.

2.3.

Voorafgaand aan hun huwelijk zijn partijen op 10 oktober 2012 huwelijkse voorwaarden overeengekomen. Deze luiden – voor zover in dezen van belang – als volgt:

Artikel 1

De echtgenoten zijn gehuwd buiten elke vermogensrechtelijke gemeenschap van goederen. Derhalve zal ieder der echtgenoten behouden hetgeen door hem of haar aan baten en schulden ten huwelijk wordt aangebracht en tijdens het huwelijk door hem of haar wordt verkregen respectievelijk aangegaan op welke wijze ook.

Artikel 3

a. De echtgenoten zijn verplicht aan elkaar te vergoeden hetgeen aan het vermogen van de ene echtgenoot is onttrokken ten bate van de andere echtgenoot, ten bedrage van of naar de waarde ten dage van de onttrekking, een en ander voor zover niet anders overeengekomen. Deze vergoeding is terstond opeisbaar voor zover de echtgenoten niet anders overeenkomen, tenzij de redelijkheid en de billijkheid zich hiertegen verzetten.

b. ten aanzien van de gemeenschappelijke woning waarvan beide echtgenoten ieder voor de onverdeelde helft eigenaar zijn geldt het navolgende:

1. Ieder draagt de helft van de kosten, verbonden aan het woongenot. Onder deze kosten worden onder meer verstaan: kosten van aanschaf van de woning, aflossing van geldleningen die zijn aangegaan voor de financiering van de woning, premies van het spaargedeelte van de polissen van de (gemengde) levensverzekering die verband houden met de hypotheekleningen, stortingen in met hypotheek verbonden spaar- en effectendepot, de onderhoudskosten, opstalverzekeringspremies, onroerende zaakbelasting en andere lasten. Voor wat betreft de rente van geldleningen, welke zijn aangegaan voor de financiering van de woning, wordt verwezen naar het bepaalde in artikel 4 lid 1.
2. Indien de ene echtgenoot meer betaalt dan de helft van vorenbedoelde kosten, heeft hij voor het meerdere een vordering op de andere echtgenoot. (…)

Artikel 4

1. De kosten van de gemeenschappelijke huishouding, (…), komen ten laste van de netto-inkomens van de echtgenoten, naar evenredigheid daarvan; voor zover deze inkomens ontoereikend zijn, komen deze kosten ten laste van ieders netto-vermogen, naar evenredigheid daarvan.

2. Onder netto-inkomsten in deze huwelijkse voorwaarden wordt, met inachtneming van het in lid 3 bepaalde, verstaan:

Het besteedbaar inkomen na betaling van belastingen, premie sociale verzekeringen en de kosten die redelijkerwijs gemaakt moeten worden voor de verwerving van het inkomen en met buiten verrekening houdende van een eventuele ontslagvergoeding alsmede een eventuele retentiebonus dan wel het in de Wet Inkomstenbelasting 2011 bedoelde ‘belastbare inkomen uit werk en woning’ en het ‘belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang’, vermeerderd of verminderd op de volgende wijze:

(…)

4. Onder netto-vermogen wordt verstaan het daadwerkelijke vermogen van partijen per één januari van het betreffende jaar.

5. Het in dit artikel, onder sub 1, 2, 3 en 4 bepaalde, geldt niet voor zover bijzondere omstandigheden zich daartegen verzetten.

6. De ene echtgenoot is naast de andere geheel aansprakelijk voor de door deze ten behoeve van de gewone gang van de huishouding aangegane verbintenissen.

7. De echtgenoot die over enig kalenderjaar meer heeft bijgedragen in de kosten van de huishouding dan zijn aandeel ingevolge het hiervoor bepaalde, heeft het recht het teveel bijgedragene terug te vorderen van de andere echtgenoot, mits hij die vordering instelt binnen een jaar na het einde van het desbetreffende kalenderjaar.

8. De uitkering van het ingevolge dit artikel verschuldigde is onmiddellijk opeisbaar aan het einde van het kalenderjaar.

2.4.

Voorafgaand aan hun huwelijk hebben partijen samengeleefd. In de op zes april 2009 ondertekende samenlevingsovereenkomst zijn partijen – voor zover van belang – het volgende overeengekomen:”

Artikel 3 Gemeenschappelijk vermogen

1. Tenzij uitdrukkelijk anders schriftelijk is overeengekomen, zijn gemeenschappelijk eigendom van partijen:

A. de tot de inboedel behorende zaken als bedoeld in artikel 3:5 van het Burgerlijk Wetboek met uitzondering van voorwerpen van persoonlijke aard en voorwerpen die in redelijkheid niet bedoeld kunnen zijn aan hen samen te zullen gaan toebehoren;

B. al hetgeen gezamenlijk in eigendom is verkregen of zal worden verkregen, waaronder met name ook gezamenlijk verkregen registergoederen zijn begrepen;

C. de gelden bestemd voor de gemeenschappelijke huishouding als hierna bedoeld;

D. de saldi van:

- girorekeningen;

- bankrekeningen;

- (premie)depots inzake hypothecaire geldleningen

voor zover deze op naam van beiden zijn gesteld;

E. ongeacht hun formele tenaamstelling, de auto(‘s), motorfiets(en), (brom)fiets(en), caravan(s), boot of boten en dergelijke vervoersmiddelen en/of vaartuigen.

(…)

Artikel 17 Gemeenschappelijke woning

Partijen zijn, bij akte van levering op elf december tweeduizend acht verleden voor genoemde notaris Visser, ieder voor de helft eigenaar geworden van het registergoed [adres] , dit registergoed hierna te noemen “woning”. Comparant sub 1 heeft ten tijde van de verkrijging van de woning een bedrag ad tweeënnegentigduizend vierhonderd éénendertig euro en vijfendertig eurocent (€ 92.431,35) meer voldaan dan comparante sub 2, zodat hij een vordering heeft voor de helft van dat bedrag op de comparante sub 2, die dit bedrag derhalve aan de comparant sub 1 schuldig erkent. Deze vordering is eerst opeisbaar bij vervreemding van de woning of zoveel eerder als de samenwoning wordt beëindigd.

Deze vordering zal worden gecorrigeerd conform de wijziging van het consumentenprijsindexcijfer, reeks alle huishoudens, gepubliceerd door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) te Den Haag.

Indien één van partijen meer aflost op een hypothecaire geldlening dan de ander zal het meerdere op gelijke wijze worden omgezet in een vordering op de andere partner, op de wijze zoals hiervoor omschreven.

3 Het geschil

3.1.

Het verzoek van de man

3.1.1.

De man verzoekt de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. Daarnaast verzoekt de man als nevenvoorzieningen:

I. de verdeling van de gemeenschappelijke inboedel vast te leggen op de wijze zoals door de man is verzocht;

II. het saldo van de gezamenlijke bankrekeningen: ABN AMRO [rekeningnummer] en [rekeningnummer] bij helfte te verdelen;

III. te bepalen dat de bankrekeningen op naam van de man buiten de verdeling/verrekening blijven;

IV. te bepalen dat de bankrekeningen op naam van de vrouw buiten de verdeling/verrekening blijven;

V. vast te stellen dat de vrouw aan de man dient te betalen een bedrag ad € 2.700,- ter zake het door de man te vorderen bedrag betreffende Westland Utrecht beleggingen;

VI. vast te stellen dat de man een bedrag ad € 15.000,- ontvangt ter zake van zijn extra storting in het aandelendepot bij Westland Utrecht met nummer [rekeningnummer] ;

VII. te bepalen dat het restant van de waarde in het aandelendepot bij Westland Utrecht met nummer [rekeningnummer] bij helfte verdeeld zal worden;

VIII. te bepalen dat de waarde van de Brand New Day rekening met nummer [rekeningnummer] bij helfte zal worden verdeeld;

IX. te bepalen dat de Binck beleggingen op naam van de man buiten de verdeling/verrekening blijven;

X. vast te stellen dat de vrouw aan de man dient te betalen een bedrag ad € 26.500,- ter zake van aflossingen gedaan bij Westland Utrecht Hypotheken;

XI. vast te stellen dat de vrouw aan de man dient te betalen een bedrag ad € 38.000,- ter zake van de door de man ontvangen schenking welke in mindering is gebracht op de hoofdsom van de schuld bij de vader van de man;

XII. te bepalen dat de vrouw aan de man betaalt de helft van de door hem betaalde hypotheekrente over de jaren 2013/2014, zijnde een bedrag van € 13.800,-;

XIII. te bepalen dat de auto aan de vrouw wordt toegescheiden en dat de vrouw aan de man betaalt een bedrag van € 750,-;

XIV. te bepalen dat de man vanaf de dag van inschrijving van de in deze te geven beschikking in de registers van de burgerlijke stand jegens de vrouw bevoegd is de bewoning en het gebruik van de woning aan de [adres] en tot de inboedel daarvan behorende zaken gedurende zes maanden na die inschrijving voort te zetten;

XV. te bepalen dat de woning aan de [adres] te koop zal worden aangeboden bij een door beide partijen aan te wijzen makelaar, waarbij de adviezen van de makelaar ten aanzien van de vraagprijs en de laatprijs zullen worden bepaald door de makelaar en welke adviezen partijen zullen moeten opvolgen;

XVI. te bepalen dat de kosten van de makelaar door partijen bij helfte worden gedragen;

XVII. de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3.2.

Het verweer tevens zelfstandig verzoek van de vrouw

3.2.1.

De vrouw voert gemotiveerd verweer.

3.2.2.

Bij wege van zelfstandig verzoek verzoekt de vrouw eveneens de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. Daarnaast verzoekt de vrouw als nevenvoorzieningen te bepalen dat:

I. de voormalige echtelijke woning gelegen aan de [adres] aan de vrouw zal worden toegedeeld tegen een nader vast te stellen waarde, onder verrekening van de overwaarde met de man waarbij rekening zal worden gehouden met de hypothecaire geldlening bij Westland Utrecht pro resto groot € 212.000,-;

II. partijen de inboedel in onderling overleg bij helfte zullen verdelen;

III. de waarde van de beleggingsrekening bij Westland Utrecht met polisnummer [rekeningnummer] tussen partijen bij helfte dient te worden verdeeld, na voldoening van een bedrag van € 15.000,- aan de man;

IV. het saldo op de bankrekening bij de ABN AMRO bank met nummer [rekeningnummer] op naam van partijen per datum verdeling tussen partijen bij helfte zal worden verdeeld, na voldoening van een bedrag van € 1.440,- aan de vrouw, waarna de rekening zal worden opgeheven;

V. het saldo op de spaarrekening bij ABN AMRO bank met nummer [rekeningnummer] op naam van partijen per datum verdeling tussen partijen bij helfte zal worden verdeeld, waarna de rekening zal worden opgeheven;

VI. de auto van het merk Toyota Corolla aan de vrouw zal worden toegedeeld tegen een waarde van € 1.290,- op grond waarvan de vrouw aan de man een bedrag van € 645,- dient te voldoen;

VII. dat het saldo op de hypotheekrekening bij Brand New Day met nummer [rekeningnummer] bij helfte tussen partijen dient te worden verdeeld;

VIII. de man gehouden is om aan de vrouw te voldoen een bedrag van € 3.468,- ter zake de door hem ten onrechte ontvangen belastingteruggaaf studiekosten 2013 van de vrouw;

IX. eventuele terugvorderingen/naheffingen van de Belastingdienst ten aanzien van de ten onrechte genoten hypotheekrenteteruggaaf door partijen bij helfte dienen te worden gedragen.

3.3.

Het verweer op het zelfstandig verzoek

3.3.1.

De man voert gemotiveerd verweer tegen de verzoeken van de vrouw.

3.3.2.

Op de standpunten van partijen wordt hieronder nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Echtscheiding

4.1.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat hun huwelijk duurzaam is ontwricht. Nu aan de wettelijke vereisten wordt voldaan, zal de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitspreken.

4.2.

Voortgezet gebruik echtelijke woning

4.2.1.

De man wenst het voortgezet gebruik van de echtelijke woning te krijgen. De vrouw verweert zich hier tegen en stelt dat partijen hebben afgesproken dat zij gezamenlijk in de woning zullen blijven wonen. Volgens de vrouw verblijft de man nauwelijks in de woning omdat hij bij zijn nieuwe vriendin verblijft. Bovendien heeft de man een woning in Breda in mede-eigendom. Als de woning verkocht moet worden kan de huidige situatie worden gecontinueerd, aldus de vrouw.

4.2.2.

De rechtbank overweegt dat uit artikel 1:165 van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de rechter bij echtscheidingsbeschikking kan bepalen dat een echtgenoot, als die echtgenoot ten tijde van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking een woning bewoont die aan de andere echtgenoot uitsluitend of mede toebehoort of ten gebruike toekomt, jegens de andere echtgenoot bevoegd is de bewoning voort te zetten gedurende zes maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking. Naar het oordeel van de rechtbank staat echter vast dat de man op dit moment de woning niet meer bewoont. Immers, uit de door de man overgelegde verklaringen van [naam 1] en [naam 2] blijkt dat man zijn spullen reeds uit de woning heeft verhuisd en de woning op dit moment alleen door de vrouw wordt bewoond. Nu de man niet voldoet aan het wettelijke vereiste dat hij de woning moet bewonen, wijst de rechtbank het verzoek van de man af. De rechtbank overweegt daarbij nog dat wat de vrouw betreft partijen het gebruik van de woning kunnen delen, zoals zij in de voorlopige voorzieningenprocedure zijn overeengekomen.

4.3.

Eenvoudige gemeenschappen

4.3.1.

Tussen partijen bestaan de volgende eenvoudige gemeenschappen:

a. de inboedel;

b. de auto;

c. de woning aan de [adres] ;

d. de beleggingsrekening bij Westland Utrecht polisnummer [rekeningnummer] ;

e. de hypotheekrekening bij Brand New Day met nummer [rekeningnummer] .

Ad a. De inboedel

4.3.2.

Beide partijen hebben een lijst van inboedelgoederen overgelegd en daarop aangegeven welke goederen hij of zij wenst te ontvangen. Uit het verhandelde ter zitting blijkt dat partijen geen (volledige) overeenstemming over de inboedel kunnen krijgen. De rechtbank zal daarom als wijze van verdeling gelasten dat partijen om de beurt een goed mogen kiezen, waarbij partijen met een munt tossen wie het eerst mag kiezen. Indien partijen geen overeenstemming kunnen krijgen over wie kop en wie munt kiest, dan krijgt de vrouw de kop. Naar het oordeel van de rechtbank wordt hiermee aan beide partijen een gelijke waarde toegedeeld, zodat geen verrekening van waarde plaats dient te vinden.

Ad b. De auto

4.3.3.

Tussen partijen is niet in geschil dat de auto aan de vrouw wordt toegedeeld, onder verrekening van de helft van de waarde. Wel is de waarde van de auto tussen partijen in geschil. Volgens de man bedraagt de waarde € 1,500,-, terwijl de vrouw stelt dat de waarde € 1.255,- bedraagt.

De rechtbank zal de waarde schattenderwijs bepalen op € 1.377,50, zijnde het gemiddelde van de gestelde waardes, en de auto tegen die waarde toedelen aan de vrouw. De man heeft recht op een vergoeding van € 688,75.

Ad c. De woning [adres]

4.3.4.

Partijen zijn het erover eens dat de woning moet worden verkocht. Uit het na de mondelinge behandeling ingekomen faxbericht van de zijde van de man blijkt dat partijen zijn overeengekomen dat de woning verkocht zal worden via makelaar Francis Helmig te Amsterdam. De rechtbank zal aldus bepalen.

De man stelt dat hij op grond van artikel 17 van de samenlevingsovereenkomst bij verkoop van de woning een vordering heeft op de vrouw van € 46.215,67. De vrouw erkent dat partijen dit in de samenlevingsovereenkomst zijn overeengekomen, maar stelt dat het haar onduidelijk is hoe het bedrag van € 92.431,35 is opgebouwd, nu iedere onderbouwing daarvan ontbreekt. De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 157 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering artikel 17 van de samenlevingsovereenkomst dwingend bewijs oplevert van het bestaan van de vordering van de man op de vrouw, behoudens tegenbewijs. In dat licht bezien betwist de vrouw de inhoud van de notariële samenlevingsovereenkomst onvoldoende. Ook biedt zij geen tegenbewijs aan. De rechtbank gaat daarom uit van het bestaan van deze vordering. De man heeft hier echter geen verzoek aan verbonden, zodat voor de rechtbank ter zake daarvan niets te beslissen valt.

Ad d. De beleggingsrekening

4.3.5.

Partijen zijn het erover eens dat aan de man een bedrag van € 15.000,- toekomt, waarna de meerdere waarde bij helfte wordt verdeeld. Ook zijn partijen het erover eens dat deze rekening wordt opgeheven. De rechtbank zal aldus bepalen.

Ad e. De rekening Brand New Day

4.3.6.

Partijen zijn het erover eens dat het saldo bij helfte verdeeld moet worden, in die zin dat deze rekening wordt gesplitst. De rechtbank zal dienovereenkomstig de wijze van verdeling van deze rekening gelasten.

4.4.

Gemeenschappelijke schulden

4.4.1.

Tussen partijen zijn de volgende schulden al dan niet in geschil:

a. de hypothecaire geldlening bij Westland Utrecht Hypotheken;

b. de lening van de vader van de man.

4.4.2.

Met de hypothecaire geldlening houdt verband de vordering van de man ad € 26.500,- op de vrouw, terwijl met de lening van de vader de vordering van de man ad € 76.000,- verband houdt. De rechtbank zal om die reden deze vorderingen gezamenlijk met de leningen bespreken.

Ad a. Hypothecaire geldlening Westland Utrecht Hypotheken

4.4.3.

Partijen zijn het erover eens dat de hypothecaire geldlening met nummer [rekeningnummer] thans € 212.000,- bedraagt. De oorspronkelijke lening bedroeg € 265.000,-. Deze schuld van € 212.000,-zal worden afgelost na verkoop van de woning.

4.4.4.

De man stelt een vordering op de vrouw te hebben van € 26.500,-, omdat zijn vader tweemaal ten behoeve van de man een bedrag van € 26.500,- heeft afgelost. Door deze aflossing van in totaal € 53.000,- op het bedrag van € 265.000,- resteert thans een bedrag van € 212.000,-. De vrouw betwist niet dat op de hypothecaire geldlening is afgelost maar voert aan dat de vader van de man ten behoeve van beide partijen heeft afgelost. Ook betwist de vrouw dat zij de man een bedrag verschuldigd is, omdat de man niet met privévermogen in de woning heeft geïnvesteerd.

4.4.5.

De rechtbank overweegt dat vast staat, nu de vrouw dit niet betwist, dat de vader van de man op de hypothecaire geldlening van partijen heeft afgelost. De man stelt dat dit een gift aan hem is, de vrouw betwist dit. De man heeft ter onderbouwing van zijn standpunt dat het een gift aan hem alleen betrof bankafschriften van 30 december 2011 en 6 december 2012 overgelegd waarop is te zien dat de vader van de man in de omschrijving bij de aflossing enkel de naam van de man heeft opgenomen. Gelet hierop had het op de vrouw gelegen haar standpunt nader te onderbouwen, hetgeen zij heeft nagelaten. De rechtbank gaat dan ook voorbij aan het niet gemotiveerde betoog van de vrouw dat de vader van de man ten behoeve van beide partijen heeft afgelost. De vraag die de rechtbank dan moet beantwoorden is of deze aflossingen tot gevolg hebben dat de man een vordering heeft op de vrouw ter hoogte van € 26.500,- wegens geïnvesteerd privévermogen. Die vraag beantwoordt de rechtbank ontkennend. De vader van de man heeft hem immers geen geld geschonken waarmee de man heeft geïnvesteerd in een gemeenschappelijk goed, maar heeft rechtstreeks afgelost op de lening van partijen. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de aflossingen gedaan op het aandeel van de man in de hypothecaire geldlening, zodat in de onderlinge verhouding tussen partijen van de hypothecaire geldlening een bedrag van € 79.500,- voor rekening van de man en een bedrag van € 132.500,- voor rekening van de vrouw komt. Met inachtneming hiervan dient tussen partijen de overwaarde van de woning te worden verdeeld.

Ad b. lening van de vader van de man

4.4.6.

De man stelt dat partijen een schuld bij zijn vader hebben van € 230.000,-. Deze lening is opgebouwd uit de volgende bedragen:

- een aflossing op de hypothecaire geldlening ad € 155.000,- door de vader van de man;

- een storting door de moeder van de man aan de man op 18 november 2008 van € 48.000,-;

- een storting door de vader van de man aan de man 18 november 2008 van € 21.500,-;

- een betaling door de man van € 10.000,-.

Volgens de man heeft zijn vader dit afgerond naar € 230.000,-. Vervolgens heeft zijn vader hem € 76.000,- geschonken dat op zijn aandeel in de lening is afgelost, zodat de totale schuld thans nog € 154.000,- bedraagt. Als gevolg van deze aflossing stelt de man een vordering op de vrouw te hebben van € 38.000,-.

4.4.7.

De man – op wie ter zake de bewijslast rust – heeft zijn stelling dat er sprake is van een lening onder meer onderbouwd door het overleggen van een concept hypotheekakte, gedateerd 8 januari 2010, en een mailbericht van de financieel adviseur van partijen, [naam 3] , van 14 februari 2013, waarin is vermeld dat “de schuldpositie bij je (schoon)vader 230.000 euro bedraagt”. Daarnaast voert de man aan dat de vrouw heeft meegetekend voor de belastingaangifte waarin de lening van de vader als eigen woning schuld is opgevoerd. De man erkent dat hij regelmatig schenkingen van zijn vader heeft ontvangen, maar stelt dat die altijd zijn vastgelegd in een notariële akte en bovendien alleen schenkingen aan hem en derhalve niet ook schenkingen aan de vrouw betroffen. Partijen zijn bovendien huwelijkse voorwaarden overeengekomen waarin iedere vermogensrechtelijke gemeenschap is uitgesloten.

4.4.8.

De vrouw betwist dat partijen een lening bij de vader van de man zijn aangegaan. Er is geen leningsovereenkomst en voorheen werd er, aldus de vrouw, ook geen rente betaald. De vrouw erkent dat de vader van de man de hypothecaire geldlening ter grootte van € 155.000,- heeft afgelost, maar stelt dat deze aflossing een cadeau was om partijen te helpen. De vrouw heeft nimmer het signaal van de vader van de man gekregen dat dit geen schenking betrof. De vader van de man was ook gewoon grote schenkingen te doen. De inrichting van de huwelijkse voorwaarden staat volgens de vrouw los van deze schenking. De vrouw erkent dat de financieel adviseur in zijn mail over de gestelde lening rept, maar voert aan dat er ook zaken ter sprake zijn gekomen die niet terugkeren in de overgelegde samenvatting van het gesprek. De vrouw voert verder aan dat zij zich er niet van bewust was dat de lening in de aangifte inkomstenbelasting, waarvoor zij getekend heeft, is opgenomen.

4.4.9.

De rechtbank is van oordeel dat voorshands vast is komen te staan dat er sprake is van een gemeenschappelijke schuld aan de vader van de man. Daartoe overweegt de rechtbank dat in de belastingaangifte van partijen deze lening is opgenomen, hetgeen strookt met het aan partijen gerichte emailbericht van [naam 3] dat partijen nu een schuldpositie bij de vader van de man hebben. De rechtbank acht het gelet op de onweersproken stelling van de man dat schenkingen notarieel werden vastgelegd, niet waarschijnlijk dat de vader een bedrag van € 155.000,- zou hebben geschonken zonder dit notarieel vast te leggen. Daarnaast zijn partijen op huwelijkse voorwaarden gehuwd waarin zij zijn overeengekomen dat er geen vermogensrechtelijke gemeenschappen zullen ontstaan, zodat indien een partij een schenking zou krijgen, dit ook privé zou blijven. Dat de aflossing zou gaan om een financiële ondersteuning (‘cadeau”) aan zowel de man als de vrouw die niet hoeft te worden terugbetaald, is door de vrouw onvoldoende onderbouwd. In beginsel zou de vrouw tegenbewijs mogen leveren tegen het bestaan van de lening. Echter, de vrouw heeft daartoe geen aanbod gedaan en de rechtbank ziet geen aanleiding de vrouw ambtshalve toe te laten tot het leveren van tegenbewijs.

4.4.10.

De rechtbank overweegt verder dat partijen in artikel 1 van de akte van huwelijkse voorwaarden zijn overeengekomen dat zij gehuwd zijn buiten elke vermogensrechtelijke gemeenschap van goederen en dat ieder der echtgenoten zal behouden hetgeen door hem of haar aan baten en schulden ten huwelijk wordt aangebracht en tijdens het huwelijk door hem of haar wordt verkregen respectievelijk aangegaan op welke wijze ook. De man stelt dat van de lening aan zijn vader niet alleen de aflossing ten bedrage van € 155.000,- deel uitmaakt, maar ook de door hem in 2011 vóór het huwelijk ontvangen bedragen van € 48.000,-, € 21.500,- en € 10.000,-, waarna zijn vader het verschuldigde bedrag heeft afgerond naar € 230.000,-. Gelet op de huwelijkse voorwaarden, waarin is overeengekomen dat ieder de ten huwelijk aangebrachte schulden behoudt, kan de vrouw slechts draagplichtig worden gehouden voor de helft van € 155.000,-, zijnde € 77.500,-. Van de gestelde schuld van € 230.000,- komt derhalve € 152.500,- voor rekening van de man en € 77.500,- voor rekening van de vrouw.

4.4.11.

De man stelt voorts dat zijn vader hem een bedrag van € 76.000,- heeft geschonken welk bedrag in mindering is gebracht op het aandeel van de man in de schuld aan zijn vader. De vrouw dient de helft van dit bedrag (€ 38.000,-) aan de man te vergoeden. De totale schuld aan zijn vader bedraagt nu nog € 154.000,-.

4.4.12.

De vrouw betwist dat zij een bedrag aan de man verschuldigd is, omdat de man niet aantoont dat hij dit bedrag in de gemeenschappelijke woning heeft geïnvesteerd.

4.4.13.

De rechtbank overweegt dat ten aanzien van deze schenking geldt dat de man niet met privévermogen heeft geïnvesteerd in een gemeenschappelijk goed op grond waarvan hij een bedrag van de vrouw te vorderen heeft. Met deze schenking is de schuld aan zijn vader gedeeltelijk afgelost, zodat het een schenking op papier betrof. Dit leidt er daarom niet toe dat de man een bedrag van de vrouw te vorderen heeft. De rechtbank wijst dit verzoek van de man daarom af.

4.4.14.

De lening aan de vader van de man bedraagt thans nog € 154.000,-. Daarvan komt naar het oordeel van de rechtbank een bedrag van € 77.500,- voor rekening van de vrouw en een bedrag van € 76.500,- voor rekening van de man. De rechtbank zal dienovereenkomstig bepalen.

4.5.

De gezamenlijke bankrekeningen

4.5.1.

Partijen hebben een tweetal gezamenlijke bankrekeningen bij de ABN AMRO met nummer [rekeningnummer] en [rekeningnummer] . De man stelt dat het saldo van deze rekeningen bij helfte moet worden verdeeld.

4.5.2.

Ten aanzien van de rekening eindigend op [rekeningnummer] is de vrouw het met de man eens. Ten aanzien van de rekening eindigend op [rekeningnummer] stelt de vrouw dat haar eerst een bedrag toekomt van € 1.440,-, waarna het resterende saldo kan worden verdeeld. De vrouw voert daartoe aan dat zij meer heeft bijgedragen aan de kosten van de huishouding.

4.5.3.

Naar het oordeel van de rechtbank dient het saldo van beide bankrekeningen bij helfte te worden verdeeld, waarna de rekeningen kunnen worden opgeheven. Daarbij overweegt de rechtbank dat zij hierna nog in zal gaan op het standpunt van de vrouw dat zij meer heeft bijgedragen aan de kosten van de huishouding hetgeen volgens de vrouw zou moeten leiden tot een andere verdeling dan een verdeling bij helfte.

4.6.

Verrekening kosten van de huishouding

Vordering man op vrouw

4.6.1.

De man stelt dat hij in het kader van de kosten van de huishouding een vordering heeft op de vrouw van € 13.800,-. De man voert daartoe aan dat hij op 1 april 2015 ter zake van rente op de (hypothecaire) schuld aan zijn vader € 27.600,- heeft betaald, dit betrof achterstallige rentebetalingen over de jaren 2013 en 2014. Nu partijen op grond van de huwelijkse voorwaarden naar evenredigheid van hun inkomens in de lasten moesten bijdragen, dient de vrouw de helft van dit bedrag aan hem terug te betalen.

4.6.2.

De vrouw betwist dat deze betaling een rentebetaling betrof, omdat er bij de overboeking geen omschrijving staat. Volgens de vrouw heeft de man dit bedrag betaald om onderzoek door de Belastingdienst te voorkomen.

4.6.3.

De rechtbank overweegt dat uit de door man overgelegde stukken niet blijkt dat de betaling achterstallige hypotheekrente betreft over de jaren 2013 en 2014. Wat daar ook van zij, de echtgenoot die zich beroept op verrekening van de kosten van de huishouding dient inzichtelijk te maken wat de totale lasten zijn geweest over de betreffende periode, wat ieders inkomen is geweest en welk deel van de lasten ieder van partijen naar evenredigheid van zijn of haar inkomen had moeten voldoen. Nu de man dit niet inzichtelijk heeft gemaakt, voldoet de man niet aan de op hem rustende stelplicht en wijst de rechtbank zijn verzoek af.

Vordering vrouw op man

4.6.4.

De vrouw stelt dat de man in strijd met de gemaakte afspraken een lager bedrag heeft overgemaakt naar de gezamenlijke bankrekening, waardoor zij in de maanden februari, maart en april 2014 € 480,- per maand te veel heeft betaald aan de kosten van de huishouding. Zij heeft daarom een vordering op de en/of rekening van € 1.440,-.

4.6.5.

De man betwist dit.

4.6.6.

Zoals de rechtbank hiervoor in rechtsoverweging 4.6.3. heeft overwogen rust op degene die een verrekening van de kosten van de huishouding wenst een zware stelplicht. Naar het oordeel van de rechtbank voldoet de vrouw daar niet aan. Ook het verzoek van de vrouw wijst de rechtbank daarom af.

4.7.

Vordering ad € 2.700,-

4.7.1.

De man stelt dat hij € 20.000,- heeft gestort op de effectenrekening bij Westland Utrecht. De vrouw moest de helft hiervan aan hem betalen. Zij heeft dit niet gedaan. Zij heeft € 4.600,- gestort op de bankrekening van de man en € 5.400,- op de gezamenlijke bankrekening. Nu de vrouw gerechtigd was tot helft van het saldo op deze laatst genoemde rekening, dient zij nog € 2.700,- aan hem betalen, aldus de man.

4.7.2.

De vrouw betwist dat zij haar aandeel niet volledig heeft betaald. De vrouw stelt zich verder op het standpunt dat alle bedragen die betrekking hebben op de aankoop van de woning verwerkt zijn in de artikel 17 van de samenlevingsovereenkomst, waarin is bepaald dat de vrouw € 46.215,67 aan de man moet vergoeden.

4.7.3.

De rechtbank overweegt dat uit de door de man overgelegde productie, die hij overlegt ter onderbouwing van zijn standpunt, blijkt dat het bedrag van € 20.000,- is betaald van de en/of rekening van partijen. Gelet op de gemotiveerde betwisting door de vrouw maakt de man daarom niet aannemelijk dat hij van privévermogen een bedrag van € 20.000,- heeft betaald, op grond waarvan hij nog een vordering op de vrouw zou hebben. Met de vrouw is de rechtbank overigens ook van oordeel dat partijen in de samenlevingsovereenkomst in artikel 17 een regeling hebben getroffen ten aanzien van de privé investeringen in de woning ten tijde van de aankoop daarvan. De rechtbank wijst het verzoek van de man daarom af.

4.8.

Vordering ad € 3.468,-

4.8.1.

De vrouw stelt dat de man een belastingteruggave heeft ontvangen welke betrekking had op haar studiekosten, zodat dit bedrag door de man aan haar moet worden betaald.

4.8.2.

De man betwist dat hij nog enig bedrag aan de vrouw moet betalen. Volgens de man hebben partijen dit al met elkaar verrekend.

4.8.3.

De rechtbank overweegt dat de man erkent dat hij dit bedrag, wat in beginsel de vrouw toekomt, heeft ontvangen. Hoewel de man stelt dat partijen dit bedrag hebben verrekend, onderbouwt hij deze stelling niet voldoende tegenover het standpunt van de vrouw. De rechtbank wijst het verzoek van de vrouw daarom toe.

4.9.

Binck Beleggingen van de man en bankrekeningen op naam van de man dan wel de vrouw

4.9.1.

De man verzoekt te bepalen dat de op zijn naam staande beleggingen en bankrekeningen en de bankrekeningen op naam van de vrouw niet in de verdeling/verrekening worden betrokken.

4.9.2.

De rechtbank overweegt dat de man geen belang heeft bij zijn verzoek nu partijen buiten iedere vermogensrechtelijke gemeenschap zijn gehuwd en in de huwelijkse voorwaarden ook geen verrekenbeding zijn overeengekomen. De verzoeken worden afgewezen wegens gebrek aan belang.

4.10.

Verrekening belastingvorderingen/-heffingen

4.10.1.

De vrouw stelt dat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn voor eventuele naheffingen die verband houden met te veel ontvangen aftrek hypotheekrente.

4.10.2.

De man erkent dat over de jaren 2013 en 2014 verrekend moet worden. De man betwist dat ook over 2015 moet worden verrekend, omdat partijen in 2015 geen fiscale partners meer waren.

4.10.3.

Nu het verzoek van de vrouw te onbepaald is, wijst de rechtbank dit verzoek af. Immers niet duidelijk is of en welke naheffingen partijen zullen krijgen. De rechtbank overweegt daarbij dat de man heeft toegezegd bereid te zijn in ieder geval over de jaren 2013 en 2014 te verrekenen.

4. De beslissing

De rechtbank:

In de procedure met zaak- en rekestnummer C/13/595635 FA RK 15-7433:

- spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd te Amsterdam op [datum] ;

In de procedure met zaak- en rekestnummer C/13/611729/ FA RK 16-4795:

- gelast als wijze van verdeling van de eenvoudige gemeenschap van inboedel dat partijen om de beurt een goed mogen kiezen, waarbij partijen met een munt tossen wie als eerste mag kiezen en waarbij, indien partijen geen overeenstemming kunnen krijgen over wie kop en wie munt kiest, de vrouw de kop krijgt;

- gelast als wijze van verdeling van de eenvoudige gemeenschap van woning dat de woning aan de [adres] in de verkoop zal worden gezet via makelaar Francis Helmig te Amsterdam, waarbij na verkoop en levering de overwaarde van de woning tussen partijen wordt verdeeld met inachtneming van het in rechtsoverweging 4.4.5. bepaalde ten aanzien van de draagplicht van de hypothecaire geldlening bij Westland Utrecht Hypotheken;

- gelast als wijze van verdeling van de bankrekening met nummer [rekeningnummer] bij Brand New Day dat deze bankrekening wordt gesplitst in die zin dat aan iedere partij een gelijke waarde wordt toegedeeld;

- deelt de auto toe aan de vrouw tegen een waarde van € 1.377,50 en veroordeelt de vrouw ter zake hiervan wegens overbedeling aan de man € 688,75 (zegge: zeshonderd achtentachtig euro vijfenzeventig eurocent) te betalen;

- deelt iedere partij de helft van de saldi toe van de bankrekeningen bij ABN AMRO met nummers [rekeningnummer] en [rekeningnummer] , waarna deze bankrekeningen zullen worden opgeheven;

- bepaalt dat van de beleggingsrekening Westland Utrecht met polisnummer [rekeningnummer] de man een bedrag van € 15.000,- (zegge: vijftien duizend euro) toekomt, waarna het meerdere saldo bij helfte tussen partijen wordt verdeeld en de rekening wordt opgeheven;

- stelt vast dat de schuld aan de vader van de man thans € 154.000,- bedraagt, waarvan een bedrag van € 77.500,- voor rekening komt van de vrouw en een bedrag van € 76.500,- voor rekening komt van de man;

- veroordeelt de man tot betaling aan de vrouw van € 3.468,- (zegge: drie duizend vierhonderd achtenzestig euro);

- verklaart voormelde nevenvoorzieningen uitvoerbaar bij voorraad;

- bepaalt dat elk der partijen de eigen proceskosten draagt;

- wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.M. Troost, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. S.J. van der Veen, griffier, op 28 december 2016.1

1 Voor zover tegen de beschikking hoger beroep openstaat kan dit via een advocaat worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam (IJdok 20 / Postbus 1312, 1000 BH).
Het beroep moet worden ingesteld:
- door de verzoeker en door de verschenen wederpartij binnen drie maanden na dagtekening van de beschikking;
- door de niet-verschenen wederpartij binnen drie maanden na de betekening van de beschikking in persoon of binnen drie maanden nadat deze beschikking op andere wijze is betekend en overeenkomstig art. 820, lid 2 Rv openlijk bekend is gemaakt.